Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:1366

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-07-2009
Datum publicatie
03-01-2014
Zaaknummer
HD 200.005.597
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2007:2244, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2008:459, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zijn er bemiddelende managementwerkzaamheden verricht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MG

zaaknr. HD 200.005.597

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zesde kamer, van 14 juli 2009,

gewezen in de zaak van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1],

appellant bij exploot van dagvaarding

van 24 april 2008

advocaat: mr. F.H.I. Hundscheid,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

advocaat: mr. D.H.S. Donk,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht gewezen vonnissen van 8 augustus 2007 en 5 maart 2008 tussen appellant – [appellant] - als opposant, eiser in reconventie en geïntimeerde – [geïntimeerde] - als geopposeerde, gedaagde in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 113587/ HA ZA 06-877)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen alsmede naar het verstekvonnis dat op 28 juni 2006 door de rechtbank Maastricht is gewezen onder nr. 110732/ HA ZA 06-481.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij memorie van grieven voorzien van een productie heeft [appellant] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing alsnog van het gevorderde in conventie, alsmede tot toewijzing alsnog van het gevorderde in reconventie, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf

9 augustus 2006, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

2.2.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

2.3.

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

Geen grieven zijn gericht tegen de feiten, zoals door de rechtbank vastgesteld in onderdeel 4.1 van het vonnis van 8 augustus 2007, zodat het hof derhalve van diezelfde feiten zal uitgaan. Daarnaast zijn enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet gemotiveerd betwist, komen vast te staan. Voor de leesbaarheid van dit arrest zal het hof hierna de relevante feiten kort weergeven.

4.1.1

[geïntimeerde] houdt zich bezig met sportmarketing en management van topsporters. [appellant] houdt zich bezig met atletiek, in het bijzonder met polsstokhoogspringen.

4.1.2

Begin 2003 zijn partijen mondeling overeengekomen dat [geïntimeerde] ten behoeve van [appellant] managementwerkzaamheden zou verrichten. De overeenkomst heeft zich uitgestrekt over een periode van begin 2003 tot omstreeks

24 oktober 2005. In genoemde periode heeft sponsoring

– financieel en in natura - plaatsgevonden door DSM, Puma, Adidas en American Sports.

4.2.1

Bij inleidende dagvaarding van 10 mei 2006 heeft [geïntimeerde] veroordeling van [appellant] gevorderd tot betaling van € 11.300,--, vermeerderd met BTW over dit bedrag en te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 29 maart 2006 tot aan de dag der voldoening, alsmede vermeerderd met een bedrag ad € 556,50 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met BTW over dit bedrag en wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening.

Aan zijn vordering heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat [appellant] aan hem een bedrag ad € 11.300,-- verschuldigd is ter zake van tussen partijen overeengekomen commissie in verband met de sponsoring door Adidas, American Sports, Puma en DSM. Volgens [geïntimeerde] heeft hij voor de verleende diensten recht op een commissie van 15 % over de gegenereerde waarden.

4.2.2

[appellant] is in de procedure in eerste aanleg niet verschenen, waarna tegen [appellant] verstek is verleend.

4.2.3

Bij verstekvonnis van 28 juni 2006 heeft de rechtbank Maastricht de vordering van [geïntimeerde] toegewezen.

4.2.4

Bij verzetdagvaarding van 27 juli 2006 is [appellant] in verzet gekomen tegen voornoemd vonnis. [appellant] heeft verweer gevoerd, kort gezegd inhoudende dat voor zover sponsoring in natura heeft plaatsgevonden geen commissie verschuldigd is en voor het de overige dat [geïntimeerde] geen relevante activiteiten ten behoeve van de sponsoring van [appellant] heeft verricht.

In reconventie heeft [appellant] veroordeling van [geïntimeerde] gevorderd tot betaling van een schadevergoeding ter hoogte van € 14.000,-- op de grond dat [geïntimeerde] zijn verplichtingen uit de overeenkomst niet (behoorlijk) is nagekomen.

4.2.5

Bij vonnis van 5 maart 2008 heeft de rechtbank in conventie de vordering van [geïntimeerde] toegewezen tot een bedrag ad € 7.650,--, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 maart 2006. De rechtbank heeft de proceskosten in conventie gecompenseerd en de door [geïntimeerde] gevorderde buitengerechtelijke kosten afgewezen.

In reconventie heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

4.3.1

[appellant] kan zich met dit vonnis, alsmede met het tussenvonnis van 8 augustus 2007 niet verenigen en is daarvan in hoger beroep gekomen.

[appellant] heeft geen grieven gericht tegen de beroepen vonnissen, voor zover gewezen in reconventie. In zoverre zal [appellant] niet-ontvankelijk worden verklaard.

Tegen de beroepen vonnissen, voor zover gewezen in conventie heeft [appellant] drie grieven gericht. Het hof zal hierna de grieven gezamenlijk bespreken.

