Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BG8099

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
20-000440-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2008:BC3403, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ondermeer ter zake van poging tot afpersing, bedreiging en mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof verwerpt het verweer dat de door verdachte in de Penitentiaire Inrichting te Vught gevoerde (niet-geprivilegieerde) telefoongesprekken onrechtmatig zijn opgenomen en beluisterd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000440-08

Uitspraak : 23 december 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 6 februari 2008 in de strafzaak met parketnummer 01/849602-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

thans gedetineerd in de PI Achterhoek - Gev. Ooyerhoekseweg,

[adres], [plaats].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als niet te zijn gericht tegen de vrijspraak van hetgeen onder 6 aan verdachte ten laste is gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte van het onder 7 ten laste gelegde zal vrijspreken, het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar zal opleggen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 oktober 2006 te Vught, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld een persoon genaamd [slachtoffer 1] te dwingen tot het afgeven en/of doen afgeven van (originele) opnamen van een reportage (met betrekking tot verdachte) die werd uitgezonden in het tv-programma "[slachtoffer 1]" (op 10 oktober 2002), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, deze [slachtoffer 1] heeft gevraagd "waar die originele opnames zijn" en/of deze [slachtoffer 1] heeft toegevoegd: "Als die originele opnames niet boven water komen, houd ik jou en [slachtoffer 2] hiervoor aansprakelijk" en/of "Als jij niet met die originele opnames komt hè, wat jij met mijn vrouw gedaan hebt hè, dat krijg jij terug, dat beloof ik jongen, dat beloof ik op mijn moeder zijn graf" en/of "Ik pak jou hiervoor terug, onthoud dat" en/of "Als jij niet met die originele gesprekken komt, heb jij een groot probleem" en/of "Wat jij met mijn gezin gedaan hebt, dat doe ik met jouw gezin" en/of "Als ik vrijkom, dan kom ik naar jou en dan ben ik het of ben jij het", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 oktober 2006 te Vught, althans in Nederland, een persoon genaamd

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met gijzeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Als die originele opnames niet boven water komen, houd ik jou en [slachtoffer 2] hiervoor aansprakelijk" en/of "Als jij niet met die originele opnames komt hè, wat jij met mijn vrouw gedaan hebt hè, dat krijg jij terug, dat beloof ik jongen, dat beloof ik op mijn moeder zijn graf" en/of "Ik pak jou hiervoor terug, onthoud dat" en/of "Als jij niet met die originele gesprekken komt, heb jij een groot probleem" en/of "Wat jij met mijn gezin gedaan hebt, dat doe ik met jouw gezin" en/of "Als ik vrijkom, dan kom ik naar jou en dan ben ik het of ben jij het", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

2.

hij op of omstreeks 7 januari 2004 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, een persoon genaamd [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk een of meer (be)dreigende brief/brieven en/of tekening(en), althans (een) afbeelding(en), doen toekomen aan deze [slachtoffer 3], zoals aangehecht aan deze dagvaarding;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 19 december 2006 te Vught en/of te Oss, althans in Nederland, een persoon genaamd [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend genoemde [slachtoffer 4] de woorden toegevoegd: "Jou sla ik kapot" en/of "Als ik thuiskom, leef je geen dag meer, dat beloof ik je" en/of "Als ik thuis ben,

maak ik jou dood" en/of "Ik zal je een kogel door de kop schieten" en/of "Ik snij en trek je uit elkaar" en/of "Er is geen mens ter wereld dat zo verminkt de kist in gaat als jij" en/of "Ik zweer dat ik jou niet laat leven, ik sla je dood op het graf van je vader" en/of "Jou slacht ik" en/of "Ik neem een pen mee en steek je in één keer dood in de bezoekerszaal" en/of "Je gaat eraan, ik bezweer het en als het lang gaat duren laat ik het doen, dan zal ik eens een opdracht geven voor huurmoord, dan zal ik eens laten zien wie ik laat vermoorden" en/of "Je bent er geweest, voor jou staat de datum vast, je moet een plaats op het kerkhof uit gaan zoeken waar je dadelijk komt te liggen" en/of "Als ik vrij kom, moet je maar eens kijken wat ik met je doe; je besnijden zoals nog nooit iemand besneden is" en/of "Ik maak je dood, luister nou wat dat ik doe; steek ik elke keer een gaatje meer in de slagaderlijke bloeding bij jou en zo bloeide gij kalm aan dood, gij krijgt een dood dat is ongelooflijk, dat beloof ik jou, ik zal jou op uw kop slaan dat is niet te geloven", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

