Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BH4383

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2008
Datum publicatie
02-03-2009
Zaaknummer
07/00453
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, een podotherapeut, huurt een praktijkruimte in een flatgebouw. Belanghebbendes stelling dat de praktijkruimte niet een zelfstandig object in de zin van de WOZ is, wordt door het hof verworpen, nu sprake is van een afsluitbare praktijkruimte welke exclusief ten dienste staat van belanghebbende. De ruimte is blijkens zijn indeling bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt en is derhalve terecht als één onroerende zaak aangemerkt. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt afgewezen omdat in de door belanghebbende genoemde gevallen geen sprake is van een exclusief gebruiksrecht en deze derhalve niet als gelijke gevallen kunnen worden bestempeld. Ook de stelling van belanghebbende dat het vertrouwensbeginsel is geschonden treft geen doel. De enkele omstandigheid dat belanghebbende gedurende een groot aantal jaren niet in de heffing van de OZB is betrokken en geen WOZ-beschikkingen heeft ontvangen betekent niet dat de verweerde dit ook nu achterwege moet laten. Toch wordt het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaard omdat de rechtbank de proceskostenvergoeding ter zake van de verletkosten van belanghebbende te laag heeft vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0533
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 07/00453

Uitspraak op het hoger beroep van

de vennootschap onder firma X

gevestigd te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 3 augustus 2007, nummer 06/5038 in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Z

hierna: Verweerder

betreffende na te noemen beschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ) een beschikking gezonden waarbij de waarde van de onroerende zaak A-straat 301 te Z (hierna: de onroerende zaak) per de peildatum 1 januari 1999 is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 op € 37.500.

Tegen deze beschikking is door belanghebbende bezwaar aangetekend. Bij uitspraak van Verweerder is de waarde verminderd tot € 26.999.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Bij mondelinge uitspraak heeft het Hof het beroep gegrond verklaard en het geding teruggewezen naar Verweerder.

Verweerder heeft opnieuw uitspraak op bezwaar gedaan onder vaststelling van de waarde op € 31.000.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de bestreden uitspraak vernietigd, de vastgestelde waarde van € 26.999 gehandhaafd, de Verweerder veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 100 onder aanwijzing van de gemeente Z als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden, en gelast dat de gemeente Z het voor dit beroep betaalde griffierecht van € 281 aan belanghebbende vergoedt.

1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 428.

De Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6. De zitting heeft plaatsgehad op 10 oktober 2008 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer G als gemachtigde van belanghebbende alsmede, namens de Verweerder, de heer H.

1.7. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1. Belanghebbende is uit hoofde van een huurovereenkomst gebruiker van de onroerende zaak, zijnde een als praktijkruimte ingericht vertrek aangeduid met huisnummer 301 in het flatgebouw aan de A-straat te Z (welke flatgebouw hierna wordt aangeduid als de H)

2.2. De eigendom van de onroerende zaak berust bij de B.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

3.1.1. Heeft Verweerder de beschikking terecht op naam gesteld van belanghebbende in plaats van op naam van de eigenaar van de onroerende zaak en is de onroerende zaak een zelfstandig object in de zin van de WOZ?

3.1.2. Heeft Verweerder terecht heffingsrente vastgesteld ten laste van belanghebbende?

3.1.3. Heeft Verweerder door het horen in de bezwaarfase telkens door dezelfde ambtenaar te laten uitvoeren, zonder notulist, en op een zodanige wijze dat van een serieuze gedachtewisseling geen sprake was, gehandeld in strijd met op hem rustende verplichtingen?

3.1.4. Heeft Verweerder de procespositie van belanghebbende geschaad door herhaaldelijk stukken foutief geadresseerd ter post te bezorgen?

3.1.5. Heeft Verweerder gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door aan belanghebbende wel een waardebeschikking toe te zenden terwijl aan een collega die in ziekenhuis C een praktijkruimte op gelijke wijze exploiteert niet een dergelijke beschikking is toegezonden?

3.1.6. Heeft Verweerder gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door aan belanghebbende wel een waardebeschikking toe te zenden, terwijl aan de in de H gevestigde kapper, pedicure en welzijnsinstellingen die daar ruimtes huren welke vergelijkbaar zijn met de door belanghebbende gehuurde ruimte niet een dergelijke beschikking is toegezonden?

3.1.7.Heeft Verweerder gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel door aan belanghebbende de bestreden beschikking toe te zenden terwijl sedert 1979 geen aangiftebiljet noch een aanslag aan belanghebbende is toegezonden?

