Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BQ8904

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-10-2008
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
HD 103.001.490 T3 oud C0500131/MA T3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2003:AI6100
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2004:AR4460
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BQ8780, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ8780
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortzetting van LJN BQ8895 en LJN BQ8899

Deskundigenonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HD 103.001.490

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zesde kamer, van 28 oktober 2008,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. L.E.J. Jonker,

tegen:

1. [Y.],

wonende te [woonplaats], België,

2. [Z.],

wonende te [woonplaats], België,

geïntimeerden,

advocaat: mr. J.E. Benner,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 19 september 2006 en 1 april 2008.

10. Het tussenarrest van 1 april 2008

Bij genoemd arrest is de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte en is iedere verdere beslissing aangehouden.

11. Het verdere verloop van de procedure

[X.] heeft evenals [Y.] een akte uitlating benoeming deskundige genomen. Vervolgens hebben partijen wederom de stukken overgelegd voor arrest.

12. De verdere beoordeling

12.1. [X.] heeft een (sterke) voorkeur voor benoeming van drie deskundigen aangezien het volgens [X.] om een gecompliceerde waardebepaling gaat. Het merendeel van de kunstwerken is namelijk niet op zicht te taxeren. Voorts ziet [X.] in de benoeming van drie deskundigen een waarborg tegen willekeur en al te grote verschillen van mening. Ten aanzien van de door het hof voorgestelde vragen heeft [X.] geen opmerkingen.

[Y.] ziet de noodzaak van de benoeming van meer dan één deskundige niet in. Niet alleen omwille van tijdsbesparing en de voorkoming van meningsverschillen doch ook gelet op de kosten volstaat één deskundige, aldus [Y.]. [Y.] maakt voorts bezwaar tegen benoeming van (één van) de drie door [X.] voorgestelde deskundigen omdat het generalisten en geen specialisten zijn.

12.2. Het hof is met [Y.] van mening dat in dezen één deskundige volstaat. Gelet op de te taxeren kunstwerken is het van belang dat de te benoemen deskundige over specifieke deskundigheid beschikt ten aanzien van met name schilderijen uit de 19de en 20ste eeuw. [X.] heeft ten aanzien van de door [Y.] (primair) voorgestelde drs. M.C.E. Aarts opgemerkt dat deze niet voor benoeming in aanmerking komt omdat [X.] en mevrouw Aarts elkaar kennen uit het vak. [Y.] heeft nadat de desbetreffende deskundige heeft laten weten ‘geen beeld te hebben bij een vrouw met deze naam’, zulks ontkend. Het hof is evenwel van oordeel dat in deze zaak gelet op de eerdere ervaring met de benoeming van de deskundige voorts Swagemakers de onafhankelijkheid van de te noemen deskundige buiten iedere twijfel verheven moet zijn. Het hof geeft daarom de voorkeur aan de benoeming van de andere door [Y.] voorgestelde deskundige, de heer M. Haasnoot.

Zowel [X.] als [Y.] hebben laten weten met deze deskundige in het verleden op geen enkele wijze te maken te hebben gehad, terwijl deze deskundige gespecialiseerd is in beeldende kunst uit de 18de, 19de en 20ste eeuw.

Het hof vindt het gelet op deze deskundigheid van de heer Haasnoot niet nodig ten aanzien van het antieke biljart, de twee bronzen beelden van Fourment en de klok een andere deskundige – bij voorbeeld de door [X.] genoemde de heer W. de Winter – te benoemen. Het hof laat het aan de deskundige over indien nodig ten aanzien van deze kunstwerken nader advies in te winnen bij genoemde Winter of een andere deskundige. De deskundige dient zulks dan wel in het rapport te vermelden.

