Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BH4376

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2008
Datum publicatie
02-03-2009
Zaaknummer
06/00219
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL7971, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BL7971
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbendes echtgenoot heeft in 1985 zijn eenmanszaak ingebracht in een vof met belanghebbende en heeft in 1987 een woonwinkelpand gekocht. Tot 1999 is het gehele pand als ondernemingsvermogen aangemerkt. In 1999 is de bovenwoning naar privé overgebracht en in 2000 is de onderneming gestaakt. In geschil is of de bovenwoning verplicht privévermogen vormt. Beslissend is, aldus het hof, of de bovenwoning is aangekocht met het oog op aanwending binnen de onderneming en daadwerkelijk binnen de onderneming is gebruikt. Gelet op de uitvoerige, geloofwaardige verklaringen van belanghebbende dienaangaande komt het hof tot het oordeel dat belanghebbende van aanvang aan het oogmerk heeft gehad om de bovenwoning zelf voor privédoeleinden te gebruiken en ook daadwerkelijk aan dit oogmerk gevolg heeft gegeven. De bovenwoning heeft dan ook vanaf de aankoop verplicht privévermogen gevormd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/17.1.1
Vp-bulletin 2009, 23 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0519
NTFR 2009/499
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 06/00219

Schriftelijke uitspraak op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 22 mei 2006, nummer AWB 05/2596 in het geding tussen

mevrouw X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

en

de Inspecteur

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 111.789, waarvan f 53.845 is belast naar een tarief van 45%. Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij uitspraak de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen van f 102.798, waarvan f 44.854 is belast naar een tarief van 45%.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 53.164 en een vergoeding van proceskosten en griffierecht gelast.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur heeft het incidenteel hoger beroep beantwoord.

1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 14 februari 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Partijen hebben ieder te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding.

1.7. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.8. De nadere zitting heeft plaatsgehad op 22 augustus 2008 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.9. Belanghebbende heeft voor de nadere zitting een pleitnota met twee bijlagen toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Zonder bezwaar van de Inspecteur tegen overlegging van de twee bij deze pleitnota behorende bijlagen, rekent het Hof deze pleitnota met de bijlagen tot de stukken van het geding.

1.10. Te deze nadere zitting heeft de Inspecteur een pleitnota en belanghebbende een nadere pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding.

1.11. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbendes schoonvader was eigenaar van een woonwinkelpand gelegen aan het A-straat 22 te Y. Het woongedeelte (een bovenwoning) was verhuurd aan derden. In het winkelgedeelte dreef de schoonvader zijn onderneming (een zaden- en bloemenwinkel). De bovenwoning en het winkelgedeelte waren op eenvoudige wijze te splitsen.

2.2. Belanghebbendes echtgenoot is per 1 januari 1980 gestart met zijn eenmanszaak. Voor de uitoefening van deze eenmanszaak en om te voorzien in zijn woonbehoefte heeft belanghebbendes echtgenoot het woonwinkelpand van zijn vader gehuurd. Hij heeft toen ook een garagebox gehuurd voor de berging en opslag van winkelbenodigdheden.

2.3. Per 1 januari 1985 heeft belanghebbendes echtgenoot zijn eenmanszaak ingebracht in een vennootschap onder firma met belanghebbende.

Op 19 februari 1987 heeft belanghebbendes echtegnoot het tot dan door hem gehuurde woonwinkelpand van zijn vader gekocht. De koopsom bedroeg f 235.000, te weten f 45.000 voor de bovenwoning en een gedeelte van de grond, f 40.000 voor het zakelijk gedeelte van de grond en f 150.000 voor het zakelijk gedeelte van de opstallen.

2.3. In 1988 is een tweede etage geplaatst. Op de bouwtekening ter verkrijging van de bouwvergunning heeft de architect bij enkele ruimtes op de eerste verdieping, de oorspronkelijke bovenwoning, een zakelijke bestemming vermeld ('werkkamer', 'berging-winkel', 'hobby-sierkunst').

2.4. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben drie zonen, de eerste is geboren in 1989, de tweede in 1991 en de derde in 1993.

In 1990 is een slaapkamer op de eerste verdieping dienst gaan doen als speelkamer en is een op de onder 2.3 vermelde bouwtekening aangeduide 'werkkamer' op die verdieping bij de woonkamer 'getrokken'.