4.3.2

De rechtbank heeft in onderdeel 2.1 van het vonnis van 5 maart 2008 vastgesteld dat tussen partijen is overeengekomen dat commissie is verschuldigd ten aanzien van contracten, bij het afsluiten waarvan door [geïntimeerde] bemiddelende activiteiten zijn verricht. [appellant] heeft tegen deze vaststelling van de rechtbank geen voldoende duidelijk als zodanig op te vatten grief gericht, zodat het hof dit als vaststaand feit aanneemt.

4.3.3

[geïntimeerde] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij ten aanzien van de sponsoring door Adidas, Puma en American Sports bemiddelende activiteiten heeft verricht en dat [appellant] hem uit dien hoofde commissie is verschuldigd.

4.3.4

[appellant] heeft als verweer aangevoerd dat er geen bemiddelende activiteiten door [geïntimeerde] zijn verricht, althans dat deze geen resultaat hebben gehad. Bovendien is volgens [appellant] niet overeengekomen dat commissie verschuldigd zou zijn in geval van sponsoring in natura.

4.3.5

Naar het oordeel van het hof moet het verweer van [appellant] dat [geïntimeerde] geen bemiddelende activiteiten heeft verricht met betrekking tot de sponsoring door Adidas, worden verworpen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk hoe de activiteiten die [geïntimeerde] ten opzichte van Adidas heeft ontplooid - welke door [geïntimeerde] zijn gesteld en door [appellant] niet zijn betwist – anders kunnen worden geduid dan als bemiddelende activiteiten. Uit de door [appellant] overgelegde productie 1 bij MvG blijkt dat [geïntimeerde] degene is geweest die de heer [vertegenwoordiger Adidas]van Adidas heeft benaderd met het verzoek om [appellant] te sponsoren. In zijn overzicht van werkzaamheden van 20 oktober 2005(productie 2 bij Conclusie van Antwoord in reconventie) heeft [geïntimeerde] voorts [appellant] op de hoogte gesteld van met Adidas gevoerd overleg met betrekking tot de vraag of sponsoring al dan niet op internationaal niveau zou kunnen plaatsvinden, terwijl Adidas vervolgens een aanbod heeft gedaan in een e-mail die aan [geïntimeerde] is gericht (prod. 3 Conclusie van Antwoord in reconventie). De heer [vertegenwoordiger Adidas]van Adidas heeft bovendien verklaard na deze aanbieding nog één à twee keer contact met [geïntimeerde] te hebben gehad (prod. 1 MvG).

Daarmee staat naar het oordeel van het hof in voldoende mate vast dat door [geïntimeerde] bemiddelende activiteiten tussen Adidas en [appellant] zijn verricht. Deze vaststelling leidt in beginsel tot de conclusie dat [appellant] aan [geïntimeerde] commissie verschuldigd is. Dit zou slechts anders zijn indien het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om, gelet op alle relevante omstandigheden, in het onderhavige geval de verschuldigdheid van commissie aan [geïntimeerde] aan te nemen, maar daartoe heeft [appellant] naar het oordeel van het hof onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld. Onvoldoende in dit verband acht het hof de stelling (i) dat de activiteiten van [geïntimeerde] de betaling van commissie niet zouden rechtvaardigen, omdat zijn handelen niet tot het sluiten van het contract zouden hebben geleid, (ii) dat na de betrokkenheid van [geïntimeerde] nog anderen met Adidas hebben onderhandeld en (iii) dat de mail van Adidas aan [geïntimeerde] niet de sluitsteen van de onderhandelingen is geweest.

[appellant] is dan ook naar het oordeel van het hof commissie verschuldigd over de geldsom die [appellant] van Adidas heeft ontvangen. In zoverre zal de vordering van [geïntimeerde] worden toegewezen.

Voor zover de sponsoring door Adidas in natura heeft plaatsgevonden verwijst het hof naar r.o. 4.3.10 hierna.

4.3.6

[geïntimeerde] heeft gesteld ook met betrekking tot het door Puma uitgekeerde bedrag van € 5.000,-- (de wereldtitel-bonus), bemiddelende activiteiten te hebben verricht, zowel waar het betreft de totstandkoming van het sponsorcontract van september 2003, alsmede met betrekking tot de betaling van het bedrag ad € 5.000,-- in 2005 en de onderhandeling over een contract voor de periode na het wereldkampioenschap.

4.3.7

[appellant] heeft daartegen als verweer aangevoerd dat de looptijd van het contract met Puma bij het behalen van de wereldtitel al was verstreken en dat het aan hemzelf en zijn raadsman is toe te schrijven dat Puma zonder dat daartoe een contractuele basis bestond desondanks een bedrag ad € 5.000,-- heeft betaald.

Ter comparitie van 26 maart 2007 heeft Mr. Hundscheid zijdens [appellant] verklaard dat Puma bij de betaling van het bedrag uitdrukkelijk heeft aangegeven dat deze plaatsvond niet op grond van de overeenkomst, maar als blijk van waardering.

4.3.8

[geïntimeerde] heeft niet betwist dat de looptijd van het contract van [appellant] met Puma uit 2003 ten tijde van het behalen van de wereldtitel was verstreken.

