Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BQ3581

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
06-05-2011
Zaaknummer
HV 200.008.351 & HV 200.008.483 T
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Faillissement

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DvdH

6 augustus 2008

Sector civiel recht

Zevende Kamer

Zaaknummers: HV 200.008.351/01 en HV 200.008.483/01 T

Zaaknummers eerste aanleg: 172733/FT-RK 08.308 en 171495/FT-RK 08.199, Faill. nummer 08/254/F

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep met zaaksnummer HV 200.008.351/01 van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [X.],

advocaat: mr. J. van Boekel te Tilburg,

procureur: mr J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann.

Arrest

in de zaak in hoger beroep met zaaknummer HV 200.008.483/01 van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [X.],

advocaat: mr. J. van Boekel te Tilburg,

procureur: mr J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

t e g e n

De Ontvanger van de Belastingdienst/Oost-Brabant,

mede gevestigd en kantoorhoudende te Eindhoven,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Ontvanger,

advocaat: mr. E. Vianen te Amsterdam,

procureur: mr. J.E. Lenglet.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar respectievelijk de beschikking en het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 mei 2008 en 17 juni 2008, waarvan de inhoud bij [X.] bekend is.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 19 mei 2008 (en door het hof genummerd als HV 200.008.351/01), heeft [X.] verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de schuldsaneringsregeling alsnog op hem van toepassing wordt verklaard.

2.2. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 24 juni 2008 (en door het hof genummerd als HV 200.008.483/01), heeft [X.] verzocht het vonnis van faillietverklaring te vernietigen.

2.3. Gelet op de onderlinge verknochtheid van de onder nummers HV 200.008.351/01 en HV 200.008.483/01 ter griffie ingeschreven zaken, heeft het hof de voeging daarvan gelast, zodat deze gezamenlijk worden behandeld en beslist.

2.4. De mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsgevonden op 9 juli 2008. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [X.], bijgestaan door zijn advocaat mr. J. van Boekel;

- mr. J.P.M. Dexters, hierna te noemen: de curator;

- de Ontvanger van de Belastingdienst, hierna te noemen: de Ontvanger, vertegenwoordigd door mevrouw mr. E. Vianen.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij de beroepschriften;

- de brief met bijlagen d.d. 3 juli 2008 van de advocaat van [X.];

- de brief d.d. 4 juli 2008 en het faxbericht d.d. 8 juli 2008, beiden voorzien van bijlagen van de curator;

- het faxbericht van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 10 juli 2008 met als bijlagen twee brieven d. dis 19 maart 2008 en 9 april 2008;

- het faxbericht met bijlage d.d. 25 juli 2008 van de advocaat van [X.].

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van de beroepschriften.

4. De beoordeling

4.1. HV 200.008.351/01 (niet-ontvankelijkverklaring)

[X.] heeft op 18 maart 2008 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank ‘s-Hertogenbosch tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Bij de beoordeling van dit verzoekschrift bleek het verzoekschrift niet alle gegevens als bedoeld in artikel 285 lid 1 Faillissementswet (hierna: Fw) te bevatten. Bij brief d.d. 9 april 2008 heeft de rechtbank [X.] een termijn van één maand gegund om alsnog de ontbrekende stukken aan de rechtbank te verstrekken. [X.] heeft nagelaten om binnen de termijn de ontbrekende stukken aan te vullen en derhalve voldoet het verzoekschrift niet aan de daaraan gestelde eisen. De rechtbank heeft bij beschikking van 13 mei 2008 [X.] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek op grond van artikel 287 lid 2 Fw.

4.2. HV 200.008.483/01 (faillissementsvonnis)

De Ontvanger heeft op 20 februari 2008 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch teneinde [X.] in staat van faillissement te verklaren. In haar vonnis van 17 juni 2008 heeft de rechtbank [X.] failliet verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit de erkentenis en opgaven van [X.] summierlijk is gebleken van een vorderingsrecht van schuldeisers, alsmede dat feiten en omstandigheden aanwezig zijn die aantonen dat [X.] verkeert in de toestand van te hebben opgehouden met betalen.

4.3. [X.] kan zich met de beschikking waarin hij niet-ontvankelijk is verklaard inzake zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en het vonnis van faillietverklaring niet verenigen en is hiervoor tijdig in hoger beroep gekomen.