2.5. Tot 1999 is het gehele pand als ondernemingsvermogen aangemerkt. In 1999 is de bovenwoning naar privé overgebracht.

Een en ander is met toelichting in belanghebbendes aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1999 verwerkt. De Inspecteur heeft daar niet op gereageerd.

In 2000 is de onderneming gestaakt. De Inspecteur heeft de daarbij door hem geconstateerde boekwinst in het jaar 2000 voor de helft tot het inkomen van belanghebbende gerekend.

2.6. In 2002 is het hele pand verkocht. Het pand is toen juridisch gesplitst. Voor de bouwkundige splitsing was niet meer nodig dan een aanpassing in de 'meterkast'.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

- Is de boekwinst op de bovenwoning onbelast?

- Zo niet: kan belanghebbende aan het uitblijven van een reactie van de Inspecteur bij de aanslagregeling voor het jaar 1999 rechtens te beschermen vertrouwen ontlenen dat de boekwinst bij staking onbelast zou blijven?

- Is de vergoeding van de proceskosten onjuist berekend?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter beider zittingen hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

-Er was in de buurt van het woonwinkelpand geen of weinig speelmogelijkheid voor kinderen. De verbouwing in 1987/88 was uitsluitend ingegeven door de voorgenomen gezinsuitbreiding. Er was geen tuin en geen speelmogelijkheid voor kinderen. In de bovenwoning moest het gezinsleven plaatsvinden, alle zakelijke handelingen vonden daarom beneden in het winkelgedeelte plaats.

-Het winkelgedeelte was met het oog daarop ook uitgebreid met een overkapping van de kleine binnenplaats achter het pand. Daarin was een kantine gemaakt zodat er beneden door personeel kon worden geluncht. Daar stonden ook een ijskast en een koffiemachine voor het personeel.

-Belanghebbende maakte haar bloemstukken voor partijen en begrafenissen uitsluitend in die kantine. Daar stonden alle daartoe benodigde materialen.

-Belanghebbende werkte twee dagen in de week. Dan was er steeds boven een oppas voor de drie zoons.

-Het feit dat het pand ongesplitst van schoonvader is aangekocht is alleen een probleem bij een gedwongen koppelaankoop. Daarvan was hier geen sprake. Het pand is altijd eenvoudig splitsbaar geweest. Het heeft een eigen opgang. Dat is ook bij de verkoop in 2002 gebleken. Toen is er alleen in de meterkast iets veranderd.

-De gevraagde vermindering van heffingsrente is geen aparte grief, maar moet volgen uit een vermindering van de aanslag.

-In incidenteel hoger beroep wordt verzocht om een vergoeding van de kosten van de bezwaarfase, waarom is verzocht in de brief van 21 juli 2003, zie bijlage 21f bij het beroepschrift. Ik trek het verzoek om vergoeding van een conclusie van repliek bij de Rechtbank in.

De Inspecteur

-Het pand was bij aankoop juridisch niet gesplitst en reeds daarom blijkens de jurisprudentie keuzevermogen.

-Het Hof mag er voor de uitspraak vanuit gaan dat de bovenwoning in 1987 naar privé ging als ik in het ongelijk word gesteld.

-Ik heb graag een uitspraak. Het belang van deze zaak is namelijk groot. Als belanghebbende gelijk krijgt zijn er veel meer gevallen dan voorheen waarin Box III zal worden geclaimd.

3.3. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en handhaving van de uitspraak op bezwaar.

Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep, gegrondverklaring van het incidentele hoger beroep en verhoging van de proceskostenvergoeding.

4. Gronden

4.1. In geschil is allereerst de vraag of de bovenwoning verplicht privévermogen vormt.

Beslissend is blijkens Hoge Raad 20 juni 1962, nr. 14.819, BNB 1962/272, de wil van de belastingplichtige tenzij de redelijkheid zich daartegen verzet. Daarbij geldt dat de Inspecteur de juistheid van de bijtelling van de onder 2.5 vermelde boekwinst aannemelijk dient te maken. Daarna is het aan belanghebbende het tegendeel aannemelijk te maken.