4.

hij op of omstreeks 24 oktober 2006 te Vught, althans (in een penitentiaire inrichting) in Nederland, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 4]) (met kracht) in het gezicht en/of op het hoofd en/of tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

hij in of omstreeks de periode van 8 november 2006 tot en met 9 november 2006 te Vught, althans in Nederland, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 5]), (met kracht) een kopstoot (in het gezicht) heeft gegeven en/of (met kracht) (met gebalde vuist en/of met daarin een sleutel) op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of een stok (van een zwabber) tegen zijn keel heeft gedrukt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

7.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 22 november 2006 te Vught en/of te Oss, althans in Nederland, een persoon genaamd [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend een brief doen toekomen aan familieleden van [slachtoffer 6], met daarin (onder meer) de tekst: "Ga dat maar alvast aan die bloemkooloor vertellen; wie ook die staanplaats pakt voor ik thuis ben, die kan vast voor een plaats op eigen bogaard uit gaan zoeken, want die leg ik daar neer" (waarbij met "bloemkooloor" [slachtoffer 6] wordt bedoeld en/of met de "bogaard" de plaats waar de familie [familienaam verdachte] wordt begraven), terwijl deze familieleden (de inhoud van) deze brief ter kennis hebben gebracht van [slachtoffer 6].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Van de zijde van verdachte is zakelijk weergegeven aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging behoort te worden verklaard, nu in de Penitentiaire Inrichting [hierna: PI] te Vught in strijd met artikel 39 van de Penitentiaire beginselenwet juncto artikel 36 van die wet alle door verdachte gevoerde (niet-geprivilegieerde) telefoongesprekken structureel zijn opgenomen/beluisterd, zonder dat tevoren aan verdachte mededeling is gedaan van de aard en de reden van het toezicht, hetgeen een schending van artikel 8 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens [hierna: EVRM] oplevert, een en ander zoals nader is onderbouwd ter terechtzitting in hoger beroep. Nu het openbaar ministerie in casu welbewust gebruik heeft gemaakt van het in strijd handelen met genoemde artikelen door de directeur van de genoemde PI, is er sprake van een zeer ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen tekort wordt gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van zijn zaak, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Artikel 39, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet luidt als volgt:

“De directeur kan bepalen dat op de door of met de gedetineerde gevoerde telefoongesprekken toezicht wordt uitgeoefend, indien dit noodzakelijk is om de identiteit van de persoon met wie de gedetineerde een gesprek voert vast te stellen dan wel met het oog op een belang als bedoeld in artikel 36, vierde lid. Dit toezicht kan omvatten het beluisteren of opnemen van het telefoongesprek. Tevoren wordt aan de betrokkene mededeling gedaan van de aard en de reden van het toezicht. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bewaren en verstrekken van opgenomen telefoongesprekken.”

Artikel 36, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet luidt als volgt:

“De directeur kan de verzending of uitreiking van bepaalde brieven of andere poststukken alsmede bijgesloten voorwerpen weigeren, indien dit noodzakelijk is met het oog op een van de volgende belangen:

a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;

b. de bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid;

c. de voorkoming of opsporing van strafbare feiten;

d. de bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij misdrijven.”

Aan het hof ligt ter beoordeling voor of in het onderhavige geval gehandeld is in strijd met de genoemde artikelen van de Penitentiaire beginselenwet en artikel 8 EVRM.

Uit het door [verbalisant 1], hoofdinspecteur van politie Brabant-Noord, op ambtseed opgemaakte proces-verbaal, nummer 27-002129, d.d. 12 januari 2007 blijkt dat verdachte van 12 april 2006 tot 19 december 2006 in de PI in Vught heeft verbleven.