4.4. Het hof overweegt als volgt.

4.5. HV 200.008.351/01 (beschikking niet-ontvankelijkverklaring)

4.5.1. In zijn beroepschrift voert [X.] aan dat de rechtbank hem ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek en stelt daartoe dat zijn advocaat (binnen de gestelde termijn van een maand na 9 april 2008) op 30 april 2008 per fax en per gewone post alle gevraagde stukken heeft toegezonden aan de rechtbank. Enkel de 284/285 Fw-verklaring ontbrak op dat moment. [X.] stelt dat artikel 287 lid 2 Fw niet dermate strikt hoeft te worden toegepast en verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 april 2002 (LJN AF 0337) waarin het volgende is overwogen:

“Het verzoekschrift voldoet op zich niet aan de daaraan in het bijzonder in artikel 285 Fw gestelde eisen. Nu echter in het faillissementdossier nadere gegevens kunnen worden gevonden als bedoeld in artikel 285 lid sub a tot en met d Fw, zodat in ieder geval sprake is van bij het verzoekschrift horende gegevens als bedoeld in artikel 287 lid 2 Fw en voorts aannemelijk is dat (……) een reële mogelijkheid om tot een buitengerechtelijke schuldsanering te komen ontbreekt, zal de rechtbank het verzoekschrift aanstonds behandelen”.

[X.] is van mening dat de meest gevraagde gegevens al in het dossier waren opgenomen en dat het niet mogelijk was om tot een buitengerechtelijke regeling van zijn schulden te komen omdat hiertoe geen reële mogelijkheid bestond.

4.5.2. Ter zitting heeft [X.] onder meer aangevoerd dat de griffie van de rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft verzuimd om de gemeente een brief te sturen met het verzoek de artikel 284/285 Fw-verklaring op te stellen, terwijl de rechtbank daartoe conform artikel 285 lid 2 Fw jo artikel 287 lid 2 Fw wel verplicht is. Het hof heeft na de mondelinge behandeling in hoger beroep contact opgenomen met de griffie van de rechtbank ’s-Hertogenbosch om dit te verifiëren. Daarop heeft de rechtbank een afschrift van twee brieven (d. dis 19 maart 2008 en 9 april 2008) uit haar correspondentie naar [X.] het hof doen toekomen middels een faxbericht op 10 juli 2008. Volgens informatie van de rechtbank zou eveneens een afschrift van de brief van 19 maart 2008 naar de gemeente Eindhoven zijn gestuurd.

4.5.3. Het hof heeft daartoe besloten de uitspraak aan te houden tot woensdag 6 augustus 2008 en heeft mr. Van Boekel per brief van 14 juli 2008 in de gelegenheid gesteld op het vorenstaande te reageren.

4.5.4. Mr. van Boekel heeft het hof op 25 juli 2008 een faxbericht gestuurd met als bijlage een brief van de gemeente Eindhoven (afdeling Schulddienstverlening) d.d. 25 juli 2008 waarin de gemeente Eindhoven kenbaar maakt geen brieven van de rechtbank (zowel niet van 19 maart 2008 als van 9 april 2008) te hebben ontvangen.

4.5.5. Het hof moet aannemen dat een afschrift van de brief van 19 maart 2008 aan de gemeente Eindhoven is verstuurd door de rechtbank, maar dat dit afschrift de gemeente niet heeft bereikt. Dit hoeft echter niet in weg te staan aan het uitspreken van een niet-ontvankelijkheid. Het hof dient te beoordelen wat de achtergrond is van artikel 287 lid 2 Fw (“De griffier brengt het orgaan of de persoon, bedoeld in artikel 285, tweede lid, hiervan onverwijld op de hoogte”) en overweegt daartoe als volgt.

4.5.6. In de Memorie van Toelichting van de Wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Tweede Kamerstuk 2004-2004, 29942 nummer 3) is de volgende passage opgenomen over artikel 287 lid 2 Fw:

“Volgens de voorgestelde wijziging van het tweede lid zal de rechtbank, als zij constateert dat het verzoekschrift niet de in artikel 285, eerste lid, vereiste informatie bevat, de schuldenaar gedurende een maand in de gelegenheid stellen de ontbrekende gegevens alsnog te verstrekken. Teneinde de gemeentelijke instelling die de verklaring van artikel 285, eerste lid, onder f, verstrekt, erbij betrokken te houden, geeft de griffier haar onverwijld bericht van deze termijn. Mocht de reden van de vertraging bij deze instelling liggen, (onderstreping Hof) dan wordt zij op deze wijze op haar plicht tot medewerking gewezen. De termijn is iets langer dan de 21 dagen in het huidige artikel 287, tweede lid. Slaagt men er ook in die maand niet in een volledig dossier aan de rechtbank te overleggen, dan wordt de schuldenaar niet ontvankelijk verklaard. Overigens hoeft deze niet-ontvankelijkheid niet in de weg te staan aan een nieuwe poging met een nieuwe aanvraag voor toelating tot de schuldsanering, zodra de stukken wel compleet zijn”.