3.1.8 Heeft de Verweerder de termijn voor afdoening van het bezwaar overschreden?

3.1.9 Heeft de Rechtbank terecht de proceskosten in goede justitie bepaald op € 100 nu belanghebbende gemotiveerd aanspraak heeft gemaakt op een vergoeding ter grootte van € 500?

Belanghebbende is van mening dat de vragen 3.1.1, 3.1.2 en 3.1.9ontkennend, en de overige vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Verweerder is telkens de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de gedingstukken in hoger beroep, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Hoewel ik het niet eens ben met de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, gaat het in deze zaak uitsluitend om de vraag of ik belastingplichtig ben. Ik wil de waarde in dit geding niet aan de orde stellen. De vraag of de onroerende zaak een zelfstandig object is voor de WOZ is een afzonderlijke grief.

Bij mijn collega in ziekenhuis C wordt geen OZB in de huur doorberekend. Ik voel mij ongelijk behandeld ten opzichte van anderen.

Ik blijf bij mijn stelling dat het hoorgesprek niet op correcte wijze is gevoerd. Ik ben van mening dat het gevoerde hoorgesprek moet worden overgedaan door een andere ambtenaar van de gemeente.

Ik huur de praktijkruimte al bijna 30 jaren van de eigenaar. Als ik daar niet werkzaam ben, gaat de ruimte op slot en is zij voor anderen niet beschikbaar. De kapper huurt ook ruimte in de H maar die ruimte wordt mede door anderen gehuurd en gebruikt, zoals door de Stichting D en voor bingo-avonden. De kapper en die Stichting hebben dus geen exclusief gebruiksrecht voor de ruimte die zij gebruiken. Mijn collega in ziekenhuis C mag maar een halve dag per week gebruik maken van de door hem gehuurde ruimte. Wanneer hij geen praktijk houdt, gaan zijn spullen in een afsluitbare kast. Al met al heeft hij waarschijnlijk geen exclusief recht op die ruimte.

De onroerende zaak behelst een ruimte welke oorspronkelijk bedoeld was als logeerruimte voor bezoekers van de bewoners van de H. De ruimte was oorspronkelijk alleen bedoeld om te slapen. Er is daar geen water of gas. Ik neem altijd koffie mee van huis in een thermoskan. Er is wel een toilet met fonteintje, electra en een vaste telefoonaansluiting, en het is afsluitbaar.

De huismeester van de H maakt ook gebruik van de gemeenschappelijke ruimtes van die flat.

Met mijn klacht dat de termijn voor uitspraak door de Verweerder is overschreden heb ik enkel tot uitdrukking willen brengen dat ik onzorgvuldig ben behandeld. Ik verbind daar overigens geen processuele consequentie aan.

Er zijn thans geen logeerappartementen meer in de H.

In de onroerende zaak heb ik geen bijzondere voorzieningen aangebracht. De klanten komen op afspraak. Zij wachten eventueel in een voormalige bezemkast zonder deur. De oppervlakte van 20 m2 is gerekend inclusief die bezemkast en het toilet.

De Verweerder

Ik blijf bij mijn stelling dat de waarde van de onroerende zaak niet meer ter discussie is. Mocht die waarde toch ter discussie komen dan stel ik mij op het standpunt dat de door de Rechtbank vastgestelde waarde ad € 26.999 juist is.

Van de overige door belanghebbende bedoelde gebruikers van de H, zoals de kapper, heeft alleen F het exclusieve gebruik van de door hem gehuurde ruimte. Aan F zal te zijner tijd ook een WOZ-beschikking worden toegezonden.

Ik heb nooit anders beweerd dan dat ziekenhuis C de OZB aan de collega van belanghebbende kan doorberekenen. Voor die doorberekening bestaat geen plicht.

Een hoorgesprek in de bezwaarfase behelst het geven van de mogelijkheid aan belanghebbende zijn bezwaren mondeling toe te lichten. Het onderhandelen omtrent de waarde van de onroerende zaak of de hoogte van de proceskostenvergoeding is daarbij geen vereiste.

Belanghebbende beschikt over een eigen toilet binnen de afsluitbare ruimte.

Door de gemeente Z is met ziekenhuis C een afspraak gemaakt omtrent de behandeling voor de WOZ. Een dergelijke afspraak is niet gemaakt met de eigenaar van de H. De situatie in de H is niet te vergelijken met die in het ziekenhuis. In het ziekenhuis is de situatie veel ingewikkelder. Er zijn daar allerlei instellingen en ondernemingen actief, bijvoorbeeld artsenmaatschappen. Om te voorkomen dat er telkens gekeken moet worden welke ruimtes bij wie in gebruik zijn en of die ruimtes zelfstandige WOZ-objecten zouden kunnen zijn, is met het ziekenhuis een afspraak gemaakt. De situatie in de H is aanzienlijk eenvoudiger, er was daarom geen aanleiding om daar ook een dergelijke afspraak te maken.

