Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BG9628

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-10-2008
Datum publicatie
13-01-2009
Zaaknummer
07/00285
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL7965, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

07-00285

Het Hof oordeelt, conform de rechtbank, dat het verwijderen van een tussenschot uit een bestelauto deze niet geschikt maakt voor het vervoer van personen. De aanwezigheid van een kliksysteem, primair om kisten vast te zetten, maar ook geschikt om stoelen mee te bevestigen, hetgeen de facto ook het geval was ten tijde van de controle, doet aan het karakter van de laadruimte ook niet af. , nu het kliksysteem het mogelijk maakt de stoelen weer eenvoudig te verwijderenen de ruimte dan bij uitstek weer geschikt is voor het vervoer van lading. De auto voldoet naar het oordeel van het HOf aan de eisen van artikel 3, lid 1, onderdeel a van de Wet BPM. Uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 07/00285

Uitspraak op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 10 april 2007, nummer AWB 06/2254 in het geding tussen

X VOF, gevestigd te Y,

hierna: belanghebbende

en

de Inspecteur.

betreffende na te noemen naheffingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Inspecteur heeft met dagtekening 8 maart 2006 een naheffingsaanslag (nummer 00/00/0000/000) in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 8.282, tegelijk met een beschikking heffingsrente ten bedrage van € 757. Belanghebbende heeft uitsluitend tegen die aanslag een bezwaarschrift ingediend, dat op 16 maart 2006 bij de Inspecteur is ingekomen. Bij uitspraak van 20 april 2006 heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 37, de Staat aangewezen als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden en gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 281 aan deze vergoedt.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 7 augustus 2008 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Op 5 november 2005 hebben ambtenaren van de Belastingdienst/Z tijdens een controle geconstateerd dat een vennoot van belanghebbende, A, als bestuurder gebruik heeft gemaakt van de openbare weg in Nederland met een auto van het merk Hyundai, type B, die is voorzien van een Nederlands kenteken 00-XX-XX (hierna: de auto). Aangezien het tussenschot van de auto was verwijderd en de laadvloer was voorzien van middels een clicksysteem bevestigde stoelen, voldeed de auto volgens de ambtenaren niet langer aan de in artikel 3, derde lid, onderdeel b, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) neergelegde vereisten van een dubbele cabine.

2.2. Oorspronkelijk had de auto een dubbele cabine met een zitruimte, een bank, achter de bestuurder. Het tussenschot tussen de cabine en de laadruimte is ongeveer een half jaar voor november 2005 verwijderd. Tevens is voornoemde bank verwijderd. In de ruimte achter de bestuurder- en bijrijderplaats is op de vloer een kliksysteem aangebracht voor het bevestigen van lading. Op dit systeem kunnen, op de plek waar voorheen de (vaste) bank zich bevond, twee stoelen worden aangebracht. Deze stoelen waren op 5 november 2005, het moment van de onder 2.1 bedoelde controle, ook daadwerkelijk geplaatst.

2.3. Na de onder 2.2 bedoelde verwijdering van het tussenschot heeft de (laad)ruimte, inclusief de ruimte die voorheen werd ingenomen door de bank en het tussenschot, een lengte van ten minste 200 cm en heeft deze ruimte over ten minste 200 cm van de lengte en over ten minste 20 cm van de breedte een hoogte van ten minste 130 cm.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de auto dient te worden aangemerkt als een bestelauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet BPM.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen partijen ter zitting hieraan hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingediende beroep. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 3, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet BPM wordt onder een bestelauto onder meer verstaan een motorrijtuig met een laadruimte die in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer en die een lengte heeft van ten minste 200 cm en over ten minste 200 cm van de lengte en over ten minste 20 cm van de breedte een hoogte heeft van ten minste 130 cm.

4.2. De Inspecteur stelt - samengevat - dat na het verwijderen van het tussenschot geen sprake is van een bestelauto, en dus van een personenauto, omdat de laadvloer niet vlak (meer) is en de stoelen, aangebracht op het kliksysteem, met zich brengen dat geen sprake is van een laadruimte. De Inspecteur stelt dat de auto aangemerkt moet worden als een personenauto en niet als een bestelauto.

4.3. Belanghebbende stelt dat het tussenschot om zakelijke redenen is weggehaald, dat de auto voor wat betreft zijn uiterlijk per definitie een bestelauto en als zodanig herkenbaar is, dat door het weghalen van het tussenschot er wat dat betreft niets veranderd is en dat de verwijdering van het tussenschot de auto niet geschikt(er) heeft gemaakt voor het vervoeren van personen.

4.4. Niet in geschil is dat na het verwijderen van het tussenschot de ruimte achter de bestuurder- en bijrijderplaats, inclusief de ruimte onder de stoelen waar voorheen de bank en het tussenschot stonden, voldoet aan de eisen van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet BPM.

4.5. Naar het oordeel van het Hof staat de aanwezigheid van een kliksysteem, dat primair is aangebracht om kisten met lading vast te zetten, er niet aan in de weg om de vloer als een vlakke laadvloer aan te merken. Het feit dat op dit kliksysteem ook stoelen kunnen - en op 5 november 2005 ook daadwerkelijk waren - geplaatst doet aan het karakter van laadruimte niet af, nu het kliksysteem het mogelijk maakt deze stoelen ook weer eenvoudig te verwijderen en de ruimte alsdan bij uitstek geschikt is voor vervoer van lading.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat de auto geheel voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, aanhef, onderdeel a, van de Wet BPM gestelde vereisten, zodat deze als bestelauto moet worden aangemerkt.

4.7. De overige stellingen van belanghebbende behoeven geen behandeling meer.

4.8. Gelet op het voorgaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende, dient het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond te worden verklaard en dient de uitspraak van de Rechtbank te worden bevestigd, zij het onder aanvulling van de gronden.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9 Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd, wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 433.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10 Nu het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 punten x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is € 966.

5. Beslissing

Het Hof

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

- bepaalt dat van de Staat ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 433,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 966, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op: 10 oktober 2008 door P. Fortuin, voorzitter, G.J. van Muijen en J.G. Verseput, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.