4.5.7. [X.] heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat artikel 287 lid 2 Fw niet dermate strikt hoeft te worden toegepast. [X.] gaat niet in op de (eventuele) omstandigheid dat het ontbreken van de 284/285 Fw-verklaring te wijten is aan de instelling, te weten de gemeente, zodat moet worden aangenomen dat het niet-afgeven van de verklaring niet te wijten is aan de gemeente, maar aan [X.].

4.5.8. Daaromtrent merkt het hof op dat [X.] bij eerder genoemde brief van 9 april 2008 uitdrukkelijk door de rechtbank is gewezen op noodzaak van de 284/285 Fw-verklaring. Het hof citeert de volgende passages uit voormelde brief: “Om een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling te doen dient u een verklaring artikel 284/285 faillissementswet te overleggen. U dient zich hiervoor te wenden tot de schuldhulpverlening van uw gemeente” en “U wordt verzocht ervoor te zorgen dat de ontbrekende stukken binnen één maand na dagtekening van deze brief bij de rechtbank aanwezig zijn. Als deze stukken niet binnen één maand na dagtekening van deze brief bij de rechtbank aanwezig zijn, zult u niet-ontvankelijk worden verklaard”.

4.5.9. Inmiddels beschikt het hof nog steeds niet over een 284/285 Fw-verklaring. Daarbij merkt het hof op dat na de brief van de rechtbank van 9 april 2008 drie maanden zijn verstreken tot de mondelinge behandeling in hoger beroep van 9 juli 2008 en dat [X.] in deze periode heeft nagelaten het hof alsnog een 284/285 Fw-verklaring te doen toekomen. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht [X.] niet-ontvankelijkheid heeft verklaard in zijn verzoek en het hof ziet geen aanleiding voor een andere beslissing in hoger beroep, zoals in de genoemde uitspraak van de rechtbank nog wel werd gedaan. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

4.6. HV 200.008.483/01 (faillissementsvonnis)

In zijn beroepschrift stelt [X.] dat in afwachting van zijn ingestelde hoger beroep tegen voormelde niet-ontvankelijkheidverklaring van 13 mei 2008, de uitspraak betreffende de faillissementsaanvraag aangehouden had moeten worden. Aan [X.] wordt toegegeven dat de rechtbank ten onrechte het faillissement heeft uitgesproken op 17 juni 2008. [X.] heeft op 19 mei 2008 hoger beroep ingesteld tegen de niet-ontvankelijkheidverklaring zodat op dat moment de bestreden beschikking (nog) niet onherroepelijk was. Het hof is van oordeel dat de rechtbank de behandeling van het verzoek tot faillietverklaring had moeten aanhouden totdat de uitspraak van het hof op het verzoek van [X.] om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling in kracht van gewijsde was gegaan (artikel 3a lid 2 Fw). Derhalve zal het hof de faillissementsaanvraag van de Ontvanger aanhouden en het beroep beoordelen wanneer de (in 4.5.9 genoemde) bekrachtiging van de beschikking in kracht van gewijsde gaat. Het hof verzoekt mr. Van Boekel het hof te berichten of er binnen 9 dagen na het uitspreken van dit arrest cassatie is ingesteld. Wanneer er geen cassatie wordt ingesteld en daarmee de bekrachtiging van de bestreden beschikking onherroepelijk is geworden, zal het hof een nieuwe datum bepalen voor uitspraak.

5. De uitspraak in de zaak HV 200.008.351/01

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 mei 2008.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Schaafsma-Beversluis en Pouw en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 6 augustus 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

5. De uitspraak in de zaak HV 200.008.483/01

Het hof:

houdt de beslissing aan voor onbepaalde tijd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Den Hartog Jager, Schaafsma-Beversluis en Pouw en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 6 augustus 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.