De waarde van de gemeenschappelijke ruimtes van de H wordt toegerekend aan de in die flat aanwezige WOZ-objecten.

De beslissing ten aanzien van belanghebbende omtrent de volgende jaren heb ik aangehouden met het oog op deze procedure.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot toekenning van een vergoeding van proceskosten in beide instanties tot een bedrag van € 500 per procedure. De Verweerder concludeert tot verwerping van het beroep.

4. Gronden

Ter zake van de tenaamstelling van de beschikking en de vraag of de onroerende zaak een zelfstandig object is voor de WOZ

4.1. Het hof neemt de grief omtrent de tenaamstelling van de beschikking en de vraag of de onroerende zaak een zelfstandig object is voor toepassing van de WOZ als één grief in aanmerking, hierop neerkomende dat de Verweerder ten onrechte de bestreden beschikking heeft toegezonden aan belanghebbende, omdat de daarin beschreven zaak niet een zelfstandig object is voor de WOZ. Naar het oordeel van het Hof wordt deze grief vergeefs voorgesteld. Uit de stukken van het geding en uit het verhandelde ter zitting leidt het Hof af dat de onroerende zaak behelst een afsluitbare praktijkruimte met toilet en een wachtruimte, met een gezamenlijke oppervlakte van 20 m2, met aansluiting op electra, waterleiding en telefoon, welke ruimte krachtens huurovereenkomst exclusief ten dienste staat van belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof is de zaak blijkens zijn indeling bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt en is dientengevolge voor de toepassing van de WOZ terecht als één onroerende zaak aangemerkt. De bestreden beschikking is dan ook gezien het gestelde in artikel 24, derde lid, onderdeel b, WOZ, terecht ten name van belanghebbende gesteld.

Ten aanzien van de toepassing van het gelijkheidsbeginsel

4.2. Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel wordt voor zover het betrekking heeft op de handelwijze van de Verweerder ten aanzien van de in ziekenhuis C aanwezige praktijkruimte van een andere podotherapeut, vergeefs voorgedragen. Namens belanghebbende is ter zitting verklaard dat niet vast staat dat bedoelde andere podotherapeut het exclusieve gebruiksrecht op de door hem gehuurde praktijkruimte heeft nu de bedoelde ruimte hem slechts een halve dag ter beschikking staat en hij zijn uitrusting gedurende de overige tijd opslaat in een afsluitbare kast. Daarmee is naar het oordeel van het Hof niet vast komen te staan dat sprake is van gelijke gevallen.

4.3. Ook het andere beroep op het gelijkheidsbeginsel, dat stoelt op het argument dat de in de H werkzame kapper, pedicure en welzijnsinstellingen niet door de Verweerder als gebruikers van een zelfstandig object in de zin van de WOZ zijn aangemerkt, wordt vergeefs voorgedragen. Uit de verklaring namens belanghebbende ter zitting volgt dat de door de kapper gehuurde ruimte slechts voor een gedeelte van de tijd aan die kapper is ter beschikking gesteld en voor het overige gehuurd en gebruikt wordt door anderen en ten behoeve van andere activiteiten. Uit de verklaring van de Verweerder ter zitting, welke verklaring door belanghebbende niet is bestreden, leidt het Hof af dat er naast F geen anderen zijn die het exclusieve gebruik van een gemeenschappelijk ruimte van de H hebben en tegelijk niet als gebruiker voor de WOZ worden aangemerkt, zodat geen sprake is van een groep van gebruikers waarvan de meerderheid anders wordt behandeld dan belanghebbende. Gesteld noch gebleken is voorts dat sprake is van een jegens in dezelfde omstandigheden verkerende anderen begunstigend beleid dan wel van een oogmerk van begunstiging jegens die anderen.

Ten aanzien van de klacht omtrent het vertrouwensbeginsel

4.4. Ten aanzien van de door belanghebbende voorgedragen klacht dat de Verweerder gehandeld heeft in strijd met het vertrouwensbeginsel door aan belanghebbende de bestreden beschikking toe te zenden terwijl aan haar sedert 1979 geen aangiftebiljet of aanslag is gezonden, heeft naar het oordeel van het Hof te gelden dat de enkele omstandigheid dat belanghebbende gedurende een groot aantal jaren niet in de heffing van de onroerende-zaakbelasting is betrokken en geen beschikkingen ingevolge de WOZ heeft ontvangen, niet met zich brengt dat de Verweerder gehouden zou zijn zulks ook thans achterwege te laten. Deze klacht mist derhalve doel.