4.2.1. De Inspecteur heeft de bijtelling onder meer gebaseerd op het feit dat het pand bij aankoop juridisch ongesplitst was, op de administratieve verwerking (opname van de bovenwoning als ondernemingsvermogen - reeds door de schoonvader van belanghebbende - met correcties voor privé gebruik), op het feit dat belanghebbendes echtgenoot bij aankoop boven de zaak woonde, dat belanghebbende uit een oogpunt van achterwacht, opslag, ontvangst en toezicht baat had bij het wonen boven de zaak, dat de gezinsuitbreiding eenvoudig kon worden opgevangen met de twee slaapkamers die na de verbouwing op de tweede verdieping beschikbaar kwamen, op de 'zakelijke' aanduidingen van bepaalde vertrekken op de eerste verdieping van de hand van de architect op de bouwtekening bij de aanvraag van een bouwvergunning in 1988 en op de verwerking van een en ander in de aangiften inkomstenbelasting tot 1999 (huurwaardeforfait).

4.2.2. Belanghebbende stelt daar onder verwijzing naar de bijlage bij de conclusie van AG Overgaauw bij Hoge Raad 13 juli 2007, nr. 43.298, VN 2007/34.18 tegenover dat aan deze stellingen voorbij moet worden gegaan en dat uitsluitend het werkelijke oogmerk bij aankoop en de werkelijke aanwending binnen de onderneming beslissend is.

4.3. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat haar echtgenoot indien hij dat had gewenst in 1987 ook gesplitst had kunnen aankopen van zijn vader, dat wil zeggen ofwel de bovenwoning ofwel de winkel.

Dat betekent dat dit geval moet worden onderscheiden van het geval behandeld in Hoge Raad 13 juli 2007, nr. 43.298, VN 2007/34.18 waarin de koper was gedwongen het geheel te kopen, een splitsing aan te brengen en het deel door te verkopen waarin hij niet was geïnteresseerd.

Belanghebbende heeft verder onweersproken gesteld dat de splitsing in 2002 is uitgevoerd, maar niet meer inhield dan het aanpassen van 'de meterkast', teneinde water- en energiegebruik gescheiden te kunnen volgen. Splitsing was daarom in dit geval ook bouwkundig erg eenvoudig.

Een en ander betekent naar het oordeel van het Hof dat voor de vraag of de bovenwoning in 1987 en latere jaren verplicht privévermogen vormde, niet behoeft te worden gelet op het feit dat het pand pas in 2002 juridisch gesplitst is.

4.4. Met belanghebbende en AG Overgaauw (zie de onder 4.2.2 vermelde bijlage bij zijn conclusie) is het Hof van oordeel dat uitsluitend beslissend is of de bovenwoning 'is aangekocht met het oog op aanwending binnen de onderneming en daadwerkelijk binnen de onderneming is gebruikt'.

4.5. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben ten aanzien van het oogmerk bij aankoop en het werkelijk gebruik nadien ter eerste en ter tweede zitting van het Hof verklaard:

- dat de bovenwoning bij aankoop in 1987 uitsluitend bestemd was voor privé gebruik en nadien uitsluitend overeenkomstig die bestemming is gebruikt

- dat de na de aankoop uitgevoerde verbouwing uitsluitend is ingegeven door de aanstaande gezinsuitbreiding

- dat de daarmee strijdige aantekeningen op een tekening bij een vergunningsaanvraag onjuist zijn.

Deze verklaringen zijn herhaaldelijk gedaan en consistent volgehouden tegenover het Hof. Ze zijn uitvoerig toegelicht en geadstrueerd. Het Hof hecht geloof aan deze verklaringen.

4.6. Hetgeen de Inspecteur daartegenover heeft gesteld is naar het oordeel van het Hof, mede in het licht van de daaraan op de beide zittingen door belanghebbende en haar echtgenoot gegeven toelichtingen, onvoldoende om aan de geloofwaardigheid van die consistente verklaringen te twijfelen. Belanghebbende heeft van aanvang aan het oogmerk gehad om de bovenwoning zelf voor privédoeleinden te gebruiken, en heeft metterdaad aan dit oogmerk gevolg gegeven. Onder die omstandigheden had belanghebbende verplicht de bovenwoning tot haar privévermogen behoren te rekenen.

4.7. Daar voegt het Hof nog het volgende aan toe: De architect van belanghebbende heeft in een bouwtekening vertrekken op de eerste verdieping met een bedrijfsbestemming aangeduid, omdat hij heeft verondersteld daardoor eenvoudiger een vergunning te krijgen voor het bouwen van de tweede verdieping. Het is voor het Hof niet duidelijk geworden of deze veronderstelling juist is geweest doch zulks kan naar het oordeel van het Hof in het midden blijven. Naar het oordeel van het Hof is bepalend of de verklaringen van belanghebbende en haar echtgenoot over de werkelijke bestemming en gebruik geloofwaardig zijn. Zoals onder 4.5 en 4.6 is overwogen hecht het Hof geloof aan deze verklaringen.