[Unitdirecteur PI], ondermeer in de periode van 12 april 2006 tot en met 19 december 2006 werkzaam als directeur van Unit 6 in de PI te Vught, zijnde de Unit waar verdachte toen verbleef, heeft ter terechtzitting in hoger beroep als getuige verklaard dat er sinds medio mei 2006, in ieder geval kort nadat verdachte in de PI in Vught gedetineerd zat, aanleiding was de door verdachte gevoerde (niet-geprivilegieerde) telefoongesprekken te gaan beluisteren, zulks in verband met telefonische bedreigingen door verdachte van zijn echtgenote. [Unitdirecteur PI] heeft voorts verklaard dat verdachte toen op de hoogte is gesteld van de omstandigheid dat in verband met de genoemde bedreigingen de door verdachte gevoerde (niet-geprivilegieerde) telefoongesprekken zouden worden beluisterd. Dit vindt bevestiging in de op 11 januari 2007 tegenover [verbalisant 2], inspecteur van regiopolitie Brabant Noord, en [verbalisant 3], brigadier van regiopolitie Brabant Noord, door verdachte afgelegde verklaring naar aanleiding van de mededeling dat de gesprekken door de PI worden afgeluisterd, inhoudende: “Dat klopt. Ik weet dat en geef daar helemaal niet om. Dat is geen probleem” (pagina 788 van het door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] voornoemd op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakte doorgenummerde proces-verbaal van politie, nummer 06-019045).

Voorts is aan verdachte middels de huisregels voor de PI Vught bij binnenkomst kenbaar gemaakt dat de door hem vanuit de PI gevoerde telefoongesprekken zouden worden opgenomen. Zoals blijkt uit het in het dossier opgenomen telefoongesprek tussen verdachte en [slachtoffer 1] (pagina 374 van het door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] voornoemd op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakte doorgenummerde proces-verbaal van politie, nummer 06-019045) was verdachte hiervan ook daadwerkelijk op de hoogte.

Verdachte was derhalve op de hoogte van de omstandigheid dat de door hem gevoerde (niet-geprivilegieerde) telefoongesprekken werden opgenomen en beluisterd.

Gelet op eerdergenoemde aanleiding kon de directeur bepalen dat op de telefoongesprekken waar het hier om gaat toezicht zou worden uitgeoefend in de zin van de Penitentiaire beginselenwet. Nu daaronder zowel opnemen als beluisteren vallen, welke twee vormen van toezicht zich hier feitelijk hebben voorgedaan, en ook aan het mededelingsvereiste is voldaan, is het hof van oordeel dat is gehandeld in overeenstemming met het bepaalde in artikel 39 van de Penitentiaire beginselenwet juncto artikel 36 van die wet en dat artikel 8 EVRM niet is geschonden. Het hof verwerpt het verweer.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 7 ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Verdachte heeft in de in de tenlastelegging bedoelde brief geschreven: “Ik kom terug op de [adres], nummer 11, want daar kom ik terug en dan zal ik wel eens zien wie mij daar weg jaagt. Ik zal jullie alle drie waarschuwen en ga dat maar alvast aan die bloemkooloor vertellen: wie ook die staanplaats pakt voor ik thuis ben, die kan vast voor een plaats op eigen bogaard uit gaan zoeken, want die leg ik daar neer”. Gelet op de inhoud van deze tekst was hier slechts sprake van ongerichte dwang en naar ’s hofs oordeel niet van een gerichte bedreiging van [slachtoffer 6].

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 20 oktober 2006 te Vught ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld een persoon genaamd [slachtoffer 1] te dwingen tot het afgeven of doen afgeven van originele opnamen van een reportage (met betrekking tot verdachte) die werd uitgezonden in het

tv-programma "[slachtoffer 1]" toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, deze [slachtoffer 1] heeft toegevoegd: "Als die originele opnames niet boven water komen, houd ik jou hiervoor aansprakelijk" en “Ik pak jou hiervoor terug, onthoud dat” en "Als jij niet met die originele gesprekken komt, heb jij een groot probleem" en "Als ik vrijkom, dan kom ik naar jou en dan ben ik het of ben jij het", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 7 januari 2004 te ’s-Hertogenbosch een persoon genaamd [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk een bedreigende tekening doen toekomen aan deze [slachtoffer 3], zoals aangehecht aan dit arrest als onderdeel van de bewezenverklaring;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 19 december 2006 te Vught in Nederland een persoon genaamd [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend genoemde [slachtoffer 4] de woorden toegevoegd: "Jou sla ik kapot" en "Als ik thuiskom, leef je geen dag meer, dat beloof ik je" en "Als ik thuis ben, maak ik jou dood" en "Ik zal je een kogel door de kop schieten" en "Ik snij en trek je uit elkaar" en "Er is geen mens ter wereld dat zo verminkt de kist in gaat als jij" en "Ik zweer dat ik jou niet laat leven, ik sla je dood op het graf van je vader" en "Jou slacht ik" en "Ik neem een pen mee en steek je in één keer dood in de bezoekerszaal" en "Je gaat eraan, ik bezweer het en als het lang gaat duren laat ik het doen, dan zal ik eens een opdracht geven voor huurmoord, dan zal ik eens laten zien wie ik laat vermoorden" en "Je bent er geweest, voor jou staat de datum vast, je moet een plaats op het kerkhof uit gaan zoeken waar je dadelijk komt te liggen" en "Ik maak je dood, luister nou wat dat ik doe; steek ik elke keer een gaatje meer in de slagaderlijke bloeding bij jou en zo bloeide gij kalm aan dood, gij krijgt een dood dat is ongelooflijk, dat beloof ik jou, ik zal jou op uw kop slaan dat is niet te geloven", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 19 december 2006 te Vught in Nederland een persoon genaamd [slachtoffer 4] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend genoemde [slachtoffer 4] de woorden toegevoegd: "Als ik vrij kom, moet je maar eens kijken wat ik met je doe; je besnijden zoals nog nooit iemand besneden is", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

