Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BQ8899

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
HD 103.001.490 T2 oud C0500131/MA T2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2003:AI6100
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2004:AR4460
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BQ8780, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ8780
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortzetting van LJN BQ8895

Waardebepaling litigieuze kunstwerken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnr. C0500131/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht

zesde kamer, van 1 april 2008,

gewezen in de zaak van:

[X.]

wonende te [woonplaats],

appellante,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

1. [Y.],

wonende te [woonplaats], België,

2. [Z.],

wonende te [woonplaats], België,

geïntimeerden,

procureur: mr. J.E. Benner,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 19 september 2006 in het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht onder nummer 74805/HA ZA 02-445 gewezen vonnissen van 30 juli 2003, 17 december 2003 en 22 september 2004.

6. Het tussenarrest van 19 september 2006

Bij genoemd arrest is [X.] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs en is iedere verdere beslissing aangehouden.

7. Het verdere verloop van de procedure

7.1. [X.] heeft in het kader van voornoemde bewijsopdracht in enquête zichzelf, de door de rechtbank benoemde deskundige J.Th.M. Swagemakers, [D.] en [F.] als getuigen doen horen. [Y.] heeft in contra-enquête eveneens vier getuigen voorgebracht, te weten [B.], zichzelf (geïntimeerde sub 1), [G.] en [E.].

7.2. [X.] heeft onder overlegging van producties een memorie na gehouden getuigenverhoren, tevens verzoek ex artikel 22 Rv, genomen en [Y.] heeft, eveneens onder overlegging van producties, een memorie na enquête en contra-enquête genomen. [X.] heeft zich daarna bij akte nog uit gelaten over de door [Y.] overgelegde producties, waarop [Y.] nog een antwoordakte houdende uitlating heeft genomen.

7.3. Vervolgens hebben partijen wederom de stukken overgelegd voor arrest. In het dossier van [X.] ontbreekt haar akte van 6 november 2007; het hof heeft daarvan uit het dossier van [Y.] kennisgenomen.

8. De verdere beoordeling

8.1. In voornoemd tussenarrest is [X.] in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen het vermoeden dat de in het tussenarrest in r.o. 4.7 nader omschreven vijf tussen [A.] en [X.] gesloten overeenkomsten zijn verricht onder invloed van misbruik van omstandigheden. Het gaat, kort gezegd, om de volgende vijf overeenkomsten:

I een ruilovereenkomst d.d. 4 juli 1999, waarbij [A.] het Winterlandschap van Ch. Leickert heeft geruild met een schilderij van J.E. Ligtelijn;

II een ruilovereenkomst zomer 2000, waarbij over en weer een zestal kunstwerken zijn geruild;

III in de periode 1998-2000 gesloten koopovereenkomsten betreffende een schilderij van Maas, twee beelden van Fourment en een klok;

IV een ‘schenking’ door [A.] aan [X.] van een schilderij van Eyck;

V een (bruikleen)overeenkomst betreffende een biljart.

Thans dient te worden beoordeeld of [X.] in het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden van misbruik is geslaagd. Op grond van het navolgende komt het hof ten aanzien van voornoemde overeenkomsten I, II, III en V vooralsnog aan deze beoordeling niet toe.

overeenkomsten I, II, III en V

8.2. In voornoemd tussenarrest heeft het hof in r.o 4.8 allereerst overwogen dat de - uit de stukken blijkende - aftakelende fysieke en geestelijke gezondheid van [A.] in combinatie met de – eveneens uit de stukken blijkende - zeer vriendschappelijke band tussen [A.] en [X.], mogelijk een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW oplevert, die [X.], goed op de hoogte van de situatie waarin [A.] verkeerde, van het bevorderen van het totstandkomen van de litigieuze overeenkomsten had behoren te weerhouden. Het is derhalve de vraag of [X.] bij de totstandkoming van de overeenkomsten I t/m V misbruik van deze bijzondere omstandigheid heeft gemaakt.

Ten aanzien van de overeenkomsten I t/m III oordeelt het hof vervolgens in r.o. 4.10 dat op grond van het in opdracht van de rechtbank door J.Th.W. Swagemakers uitgebrachte deskundigenrapport vaststaat dat bij deze overeenkomsten sprake is geweest van een zeer aanzienlijke discrepantie tussen de over en weer verrichte prestaties. Gegeven dit aanzienlijke nadeel van [A.] gaat het hof uit van een vermoeden van misbruik van omstandigheden.

Wat betreft het door [A.] van [X.] gehuurde biljart komt het hof mede op grond van een door Swagemakers in opdracht van [Y.] uitgebracht taxatierapport d.d. 21 oktober 2004 tot de conclusie dat deze huurovereenkomst evident nadelig is voor [A.] en gaat het hof om die reden er vooralsnog vanuit dat ook deze overeenkomst is tot stand gekomen onder invloed van misbruik van omstandigheden.

