Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BH7752

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-10-2008
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
HD 103.002.389
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet terugkomen op bindende eindbeslissing; rechtsbijstandverzekering niet relevant voor proceskostenveroordeling (welke slechts ziet op het procesverloop).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. JK

zaaknr. HD 103.002.389

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

tweede kamer, van 14 oktober 2008,

gewezen in de zaak van:

APPELLANTE,

wonende te (woonplaats),

appellante,

advocaat: mr. J.E. Benner,

tegen:

de besloten vennootschap NEDERLANDSE BOUWUNIE B.V.,

gevestigd te (vestigingsplaats),

geïntimeerde,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

als vervolg op de tussenarresten van dit hof van 12 juni 2007 en 1 april 2008.

10. Het arrest van 1 april 2008

In dit arrest heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van appellante en iedere verdere beslissing aangehouden.

11. Het vervolg van de procedure

Appellante heeft een akte houdende wijziging van eis en inbreng producties genomen.

De rolraadsheer heeft het door NBU hiertegen ingebrachte bezwaar ongegrond verklaard.

NBU heeft een antwoordakte genomen. Zij heeft daarbij de bij memorie van antwoord aangekondigde, doch aldaar ontbrekende foto’s gedeponeerd, van welk depot door de griffier een akte is opgemaakt. Deze akte bevindt zich niet in het dossier van appellante.

Partijen hebben vervolgens wederom de stukken overgelegd en uitspraak gevraagd. In het dossier van appellante ontbreekt de pleitnota in eerste aanleg van appellante.

12. De verdere beoordeling

12.1.1. Het hof heeft in zijn tussenarrest van 1 april 2008 – kort gezegd - geoordeeld dat appellante is geslaagd in het haar opgedragen bewijs dat zij geen afstand heeft gedaan van haar aanspraak op financieringsschade (r.o. 8.1.4.). Voorts heeft het hof geoordeeld dat de discussie over de mogelijkheid van herbouw in verband met de beoordeling van de gevorderde financieringsschade niet (meer) ter zake doet (r.o. 8.2.3.), dat het verweer van NBU inhoudende dat bij appellante een vermogensvermeerdering is opgetreden wordt afgewezen (r.o. 8.3.2), dat NBU haar verweer betrekking hebbend op de veronderstelde waardevermeerdering van het pand onvoldoende heeft onderbouwd (r.o. 8.3.3.), dat NBU (in ieder geval een deel van) de extra woonlasten van appellante dient te dragen (r.o. 8.4.3.), en dat hierbij niet moet worden aangesloten bij rekenmethodes, gehanteerd bij onteigeningen, omdat hier sprake is van schadevergoeding als gevolg van een onrechtmatige daad (r.o. 8.4.4.).

12.1.2. Hiermee heeft het hof zijn oordeel gegeven over de grieven I tot en met V, welke – zoals reeds in r.o. 4.3.3. vermeld – gezamenlijk zijn behandeld. In dit oordeel ligt besloten dat deze grieven, gezamenlijk beschouwd, reeds deels slagen, namelijk in zoverre dat aan appellante “in ieder geval (een deel van)” haar extra woonlasten dient te worden vergoed door NBU. Met deze eindbeslissing is het debat hierover gesloten, nu heeft te gelden dat van een eindbeslissing in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen, behoudens indien bijzondere omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat de het hof aan deze eindbeslissing gebonden zou zijn. Hetgeen NBU in haar antwoordakte tegen deze eindbeslissing aanvoert, betreft niet zodanig bijzondere omstandigheden dat het debat alsnog zou moeten worden heropend teneinde deze eindbeslissing te heroverwegen.

12.1.3. Voor zover NBU met hetgeen zij in haar antwoordakte aanvoert, subsidiair betoogt dat aan appellante niet haar gehele, doch slechts een gedeelte van haar financieringsschade dient te worden vergoed, heeft te gelden dat het hof zijn oordeel naar aanleiding van een deel van deze (herhaald aangevoerde) stellingen reeds heeft gegeven in zijn tussenarrest. Hetgeen het hof aldaar heeft overwogen, heeft eveneens hier te gelden.

NBU betoogt voorts nog dat de nieuwe hypotheek van appellante, anders dan haar oude die een variabele rente en een maandelijkse aflossing kende, daarentegen aflossingsvrij is en een vaste rente kent van 5,6 % gedurende 10 jaar. Hieruit volgt dat de situatie niet vergelijkbaar is, aldus NBU. NBU verbindt aan deze stelling geen enkele gevolgtrekking, zodat het hof hierin geen omstandigheid ziet, die mee zou kunnen brengen dat aan appellante slechts een gedeelte van haar financieringsschade zou moeten worden toegekend. Ter zijde merkt het hof op dat het NBU zelf was, die in de overeenkomst van 18 december 2000 aan appellante een financieringsaanbod heeft gedaan, waarvan een 30-jarige hypothecaire lening (toen nog met een rentepercentage van 5,7%) deel uitmaakte.

12.2.1. Het hof heeft appellante in de gelegenheid gesteld berekeningen van het door haar gevorderde bedrag in het geding te brengen. Appellante heeft hierin aanleiding gezien haar eis te wijzigen. Zij heeft haar eis verminderd tot primair vergoeding van € 66.719,--; subsidiair € 54.906,--, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat appellante met de toename van haar maande-lijkse woonlasten is geconfronteerd, althans vanaf de dag van het verzuim, althans vanaf de dag der dagvaarding.