12.3. [Y.] heeft bij de door het hof voorgestelde vragen de kanttekening geplaatst dat bij de complexiteit van de waardebepaling niet alleen een rol speelt dat de schilderijen via foto’s of anderszins moeten worden getaxeerd op de waarde die zij in de periode 1998 – 2001 hadden, maar ook dat [X.] de schilderijen heeft laten restaureren en diverse malen heeft verplaatst vanwege een verhuizing. Een en ander kan inderdaad van invloed zijn op de waardebepaling van de schilderijen en daarom zal de deskundige worden gevraagd bij zijn taxatie daarmee rekening te houden.

12.4. In het tussenarrest van 1 april 2008 heeft het hof aangegeven dat het van belang is dat de kunstwerken zoveel mogelijk door de deskundige op zicht worden getaxeerd en dat, voor zover dat redelijkerwijs niet mogelijk is, de deskundige in zijn rapport dient aan te geven hoe de waarde is bepaald (r.o. 8.8). [Y.] laat weten dat in ieder geval de door het hof in rechtsoverweging 8.7. onder nummer 3 en 4 genoemde schilderijen en kunstwerken niet op zicht kunnen worden getaxeerd omdat [Y.] deze op een veiling heeft verkocht. [Y.] beschikt wel over de verkoopbewijzen van de op de veiling verkochte schilderijen en kunstwerken. Deze bewijzen kunnen inderdaad, zoals [Y.] terecht opmerkt, behulpzaam zijn bij de waardebepaling door de deskundige. Het hof gaat er dan ook vanuit dat [Y.] deze bewijzen, foto’s en andere in het kader van de waardebepaling relevante bescheiden desgevraagd aan de deskundige ter beschikking stelt. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor [X.].

verzoek ex artikel 22 Rv

12.5. [Y.] wijst er op dat de schilderijen genoemd onder nummer 1a en 2 van r.o. 8.7 van het arrest van 1 april 2008 zich mogelijk nog bij [X.] bevinden. [Y.] heeft daarover bij [X.] navraag gedaan, maar [X.] heeft daarop (nog) geen antwoord gegeven. Thans verzoekt [Y.] het hof [X.] te bevelen zich daarover bij akte uit te laten. Het hof zal dit verzoek toewijzen. Het is immers in het kader van een zorgvuldige uitvoering van het onderzoek van belang dat voor de deskundige vooraf duidelijk is welke schilderijen wel en welke niet op zicht kunnen worden getaxeerd. Niet alleen omdat de deskundige zich voor een taxatie op zicht ter plaatste zal moeten begeven, maar ook omdat de deskundige ten aanzien van de kunstwerken waar zulks niet mogelijk is, er voor zal moeten zorgen - al dan niet via partijen - over voldoende bescheiden te kunnen beschikken om de waarde van die kunstwerken te kunnen bepalen. [Y.] heeft reeds aangegeven over goede kleurenfoto’s van de schilderijen genoemd onder nummer 1 en 2 van r.o. 8.7 van genoemd arrest te beschikken, waaronder een aantal foto’s gemaakt in 1993 door verzekeringstaxateur [H.].

Derhalve wordt de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van [X.]. In deze akte dient [X.] aan te geven welke van voornoemde schilderen zich nog bij haar bevinden dan wel dient [X.] ingeval (een aantal van) de schilderijen zich niet meer bij haar bevinden zo mogelijk aan te geven waar de schilderijen zich dan wel bevinden.

12.6. De deskundige wordt gevraagd, rekening houdend met hetgeen in r.o. 4.10 van het arrest van 19 september 2006 is overwogen en rekening houdend met de in r.o. 12.3 van dit arrest genoemde omstandigheden, de volgende vragen te beantwoorden:

1) Wat was op 4 juli 1999 de waarde (WEV) van de volgende schilderijen:

a) ‘Winterlandschap’ van Ch. Leickert;

b) ‘Een landschap met water’ van J.E. Ligtelijn?