Ten aanzien van de klacht omtrent het horen

4.5. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende in bezwaar is gehoord door een persoon die bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is geweest. Belanghebbende klaagt er over dat hij tijdens het hoorgesprek slechts is aangehoord en geen reactie op zijn betoog heeft gekregen, terwijl er ook geen notulist bij het horen aanwezig was. Het Hof laat in het midden of een hoorgesprek waarbij het overheidsorgaan de reclamant slechts passief aanhoort beantwoordt aan het doel van het horen in de bezwaarfase. Een eventuele tekortkoming op dit gebied kan niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden. Terugwijzing van de zaak op die grond zou een te zware sanctie vormen. Voorts is er geen rechtsregel die eist dat er bij het horen een notulist aanwezig is.

Ten aanzien van de overschrijding van de termijn voor afdoening van bezwaar door Verweerder

4.6. In zoverre belanghebbende met het door haar naar voren gebrachte beoogt te stellen dat de Verweerder de termijn voor afdoening van het bezwaar heeft overschreden en dusdoende onzorgvuldig heeft gehandeld ten aanzien van belanghebbende, gaat het Hof ook aan deze klacht voorbij nu die klacht bij honorering niet leidt tot gegrondbevinding van het beroep.

Ten aanzien van de verkeerde adressering van stukken

4.7. Niet is gebleken dat belanghebbende op enigerlei wijze in haar procespositie is geschaad door het herhaaldelijk onjuist adresseren van poststukken. De ter zake door belanghebbende voorgedragen klacht wordt dan ook door het Hof verworpen.

Ten aanzien van de heffingsrente

4.8. Waar de bestreden beschikking de waarde van de onroerende zaak behelst en niet is te kwalificeren als een aanslag op grond waarvan belanghebbende een bedrag aan belasting verschuldigd wordt, gaat het Hof voorbij aan de klachten die zijdens belanghebbende worden voorgedragen voor zover die inhouden dat aan belanghebbende ten onrechte heffingsrente in rekening is gebracht.

Ten aanzien van de bepaling van de proceskosten door de Rechtbank.

4.9. De klacht dat de Rechtbank ten onrechte de proceskosten in goede justitie heeft gesteld op € 100 zulks terwijl zijdens belanghebbende aanspraak is gemaakt op een bedrag van € 500, wordt naar het oordeel van het Hof terecht voorgedragen. Ingevolge het gestelde in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen als proceskosten onder meer in aanmerking de reis- en verblijfkosten alsmede de verletkosten van een partij of een belanghebbende. Daarbij komen als reiskosten slechts in aanmerking de kosten van het openbaar vervoer in de laagste klasse en worden de verletkosten in aanmerking genomen overeenkomstig een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 4,54 en € 53,09 per uur bedraagt. Belanghebbende stelde voor de Rechtbank per zitting vijf uren verlet te hebben omdat hij op het dagdeel van de zitting geen klanten kan behandelen, hetgeen door de Verweerder voor de Rechtbank niet gemotiveerd is bestreden. Het ter zake door de Verweerder in appél aangevoerde betoog dat hierop neerkomt dat onder "verlet" slechts is te verstaan de feitelijke duur van het onderzoek ter zitting, wordt door het Hof verworpen. De Rechtbank had niet mogen volstaan met het in goede justitie vaststellen van de vergoeding op € 100 en de uitspraak kan op dit punt dan ook niet in stand blijven. Te dezer zake moet worden beslist gelijk hieronder vermeld.

Slotsom

4.10. Gezien het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient de uitspraak van de Rechtbank te worden vernietigd doch alleen op het punt van de proceskostenvergoeding.

Griffierecht

4.11. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 428 te vergoeden.

Proceskosten

4.12. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.13. Het Hof stelt deze kosten voor zover zij betrekking hebben op het geding bij de Rechtbank, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op een bedrag aan verlet- en reiskosten van de heer G voor het bijwonen van de zitting van respectievelijk € 265,45 (5 uren tegen een tarief van € 53,09 per uur) en € 7,=, is in totaal € 272,45.

Het Hof stelt deze kosten voor zover zij betrekking hebben op het geding voor het Hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op een bedrag aan reis- en verletkosten van de heer G voor het bijwonen van de zitting van respectievelijk € 7,30 en € 265,45, is in totaal € 272,75.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep gegrond

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank doch enkel voor wat betreft de beslissing omtrent de proceskosten

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige

- gelast dat de gemeente Z aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 428 vergoedt

- veroordeelt de Verweerder in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 545,20, en

- wijst de gemeente Z aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden

Aldus gedaan op 12 december 2008 door R.J. Koopman, voorzitter, N. van Beelen en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.