Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:1828

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
22-06-2015
Zaaknummer
HD 103.004.491
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

deskundigenbericht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MG

zaaknr. HD 103.004.491

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 8 september 2009,

gewezen in de zaak van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. T.G.M. Gersjes,

tegen:

de naamloze vennootschap REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V., rechtsopvolgster van de naamloze vennootschap HOOGE HUYS SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats 1],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert,

als vervolg op het tussenarrest in deze zaak van 7 oktober 2008 in het hoger beroep van de door de rechtbank ’s-Her-togenbosch onder rolnr. 99733/HA ZA 03-1791 gewezen vonnissen van 9 maart 2005 en 23 augustus 2006.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Op 5 februari 2009 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

Hooge Huys heeft een akte genomen en daarbij een productie overgelegd.

[appellant] heeft eveneens een akte genomen en daarbij de (vier) producties overgelegd die hij voor de comparitie aan de wederpartij en aan het hof had gezonden.

Beide partijen hebben een antwoordakte genomen.

Daarna hebben partijen de stukken opnieuw overgelegd en uitspraak gevraagd.

7 De verdere beoordeling in principaal en incidenteel appel

7.1.

Gelet op de omstandigheid dat thans is komen vast te staan dat Reaal de rechtsopvolgster is van Hooge Huys – en niet omgekeerd – zal het hof geïntimeerde in principaal appel verder aanduiden als Reaal.

7.2.

Bij de comparitie van partijen is met partijen gesproken over de situatie van het bedrijf van [appellant], zijn huidige dagelijkse werkzaamheden, een eventueel psychiatrisch onderzoek van [appellant] en over de consequenties van het niet dragen van een autogordel door [appellant] ten tijde van het ongeval.

7.2.1.

Reaal heeft bij akte gesteld dat partijen het eens zijn geworden over de persoon van een tot deskundige te benoemen psychiater, te weten drs. [psychiater 1], Reinier van Arkel Groep te ’s-Hertogenbosch. Reaal stelt voorts dat partijen de deskundige de zogeheten IWMD-vraag-stelling willen voorleggen, met een kleine wijziging. Partijen willen de deskundige vragen om een vaststelling van de mate van functieverlies van [appellant] aan de hand van de richtlijnen van zijn eigen beroepsvereniging, aldus Reaal.

7.2.2.

[appellant] is met de benoeming van drs. [psychiater 1] en de voorgestelde vraagstelling akkoord.

7.2.3.

Wat betreft het niet dragen van de autogordel verzoekt [appellant] te worden toegelaten tot getuigenbewijs, waarbij hij voorstelt als “getuige-deskundige” te horen ing. [deskundige 1]. Als het hof daaraan niet zou voldoen verzoekt [appellant] een deskundige te benoemen, en wel ing. [deskundige 2] (Ongevallen Analyse Nederland) of ing. [deskundige 3] (Mvoa Maasbracht).

7.2.4.

Reaal behoudt zich het recht voor om later op de door [appellant] overgelegde producties te reageren.

Zij is akkoord met het verzoek van [appellant] om ing. [deskundige 1] te horen en behoudt zich het recht voor dan op dezelfde voet deskundigen te doen horen (art. 200 lid 3 Rv). Zij heeft bezwaar tegen het verzoek om ten aanzien van het niet dragen van een autogordel een deskundigenbericht te gelasten. Subsidiair kan zij instemmen met de door [appellant] genoemde deskundigen.

7.3.1.

Het hof is van oordeel dat het noodzakelijk is dat er nog een psychiatrisch onderzoek van [appellant] plaatsvindt alvorens het hof kan beoordelen of en in hoeverre een verlies aan arbeidsvermogen van [appellant] een gevolg is van het ongeval, en of en in hoeverre dat aan Reaal kan worden toegerekend.

7.3.2.

Het hof heeft de door partijen voorgestelde drs. [psychiater 1] benaderd, maar deze was niet bereid een onderzoek te verrichten. Ook collega’s van drs. [psychiater 1] bij de Van Arkelgroep heeft het hof niet bereid kunnen vinden.

Daarom heeft het hof benaderd dr. [psychiater 2], psychiater verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, [adres] te [vestigingsplaats 2], en deze bereid gevonden een deskundigenonderzoek te verrichten. Het hof zal dr. [psychiater 2] tot deskundige benoemen.

7.3.3.

Aan de deskundige zal het hof de navolgende vragen voorleggen.

Overeenkomstig het gezamenlijke verzoek van partijen zal het hof de vragen ontlenen aan de IWMD-lijst (Interdisciplinaire werkgroep Medische Deskundigen, zie www.rechten.vu.nl/iwmd.Projecten.Vraagstellingen.Vraagstelling causaal verband bij ongeval). Het hof heeft deze vragen op een aantal punten aangepast of samengevat in verband met het feit dat het niet gaat om onderzoek naar (lichamelijk) letsel, en er bovendien ook al eerdere medische rapporten zijn waarin de medische voorgeschiedenis van [appellant] wordt beschreven. Het hof heeft mede gelet op hetgeen in r.o. 4.6.2 is overwogen vraag 1f en vraag 4 aan de vragenlijst toegevoegd.

De door partijen gewenste vragen zijn dermate gedetailleerd, dat het het hof voor de duidelijkehid van de deskundige gewenst voorkomt voorafgaand daaraan de hoofdvraag nog eens te formuleren: in algemene zin gaat het om de vraag, of bij [appellant] sprake is van een depressie en zo ja, of die is ontstaan als gevolg van (de nasleep van) het ongeval.