4.

hij op 24 oktober 2006 te Vught opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 4]) in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

5.

hij op 8 november 2006 te Vught opzettelijk mishandelend een persoon ([slachtoffer 5]), een kopstoot heeft gegeven, met gebalde vuist tegen het hoofd heeft geslagen en een stok (van een zwabber) tegen zijn keel heeft gedrukt, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Op de gronden als weergegeven onder Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heeft de verdediging subsidiair betoogd dat het bewijs dat uit de opgenomen en beluisterde door verdachte gevoerde niet-geprivilegieerde telefoongesprekken is verkregen, onrechtmatig is verkregen, zodat verdachte van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof verwijst naar hetgeen het dienaangaande heeft overwogen en verwerpt op die gronden ook dit verweer.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde.

Door de verdediging is aangevoerd dat de door verdachte gebezigde bewoordingen niet als bedreiging kunnen worden gekwalificeerd.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Uit de aard en de inhoud van de door verdachte gedane uitlatingen zoals bewezen verklaard en de manier waarop en de omstandigheden waaronder deze zijn gedaan - [slachtoffer 1] heeft hieromtrent ondermeer verklaard: “Ik wil opmerken dat de onheilspellende toon en de manier waarop [verdachte] dit uitsprak mij het gevoel gaf dat dit geen loos dreigement was, zeker als ik daarbij in ogenschouw neem voor welke delicten [verdachte] is veroordeeld”, “Het is de manier waarop hij dit zegt, de intonatie. De ingehouden woede komt bedreigend op mij over. Vooral het stukje dat hij bij mij onaangekondigd langs zou komen. Hij zei hierbij dan is het JIJ of IK”, “Dit opgeteld bij de reputatie van [verdachte] en het feit dat hij tevens vastzit ter zake de huurmoorden zie ik hem ook hiertoe in staat. Dat hij mij thuis komt opzoeken en mij iets aan zal doen” en “Op het moment dat hij mij belde voelde ik me ook bedreigd”-, zoals een en ander uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt, leidt het hof af dat verdachte het opzet had om [slachtoffer 1] te bedreigen met geweld (minstgenomen met aanwending van fysieke kracht van een zekere hevigheid) zoals bewezen verklaard en bij genoemde [slachtoffer 1] ook redelijkerwijs de vrees kon ontstaan en is ontstaan dat aan die bedreiging door verdachte tegen hem, [slachtoffer 1], uitvoering zou worden gegeven. Het hof verwerpt derhalve dit verweer.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde.