12.2.2. Bij het gevorderde bedrag van € 66.179,-- wordt rekening gehouden met de gehele looptijd van de hypotheek

(30 jaar); bij het subsidiaire bedrag wordt slechts rekening gehouden met een looptijd van 21 jaar. Het verschil is gelegen in de vraag of rekening moet worden gehouden met de tabel de “gemiddelde gezonde levensverwachting” of de “verkorte overlevingstafel”. De gemiddelde gezonde levensverwachting was voor appellante bij het afsluiten van de hypotheek 21 jaar; haar gemiddeld te verwachten levensduur was toen 30 jaar.

12.2.3. NBU voert aan dat “de vraag reëel is of appellante na het bereiken van de 74-jarige leeftijd nog steeds in de betreffende woning woonachtig zal/kan zijn”, ter onderbouwing van haar standpunt dat slechts rekening moet worden gehouden met een schadeperiode van 21 jaar. Het hof passeert dit standpunt, nu niet is aangegeven waarom het feit dat appellante, die volgens de tabel bij het bereiken van de 74-jarige leeftijd geen gezonde levensverwachting meer heeft, dan (volgens de tabel ongezond) niet meer in haar eigen huis zou kunnen blijven wonen. Het hof wijst er nogmaals op dat ook NBU bij haar financieringsaanbod

- gedaan in het kader van de onderhandelingen om te komen tot vergoeding van de door appellante geleden schade – een hypotheek met een looptijd van 30 jaar heeft aangeboden. Het hof acht het dan ook alleszins begrijpelijk en acceptabel dat appellante een hypothecaire lening met een – overigens normale – looptijd van 30 jaar heeft afgesloten. Het hof zal derhalve bij het bepalen van de duur van de schadevergoe-ding uitgaan van de periode van de looptijd van de hypotheek, zijnde

30 jaar.

12.2.4. Anders dan NBU stelt, is het bovendien redelijk dat aan appellante haar financieringsschade (in het verleden geleden en in de toekomst nog te lijden) in één keer (gekapitaliseerd) wordt uitgekeerd, nu het niet van appellante verlangd kan worden om gedurende 30 jaar maandelijks een rekening voor de door haar betaalde hypotheekrente aan NBU te sturen, en de uitkering ineens van de totale schade per heden ook probleemloos te berekenen is, hetgeen door appellante is gedaan. Nu NBU voor het overige de door appellante overgelegde cijfers niet heeft betwist, zal het hof hiervan uitgaan. Het hof ziet gezien het vorenstaande geen aanleiding aan appellante slechts een deel van de door haar gevorderde financieringsschade toe te kennen, en zal derhalve de primaire – gewijzigde – vordering van appellante tot het bedrag van € 66.179,-- toewijzen. Het hof zal hierbij als ingangsdatum voor de wettelijke rente aanhouden 2 april 2002, de datum waarop appellante haar hypotheek heeft overgesloten.

12.3.1. Grief VI ziet op de door de rechtbank toegepaste compensatie van de proceskosten in eerste aanleg. Nu appellante alsnog voor het overgrote deel in het gelijk zal worden gesteld, zal het hof NBU veroordelen in de proceskosten, waaronder die van de eerste aanleg. Het verweer van NBU hiertegen, dat erop neerkomt dat de proceskosten van appellante zijn verzekerd en betaald door de Stichting Rechtsbijstand Tilburg, wordt door het hof verworpen, nu een eventuele rechtsbijstandverzekering van een van de procespartijen niets uitstaande heeft met de veroordeling in (of de compensatie van) de proceskosten, welke slechts ziet op het procesverloop. Appellante heeft overigens aangevoerd dat ingevolge art. 8 van de Bijzondere Voorwaarden Rechtsbijstandverzekering (prod. 2 bij akte van 29 april 2008) zij de door haar gemaakte proceskosten zoveel mogelijk op de wederpartij dient te verhalen, hetgeen NBU niet heeft bestreden. De grief slaagt derhalve.

12.3.2. Appellante heeft – in haar specificatie van de gevorderde kostenveroordeling welke zij in eerste aanleg had gemaakt - tevens gevorderd NBU te veroordelen in de nakosten. Deze vordering is niet toewijsbaar. Art. 237 lid 4 Rv kent een exclusieve regeling voor de begroting van de na de uitspraak ontstane kosten.

12.3.3. Het vonnis van de rechtbank zal – voor zover het aan het hof is voorgelegd - worden vernietigd, en de vorderingen van appellante zullen worden toegewezen als in het dictum te melden. De door appellante in genoemde specificatie vermelde wettelijke rente is niet toewijsbaar nu dit in appel niet is gevorderd. Het hof ziet in de honorering van de stelling van NBU, dat niet dient te worden aangesloten bij de berekeningswijze als gebruikelijk in onteigeningen, aanleiding om voor de salarisbepalingen uit te gaan van tarief IV.

13. De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Breda, op 25 mei 2005 tussen partijen gewezen, voor zover de rechtbank daarin de vordering van appellante tot vergoeding van financieringsschade heeft afgewezen, en voor zover de rechtbank daarin de proceskosten heeft gecompenseerd;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt NBU tot betaling aan appellante van het bedrag van € 66.179,--, met de wettelijke rente hierover vanaf

2 april 2002;

veroordeelt NBU in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, aan de zijde van appellante tot op heden begroot in eerste aanleg op € 2.505,-- aan verschotten en € 3.576,-- aan salaris procureur en in hoger beroep op € 3.483,30 aan verschotten en € 4.893,-- aan salaris advocaat;

bekrachtigt dit vonnis voor het overige;

wijst het meer of anders gevorderde af;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Hendriks-Jansen, Fikkers en Riemens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 oktober 2008.