1. De situatie na ongeval:

De situatie na ongeval:

(Dit onderdeel heeft tot doel inzicht te verschaffen in de huidige en toekomstige (verwachte) gezondheidssituatie van betrokkene.)

a. Hoe luidt de anamnese op uw vakgebied voor wat betreft de aard, de ernst en het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat daarvan?

b. Wilt u een actuele inventarisatie op uw vakgebied maken van de medische voorgeschiedenis van de heer [appellant]?

c. Wilt u bij uw antwoord op de vragen 1a en 1b aangeven welke gegevens u ontleent aan het relaas van betrokkene en welke u ontleent aan onderzoek van de door u verkregen medische gegevens?

d. Wat zijn uw bevindingen bij lichamelijk of andersoortig onderzoek?

e. Wat is de diagnose op uw vakgebied?

f. Indien sprake is van klachten waarbij geen medisch objectiveerbare afwijkingen kunnen worden vastgesteld, kunt u dan gemotiveerd aangeven wat uw differentiaal diagnostische overwegingen zijn?

g. Is er naar uw oordeel een relatie te leggen tussen de klachten van de heer [appellant] en (de gevolgen van) het ongeval van 18 februari 1999?

h. Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van uw eigen beroepsvereniging?

i. Welke beperkingen ondervindt de heer [appellant] naar uw oordeel in zijn huidige toestand in het dagelijks leven, bij het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en bij het verrichten van loonvormende arbeid? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven en toelichten?

j. Acht u de huidige toestand van de heer [appellant] zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel? Zo ja, welke en op welke termijn en in welke mate?

k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering of verslechtering zal hebben voor de mate van functieverlies (als bedoeld in vraag h) en de beperkingen (als bedoeld in vraag i)?

2. De hypothetische situatie zonder ongeval

De hypothetische situatie zonder ongeval

(dit onderdeel heeft tot doel inzicht te verschaffen in de vraag of een causaal verband aanwezig is tussen het ongeval en de door u geconstateerde klachten en afwijkingen).

a. Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest, of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de heer [appellant] niet was overkomen?

b. Zo ja, kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

c. Kunt u aangeven welke mate van functieverlies (als bedoeld in vraag 1h) en welke beperkingen (als bedoeld in vraag 1i) uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

3. Het genezingsproces

Het genezingsproces

a. Welke behandelingen of therapieën op uw vakgebied zijn medisch geïndiceerd voor de heer [appellant]?

b. Indien al eerder dergelijke therapieën of behandelingen zijn ingesteld, wat was het resultaat daarvan? Als deze behandelingen of therapieën niet zijn afgerond, kunt u dan aangeven wat daarvan de reden is geweest?

c. In hoeverre had (voortzetting van) behandeling bij [appellant] kunnen leiden tot een vermindering van het functieverlies (vraag 1h) en van de beperkingen (vraag 1i)?

d. Ziet u aanleiding om nog een deskundige op een ander vakgebied te raadplegen in verband met de bovenstaande vragen?

4. Tot slot

Tot slot

Hebt u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?

7.3.4.

De deskundige wordt gewezen op het in artikel 7:464 lid 2, aanhef en sub b, BW neergelegde inzage- en blokkeringsrecht van [appellant]. Dit recht houdt in dat hij [appellant] in de gelegenheid moet stellen mede te delen of hij de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek wenst te vernemen, en, zo ja, of hij daarvan als eerste wenst kennis te nemen, teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan anderen wordt gedaan.

De deskundige wordt verzocht in zijn rapport te vermelden of en zo ja, op welke wijze, hij aan deze verplichting heeft voldaan.

7.3.5.

Voor de goede orde wijst het hof erop dat hij krachtens het bepaalde in artikel 198 lid 3 Rv uit een gebrek aan medewerking van [appellant] aan het deskundigenonderzoek de gevolgtrekking kan maken die het geraden acht.

7.3.6.

Het hof zal het voorschot van de deskundige ten bedrage van € 2.000,= ten laste brengen van Reaal, nu zij de aansprakelijke partij is.

7.4.

Het hof houdt zijn oordeel over het aspect van het niet dragen van de autogordel door [appellant] aan tot na dit deskundigenbericht.

7.5.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

8 De uitspraak

Het hof:

in het principaal en incidenteel appel:

bepaalt dat een deskundigenonderzoek zal worden verricht naar de in onderdeel 7.3.3 van dit arrest geformuleerde vragen;

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:

dr. [psychiater 2],

Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie,

[adres],

[vestigingsplaats 2];

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof; de deskundige wordt in dit verband nog gewezen op hetgeen in r.o. 7.3.4 hierboven is overwogen;

verzoekt de deskundige tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek zal aanvangen nadat de griffier heeft bericht dat het voorschot is ontvangen;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op vier maanden nadat door de griffier is bericht dat het voorschot is ontvangen en dat met het onderzoek kan worden aangevangen;

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 2.000,=, tenzij partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak tegen de hoogte van het voorschot bezwaar hebben gemaakt; in dat geval zal het hof op het bezwaar/de bezwaren beslissen en de hoogte van het voorschot bepalen;

bepaalt dat Reaal genoemd voorschot van € 2.000,= binnen 2 weken na heden zal overmaken naar rekeningnummer 19.23.25.787 ten name van Arrondissement 536 ’s-Hertogen-bosch onder vermelding van zaaknr. HD 103.004.491;

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal toezenden;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 26 januari 2010 voor memorie na deskundigenonderzoek, aan de zijde van [appellant];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-van Dijken, Huijbers-Koopman en Keizer en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 september 2009.

griffier rolraadsheer