Van de zijde van verdachte is met betrekking tot het onder 2 bewezen verklaarde aangevoerd dat verdachte niet de afzender is van de in de tenlastelegging bedoelde tekeningen en deze niet heeft vervaardigd, zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de ter zake door het hof gebezigde bewijsmiddelen komt het volgende naar voren. Voorafgaand aan de ontvangst van de enveloppe waarin twee bescheiden, waaronder de bedreigende tekening, zaten, was [slachtoffer 3] al meermalen telefonisch door verdachte met de dood bedreigd. De vermelding op de tekening van een geldbedrag van twee keer € 500 euro past bij de verklaring van [slachtoffer 3] voornoemd dat hij verdachte in een civiele zaak had bijgestaan en hiervoor een bedrag van € 1000,00 contant van verdachte had ontvangen, hetgeen door verdachte tegenover de politie is bevestigd. Door [slachtoffer 3] is in dit verband nog verklaard dat hij meent dat de € 1.000,00 door [slachtoffer 4] [naar het hof begrijpt: de vriendin van verdachte] in twee keer € 500,00 contant is betaald. Voorts heeft [slachtoffer 3] verklaard dat op de achterzijde van de enveloppe waarin de bescheiden zaten de naam “[voornaam verdachte]” en het nummer “[nummer]” vermeld stonden. Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat genoemd nummer zijn registratienummer is. Op het andere bescheid staat twee keer € 500,00 met daarbij een pijl in de richting van “[naam]”. Verdachte heeft bij gelegenheid van zijn verhoor bij de politie aangegeven dat de voornaam van [slachtoffer 3] volgens hem “[naam]” is, terwijl de voornaam van [slachtoffer 3], voor zover hier van belang, “[voornaam slachtoffer 3]” is.

Uit deze feiten en omstandigheden, een en ander bezien in onderlinge samenhang en (tijds)verband ook met hetgeen overigens uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen naar voren komt, leidt het hof af dat het verdachte is geweest die de bedreigende tekening heeft vervaardigd en aan [slachtoffer 3] heeft verzonden dan wel dit heeft laten doen. Het hof verwerpt het verweer.

Gelet op de aard en de inhoud van de onderhavige tekening, welke kennelijk op [slachtoffer 3] is gericht, en de achtergrond waartegen deze kennelijk is verzonden, zoals van een en ander uit de ter zake gebezigde bewijsmiddelen blijkt, is het hof van oordeel dat bij [slachtoffer 3] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.

Ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde.

Van de zijde van verdachte is met betrekking tot het onder 5 bewezen verklaarde aangevoerd dat bij gebrek aan voldoende wettige en overtuigende bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte dit feit heeft begaan, zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de ter zake door het hof gebezigde bewijsmiddelen komt het volgende naar voren.

[slachtoffer 5] (geboren in Marokko, Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit) heeft verklaard dat verdachte hem met gebalde vuist tegen het hoofd heeft geslagen, dat hij daardoor viel en dat verdachte een stok van een zwabber tegen de keel van [slachtoffer 5] heeft gedrukt. Nu de verklaring van [slachtoffer 5] bevestiging vindt in het ter zake door [naam] opgemaakte rapport, inhoudende dat [naam] op 8 november 2006 heeft gezien dat verdachte met de steel van een zwabber de keel van [slachtoffer 5] probeerde dicht te drukken, alsmede in het op 18 november 2006 door verdachte met [naam] gevoerde telefoongesprek, waarin verdachte aangeeft dat hij ‘net uit de iso is, die gast een keer heeft geslagen en ie toen lag’, en in het op 20 november 2006 door verdachte met zijn zus gevoerde telefoongesprek, waarin verdachte vertelt dat hij ‘een Marokkaan heeft geslagen en op de iso heeft gezeten’, acht het hof de verklaring van [slachtoffer 5], voor zover tot het bewijs gebezigd, met inbegrip van dat deel waarin hij aangeeft van verdachte een kopstoot te hebben gekregen, betrouwbaar en als zodanig bruikbaar. Tezamen met de overige bewijsmiddelen acht het hof voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig om daarop een bewezenverklaring te kunnen gronden. Het hof verwerpt het verweer.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die zouden moeten leiden tot andere oordelen dan hiervoor zijn gegeven.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 317, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 45, eerste lid, van die wet.

Het onder 2 en 3 (telkens) bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 4 en 5 bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Bij de straftoemeting heeft het hof rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 5 juni 2008 eerder ter zake van bedreiging en (ernstige) geweldsdelicten is veroordeeld;

- de omstandigheid dat verdachte de bewezen verklaarde feiten gedurende en vanuit zijn detentie heeft gepleegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 57, 63, 285, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 7 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder

1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde oplevert:

1.

Poging tot afpersing.

2.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

3.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

en

Bedreiging met zware mishandeling.

4.

Mishandeling.

5.

Mishandeling.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. H. Eijsenga, voorzitter, mr. M.J.H.J. de Vries - Leemans en

mr. F. van Es,

in tegenwoordigheid van mr. T. Tanghe, griffier,

en op 23 december 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.