8.3. Uit het voorgaande valt af te leiden dat ten aanzien van de overeenkomsten I, II, III en V het vermoeden dat door [X.] misbruik is gemaakt van de eerder genoemde bijzondere omstandigheid – de aftakelende fysieke en geestelijke gezondheid van [A.] in combinatie met de zeer vriendschappelijk band met [X.] – in belangrijke mate is gebaseerd op voornoemde rapporten van de deskundige Swagemakers. Juist vanwege het door de deskundige geconstateerde aanzienlijk waardeverschil c.q nadeel aan de kant van [A.] had [X.] zich immers van het aangaan van deze overeenkomsten moeten weerhouden.

8.4. In het licht daarvan is van belang dat Swagemakers als getuige heeft verklaard dat voordat hij als deskundige in de onderhavige zaak is opgetreden hij eerder op verzoek van [Y.] een verzekeringstaxatie heeft uitgebracht betreffende de collectie van wijlen [A.] en de collectie van [Y.] (zie het proces-verbaal van getuigenverhoor van 13 april 2007). Met [X.] is het hof van oordeel dat als de rechtbank had geweten van deze eerdere professionele betrokkenheid van Swagemakers de rechtbank naar alle waarschijnlijkheid een andere deskundige zou hebben benoemd. De rechtbank heeft immers in het vonnis van 17 december 2003 in r.o. 2.1 expliciet overwogen dat benoeming van de door [X.] voorgedragen deskundigen Bastings en Heiden niet de voorkeur verdient nu deze zelf, respectievelijk een collega bij hetzelfde bedrijf, reeds in het kader van het uitbrengen van een (partij)deskundigenrapport betrokken zijn geweest bij de taxatie van (een deel van) de ten processe bedoelde kunstwerken. Anders dan [X.] (zie MnE sub 25 en 30) is het hof op de navolgende gronden van oordeel dat zulks tot gevolg heeft dat een nieuw deskundigenrapport moet worden uitgebracht. Op grond van artikel 198 lid 1 Rv. is een deskundige die zijn benoeming heeft aanvaard, verplicht de opdracht onpartijdig en naar beste weten te volbrengen. Naleving van deze eisen is van grote betekenis. Veelal hangt namelijk van de uitkomst van het deskundigenrapport af welke partij – geheel dan wel gedeeltelijk - gelijk krijgt. Het is dan ook uitermate van belang dat een deskundigenrapport waarop het rechterlijk oordeel wordt gebaseerd aan de eisen van onpartijdigheid voldoet. Iedere schijn van partijdigheid moet om die reden worden vermeden.

8.5. Naar het oordeel van het hof is in de gegeven omstandigheden de schijn van partijdigheid objectief gerechtvaardigd. De omstandigheid dat Swagemakers eerder in opdracht van [Y.] een verzekeringstaxatie van aan [Y.] en [A.] toebehorende schilderijen en andere kunstvoorwerpen had uitgebracht, had Swagemakers ervan moeten weerhouden de onderhavige opdracht van de rechtbank te aanvaarden. In ieder geval had Swagemakers zijn eerdere professionele betrokkenheid ten aanzien van [Y.] bij de rechtbank dienen te melden. Het is juist om die reden dat een deskundige voorafgaande aan de aanvaarding van de opdracht expliciet wordt gevraagd of hij vrij staat jegens partijen, zoals in casu ook aan Swagemakers is gevraagd (zie de brief van 26 november 2003, overgelegd als prod. 2 bij memorie na enquête en contra enquête).

8.6. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft het deskundigenrapport van Swagemakers ten aanzien van de overeenkomsten I, II en III een belangrijke rol gespeeld bij het oordeel dat sprake is van een vermoeden van misbruik van omstandigheden. Anders dan [Y.] heeft betoogd, is het hof niet gebonden aan de in zijn arrest van 19 september 2006 neergelegde en op het rapport van Swagemakers gebaseerde beslissing dat sprake is van een zeer aanzienlijke discrepantie tussen de over en weer verrichte prestaties. Deze beslissing is immers genomen ervan uitgaande dat het deskundigenrapport door een onpartijdige deskundige is uitgebracht. Nu thans vaststaat dat daarvan geen sprake is, is het hof aan dit oordeel niet gebonden (zie HR 23 november 2007, RvdW 2007, 996 (Ploum/Smeets)).

Aangezien ook het aannemen van het vermoeden van misbruik bij de overeenkomst aangaande het biljart mede is gebaseerd op een rapport van Swagemakers, is het hof ook ten aanzien van deze overeenkomst van mening dat een nieuw deskundigenonderzoek is aangewezen.

8.7. Rekening houdend met hetgeen in r.o. 4.10 is overwogen ten aanzien van het waardebegrip – dus: WEV - waarvan bij de waardebepaling van de litigieuze kunstwerken waarop de overeenkomsten I, II en III en V betrekking hebben is uitgegaan, is het hof voornemens de deskundige de volgende vragen voor te leggen:

1) Wat was op 4 juli 1999 de waarde (WEV) van de volgende schilderijen:

a) ‘Winterlandschap’ van Ch. Leickert;

b) ‘Een landschap met water’ van J.E. Ligtelijn?