Uitgaande van de – in hoger beroep onbestreden - vaststelling van de rechtbank in r.o. 2.1. van het vonnis van 5 maart 2008, dat tussen partijen is overeengekomen dat commissie is verschuldigd ten aanzien van contracten, bij het afsluiten waarvan door [geïntimeerde] bemiddelende activiteiten zijn verricht, volgt de verschuldigdheid van commissie naar het oordeel van het hof niet zonder meer uit het feit dat in het verleden, voorafgaand aan het behalen van de wereldtitel door [appellant], een contract tussen Puma en [appellant] heeft bestaan. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde], gelet op het verweer van [appellant], onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die leiden tot de conclusie dat de betaling door Puma van de bonus ad € 5.000,-- haar grondslag heeft gevonden in het eerdergenoemd contract uit 2003.

4.3.9

Evenmin heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof voldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat hij specifiek met betrekking tot de betaling door Puma van het bedrag ad

€ 5.000,-- bemiddelende activiteiten heeft verricht. Het hof acht onvoldoende in dit verband de stelling dat [geïntimeerde] contact heeft gehad met de heer [vertegenwoordiger Puma] van Puma over betaling van dit bedrag. [geïntimeerde] heeft immers niet aangegeven waarin dit contact heeft bestaan en op welke wijze dit contact enige bemiddelende activiteiten heeft behelsd waar het de betaling van genoemd bedrag betreft. Evenmin volgt uit concrete feiten en omstandigheden dat de betaling van € 5.000,-- in enig (nader) door [geïntimeerde] bemiddeld contract haar basis heeft gevonden. Derhalve wordt de vordering van [geïntimeerde] op dit punt als onvoldoende gemotiveerd afgewezen en wordt aan het bewijsaanbod van [geïntimeerde] op dit punt niet toegekomen.

4.3.10

Voorts heeft sponsoring in natura plaatsgevonden door Adidas en American Sports.

Het hof begrijpt de stellingen van [geïntimeerde] aldus, dat de overeenkomst tussen partijen zo moet worden uitgelegd dat in geval van sponsoring in natura 15% van de waarde van de sponsoring aan [geïntimeerde] als commissie toekomt. Aan deze stelling heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat het gebruikelijk is in de branche dat een manager ook commissie over inkomsten voortvloeiende uit sponsoring in natura ontvangt. [appellant] heeft deze uitleg van de overeenkomst en het bestaan van het gestelde branchegebruik gemotiveerd betwist. Het hof begrijpt voorts dat [appellant] de waardering van de sponsoring in natura door [geïntimeerde] betwist.

Het is aan [geïntimeerde] om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat het in de sportbranche gebruikelijk is om commissie over vergoedingen in natura te betalen en dat hij er daarom van mocht uitgaan dat [appellant] begreep dat onder de overeenkomst tussen partijen sponsoring in natura was begrepen en dit ook zelf zo heeft mogen begrijpen. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde], gelet op het verweer van [appellant], zijn stelling op dit punt onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. Het enkele gestelde feit dat [geïntimeerde] zelf van verschillende andere topsporters commissie ontvangt over sponsoring in natura rechtvaardigt nog niet de conclusie dat dit in de branche gebruikelijk zou zijn, net zo min als de stelling dat vergoedingen in natura door de belastingdienst als salaris worden aangeduid, of de stelling dat de belangen van manager en topsporter niet meer geheel synchroon zouden lopen als hier geen commissie verschuldigd zou zijn.

Bij gebreke van een voldoende onderbouwing van zijn vordering wordt aan het bewijsaanbod van [geïntimeerde] op dit punt niet toegekomen.

De vordering zal op dit punt worden afgewezen.

4.3.11

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord nog aangevoerd dat hij ook met betrekking tot de sponsoring door DSM bemiddelende activiteiten heeft verricht. Tegen de afwijzing van deze vordering door de rechtbank is [geïntimeerde] evenwel niet in incidenteel appel opgekomen, hetgeen tot gevolg heeft dat deze vordering in dit hoger beroep niet aan de orde is.

4.3.12

De slotsom luidt dat het beroepen vonnis vernietigd dient te worden. De grieven 2 en 3 zijdens [appellant] slagen. Het hof zal de vordering van [geïntimeerde] alsnog afwijzen voor zover die betrekking heeft op de sponsoring door American Sports, door Puma voor zover deze de wereldtitelbonus betreft en door Adidas waar het de sponsoring in natura betreft. Voor zover de vordering op de overige sponsoring door Adidas ziet, zal deze vordering, ter hoogte van € 5.625,-- worden toegewezen.

4.3.13

Het hof ziet in de uitkomst van het geschil aanleiding de beslissing van de rechtbank om de proceskosten te compenseren, te handhaven en [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in dit hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de in reconventie gewezen vonnissen;

vernietigt de vonnissen waarvan beroep, voor zover gewezen in conventie, en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag ad

€ 5.625,--, te vermeerderen met de daarover verschuldigde BTW en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2006;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de kosten van de procedure in eerste aanleg aldus, dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in hoger beroep, welke kosten het hof tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 494,44 aan verschotten en € 894,-- voor salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

Dit arrest is gewezen door mrs. Rothuizen-van Dijk, Vermeulen en Beekhoven van den Boezem en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 juli 2009.