c) Wat was in de zomer van 2000 de waarde (WEV) van de volgende schilderijen:

a. ‘Kerkinterieur’ van Johannes Bosboom;

b. ‘St. Sebastiaans, Brugge’ van Johannes Bosboom;

c. ‘Stadsgezicht’ van Emile Bernard;

d. ‘Zomer’ van A.J. Offermans;

e. ‘Winter’ van A.J. Offermans;

d) Wat was in de zomer van 2000 de waarde (WEV) van de volgende schilderijen en/of kunstwerken:

a. een olieverfschilderij op paneel van J. Bodaan;

b. een olieverfschilderij van Tadeusz Roman;

c. een stilleven met citroen en mandarijn van een onbekende schilder;

d. een corpus van een onbekende schilder;

e. een spiegel met lijst van een onbekende kunstenaar;

f. een werk op papier van T.A. Steinlen?

e) Wat was in de periode van 1998-2001 de waarde (WEV) van:

a. het schilderij ‘Zittend jong vrouwelijk naakt op bed’ van H. Maas;

b. het bronzen beeld ‘Breeduit zittende werkvrouw met handen op de knieën’ van M.L. Fourment;

c. het bronzen beeld ‘Kussende man en vrouw’ van M.L. Fourment;

d. een klok, gesigneerd J. Möhren Paris, 1-gewichts/8-daags, begin 19e eeuw?

f) Wat was op 10 februari 2000 de waarde (WEV) van het antieke Franse biljart, gesigneerd door G. Blanchiet & Cie, E.Gueret Jr.?

g) Welke opmerkingen komen u voorts nog geraden voor?

De deskundige dient eventuele nadere informatie die hij nodig heeft en die geen deel uitmaakt van de processtukken, bij de advocaten op te vragen. De advocaat die informatie verschaft dient een afschrift daarvan toe te zenden aan de advocaat van de wederpartij. De deskundige wordt verzocht de verkregen informatie als bijlage bij het deskundigenbericht te voegen.

Indien de deskundige voor het onderzoek gebruik maakt van informatie van derden, dient hij daarvan melding te maken in het rapport.

12.7. Het hof acht termen aanwezig de kosten van de deskundige vooralsnog ten laste van [Y.] te brengen aangezien op [Y.] de bewijslast in dezen rust.

12.8. In afwachting van het deskundigenbericht wordt iedere verdere beoordeling aangehouden.

13. De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 11 november 2008 voor het nemen van een akte aan de zijde van [X.] met een inhoud als in onderdeel 12.5 van dit arrest aangegeven;

bepaalt dat een deskundigenonderzoek zal worden verricht naar de in onderdeel 12.7 van dit arrest geformuleerde vragen;

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:

de heer M. Haasnoot,

[adres],

[postcode] [plaatsnaam],

tel. [telefoonnummer];

bepaalt dat de datum en tijd waarop de deskundige ter plaatse onderzoek zal verrichten, door de deskundige zal worden vastgesteld in overleg met de raadslieden van partijen; partijen en hun eventuele adviseurs dienen in de gelegenheid te worden gesteld bij het onderzoek aanwezig te zijn;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof;

verzoekt de deskundige tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek zal aanvangen niet eerder dan na 11 november 2008 én nadat de griffier heeft bericht dat het voorschot is ontvangen;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat het voorschot is ontvangen en dat met het onderzoek kan worden aangevangen;

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van in totaal € 2.268,--, tenzij partij/partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt; in dat geval zal het hof op het bezwaar/de bezwaren beslissen en de hoogte van het voorschot bepalen;

bepaalt dat [Y.] genoemd voorschot van € 2.268,-- binnen 4 weken na heden zal overmaken naar rekeningnummer 19.23.25.787 ten name van Arrondissement 536 ’s-Hertogenbosch;

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal toezenden;

bepaalt dat partijen binnen één maand na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken, waaronder ook een afschrift van de door [X.] op 11 november 2008 te nemen akte, aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

benoemt mr. H. Vermeulen tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffie dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

verwijst de zaak naar de rol van 24 maart 2009 voor memorie na deskundigenonderzoek, aan de zijde van [Y.];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Zwitser-Schouten, Venner-Lijten en Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 oktober 2008.