2) Wat was in de zomer van 2000 de waarde (WEV) van de volgende schilderijen:

a) ‘Kerkinterieur’ van Johannes Bosboom;

b) ‘St. Sebastiaans, Brugge’ van Johannes Bosboom;

c) ‘Stadsgezicht’ van Emile Bernard;

d) ‘Zomer’ van A.J. Offermans;

e) ‘Winter’ van A.J. Offermans;

3) Wat was in de zomer van 2000 de waarde (WEV) van de volgende schilderijen en/of kunstwerken:

a) een olieverfschilderij op paneel van J. Bodaan;

b) een olieverfschilderij van Tadeusz Roman;

c) een stilleven met citroen en mandarijn van een onbekende schilder;

d) een corpus van een onbekende schilder;

e) een spiegel met lijst van een onbekende kunstenaar;

f) een werk op papier van T.A. Steinlen?

4) Wat was in de periode van 1998-2001 de waarde (WEV) van:

a) het schilderij ‘Zittend jong vrouwelijk naakt op bed’ van H. Maas;

b) het bronzen beeld ‘Breeduit zittende werkvrouw met handen op de knieën’ van M.L. Fourment;

c) het bronzen beeld ‘Kussende man en vrouw’ van M.L. Fourment;

d) een klok, gesigneerd J. Möhren Paris, 1-gewichts/8-daags, begin 19e eeuw?

5) Wat was op 10 februari 2000 de waarde (WEV) van het antieke Franse biljart, gesigneerd door G. Blanchiet & Cie, E.Gueret Jr.?

6) Welke opmerkingen komen u voorts nog geraden voor?

8.8. Het hof merkt voorts op dat het van belang is dat de litigieuze kunstwerken zoveel mogelijk door de deskundige(n) op zicht worden getaxeerd; voor zover dat redelijkerwijs niet mogelijk is, dient de deskundige in zijn rapport aan te geven hoe de waarde is bepaald, zo mogelijk onder bijvoeging van de relevante bescheiden.

8.9. De zaak wordt naar de rol worden verwezen opdat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over aantal, deskundigheid en – bij voorkeur eensluidend – over de persoon van de te benoemen deskundige(n). Het spreekt voor zich dat in casu de onpartijdigheid van de te benoemen deskundige(n) extra aandacht verdient. De raadslieden wordt dringend verzocht alvorens in voornoemde akte namen te noemen aan dit punt bijzondere aandacht te besteden door de deskundige(n) daar expliciet op te wijzen.

Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige te stellen vragen. Aangezien op [Y.] de bewijslast rust, is het hof voornemens de kosten van de deskundige(n) voorshands ten laste van [Y.] te brengen.

overeenkomst IV: schenking schilderij van Van Eyck

8.10. Het oordeel van het hof dat bij de overeenkomst van schenking van het schilderij van Ch. Eyck (in het arrest van 19 september 2006 abusievelijk aangeduid als ‘Van Eyck’) sprake is van een vermoeden van misbruik van omstandigheden heeft het hof niet gebaseerd op het deskundigenrapport van Swagemakers (zie r.o. 4.11), maar op het feit het een overeenkomst om niet betreft. Om die reden acht het hof het alleszins aannemelijk dat ook hier de aftakelende fysieke en geestelijke gezondheid van [A.] in combinatie met de vriendschappelijke relatie met [X.] een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 3 44 lid 4 BW oplevert. Het hof is om die reden in lijn met artikel 7 176 BW uitgegaan van het feitelijk vermoeden dat deze schenking is tot stand gekomen onder invloed van misbruik van omstandigheden. Dit betekent dat het hof thans reeds kan beoordelen of [X.] in het tegenbewijs tegen dit vermoeden is geslaagd. Om pragmatische reden zal het hof de bewijswaardering op dit punt aanhouden totdat (mogelijk) de bewijswaardering aangaande overeenkomsten I t/m III en V aan de orde komt.

verzoek ex artikel 22 Rv

8.11. Het eerder door Swagemakers uitgebrachte taxatierapport is inmiddels door [Y.] bij memorie na enquête en contra enquête overgelegd. Om die reden behoeft het op artikel 22 Rv. gebaseerde verzoek van [X.] tot overlegging van dit rapport geen bespreking meer.

Geheel ten overvloede merkt het hof op dat het geen acht heeft geslagen op dit taxatierapport omdat de onderhavige procedure geen betrekking heeft op de daarin getaxeerde kunstwerken.

8.12. In afwachting van voornoemde aktewisseling worden iedere verdere beoordeling en beslissing aangehouden.

9. De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 29 april 2008 voor het nemen van een akte aan de zijde van [X.] met een inhoud als aangegeven in r.o. 8.9;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Zwitser-Schouten, Venner-Lijten en H. Vermeulen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 1 april 2008.