4.8. Het Hof voegt daar ter toelichting het volgende aan toe. De Inspecteur heeft nog gesteld dat de gezinsuitbreiding eenvoudig kon worden opgevangen door de twee extra kamers die op de tweede verdieping zijn gebouwd. Terecht stelt belanghebbende dat de kinderen overdag op de eerste verdieping werden opgevoed en daar ook moesten kunnen spelen.

4.9. Belanghebbende heeft verder verklaard dat er in de bovenwoning steeds oppas was, wanneer zij beneden in de winkel werkte.

Het Hof acht daarom aannemelijk dat belanghebbende de opvoeding van de drie kinderen op een bovenverdieping ook fysiek heeft gescheiden van haar zakelijke activiteiten.

4.10. Het voorgaande brengt het Hof tot de slotsom dat de bovenwoning vanaf de aankoop verplicht privévermogen heeft gevormd. Het hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond.

Het Hof komt daarom niet meer toe aan belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel.

4.11. Het incidenteel hoger beroep van belanghebbende strekt tot herziening van de door de Rechtbank toegekende vergoeding van de kosten van bezwaar en van beroep.

Belanghebbende claimt alsnog de kosten van bezwaar; één procespunt voor het bezwaarschrift en één procespunt voor de hoorzitting, alsmede de reiskosten voor de zitting bij de Rechtbank.

Verder verzoekt belanghebbende de samenhangende zaken van belanghebbende en haar echtgenoot in afwijking van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) vanwege het geringe bedrag van de vergoeding als twee afzonderlijke zaken te behandelen en dientengevolge de kosten van bezwaar en van (hoger) beroep te verdubbelen.

4.12. Het Hof stelt bij de behandeling van het incidenteel beroep van belanghebbende voorop dat het Hof in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen ruimte ziet om de proceskostenvergoeding te verdubbelen, door de samenhangende zaken van de beide echtgenoten als twee afzonderlijke zaken te behandelen. Dat zou leiden tot strijd met artikel 3 van het Besluit. Belanghebbende heeft echter geen feiten en omstandigheden gesteld, en het Hof zijn deze niet ambtshalve gebleken, om af te wijken van het Besluit. Het Hof heeft dan niet de vrijheid daarvan af te wijken.

Terecht stelt belanghebbende dat tijdens de bezwaarfase is verzocht om vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7.15 Awb. De Rechtbank heeft hiervoor geen vergoeding toegekend. Het Hof zal dit herstellen en voor de kosten van het vervaardigen van het bezwaarschrift en van het horen een vergoeding verlenen van 2 (punten) x € 161 (waarde per punt), zijnde € 322. Gelet op het overwogene over samenhangende zaken wordt aan belanghebbende, gelijk aan hetgeen hierna onder 6 is opgenomen, een vergoeding van € 322 : 2 is € 161 toegekend.

Onterecht stelt belanghebbende dat de Rechtbank geen reiskosten heeft vergoed voor de zitting op 8 mei 2006 te B, nu daarvoor een bedrag van € 17 aan belanghebbende is toegekend.

4.13. Het incidentele hoger beroep van belanghebbende is gegrond.

5. Griffierecht

Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 433.

6. Proceskosten

Nu het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij wordt uitgegaan van twee samenhangende zaken waarin de inspecteur geheel of gedeeltelijk in het ongelijk wordt gesteld. Dit betreft de onderhavige zaak en de zaak met kenmerk 06/00218.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 3 (proceshandelingen) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is € 1.449, vermeerderd met een bedrag aan reiskosten van belanghebbende en haar echtgenoot zelf voor het bijwonen van de zittingen bij het Hof van 2 x 2 x € 16 is € 64 en in totaal € 1.513.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

Het Hof zal in deze zaak en in die van haar echtgenoot een proceskostenvergoeding toekennen van € 1.513 : 2, is € 756,50.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de vergoeding van de proceskosten;

- verklaart het incidenteel hoger beroep gegrond,

- beslist dat de door de Rechtbank verleende vergoeding van proceskosten wordt verhoogd met € 161;

- bepaalt dat door tussenkomst van de griffier van de Staat ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 433;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op in totaal € 756,50; en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 12 december 2008 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en D.G. Barmentlo, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.