Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BG8069

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
20-000017-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2007:BC1123, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL6761, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BL6761
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikelen 312 en 317 (feit 1) en 282 (feit 2) Sr. 1. Schakelbewijs. Met betrekking tot het onder 2 bewezen verklaarde, welk feit direct na het onder 1 bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden, overweegt het hof dat ter terechtzitting in hoger beroep op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat, nadat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] het onder 1 bewezen verklaarde hadden begaan, een ander dan verdachte zich bij medeverdachte [medeverdachte] heeft gevoegd, zodat naar ’s hofs oordeel het bewijs voor wat betreft het onder 2 bewezen verklaarde kan steunen op de ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde en de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien. 2. Betrouwbaarheidsverweer. Van de zijde van de verdediging is - kort samengevat - aangevoerd dat de verklaringen van [getuige 2] niet tot het bewijs mogen worden gebezigd nu deze verklaringen tegenstrijdigheden bevatten en derhalve als onbetrouwbaar en als kennelijk leugenachtig van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Het hof overweegt hieromtrent het navolgende. [getuige 2] heeft op 2 oktober 2008 bij zijn verhoor tegenover de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank ’s-Hertogenbosch, op de vraag waarom hij niet “meteen de waarheid heeft verteld”, verklaard dat de reden hiervan is dat hij bang was voor medeverdachte [medeverdachte] en verdachte en dat hij, na enkele leugenachtige verklaringen te hebben afgelegd, de waarheid is gaan vertellen, omdat de politie tegen hem had gezegd dat hij niet bang hoefde te zijn, omdat zijn ouders, toen deze bij hem op bezoek kwamen, tegen hem hadden gezegd dat hij de waarheid moest vertellen en omdat hij had gehoord dat medeverdachte [medeverdachte] en verdachte waren opgepakt. Het hof acht deze verklaring van [getuige 2] redengevend en invoelbaar en acht de door [getuige 2] afgelegde verklaringen waarmee hij openheid van zaken heeft gegeven, welke verklaringen steun vinden in de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen voor zover tot het bewijs gebezigd, betrouwbaar en als zodanig bruikbaar voor het bewijs. Het hof verwerpt derhalve het verweer. Straf: gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000017-08

Uitspraak : 5 december 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 december 2007 in de strafzaak met parketnummer 01/855249-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1985],

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in Huis van Bewaring Grave (Unit A + B) te Grave.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis, waarbij verdachte ter zake van “Medeplegen van poging tot afpersing en/of diefstal met geweldpleging” (feit 1) en “Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven” (feit 2) werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest, en waarbij de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geheel werden toegewezen, telkens met oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, onder verbetering van de bewijsvoering met betrekking tot hetgeen door de rechtbank onder 2 bewezen is verklaard, zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 mei 2005 te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) dan verdachte, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] te dwingen tot de afgifte van geld en/of enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening weg te nemen geld en/of enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, heeft/hebben gehandeld als volgt:

- verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben zich naar de woning van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] begeven en/of (vervolgens)

- aan de voordeur gebeld en/of geklopt en/of (vervolgens)

- aan de achterzijde, dan wel op enige plek van die voordeur verwijderd, een hond, - die zich binnen de omheining van het terrein bevond en/of ter plaatse waar die [slachtoffer 1] zich ook bevond - neer- en/of doodgeschoten met een vuurwapen en/of (vervolgens)

- dat vuurwapen gericht op die [slachtoffer 1],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 10 mei 2005 te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert, en/of te Nijmegen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door tezamen en in vereniging met die ander(en), althans alleen toen en daar voornoemde [slachtoffer 2] opzettelijk en wederrechtelijk

- (met kracht) uit een auto te trekken en/of (vervolgens)

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, ter hand te nemen en/of (vervolgens)

- dat pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] te zetten/drukken en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 2] vast te pakken en/of in de kofferbak van die auto te duwen en/of (vervolgens)

- die kofferbak te sluiten en/of (vervolgens)

- te gaan rijden met die auto en/of (vervolgens)

- die kofferbak te openen en de polsen en/of enkels van die [slachtoffer 2] (met zogenaamde tie-rips) vast te binden en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 2] uit de auto te tillen en - terwijl die [slachtoffer 2] (aan polsen en/of enkels) vastgebonden was - achter te laten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 10 mei 2005 te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] te dwingen tot de afgifte van geld en/of enig goed toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of enig goed, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, hebben gehandeld als volgt:

- verdachte en zijn mededader hebben zich naar de woning van die [slachtoffer 1] en

[slachtoffer 3] begeven en vervolgens

- aan de voordeur gebeld en vervolgens

- een hond, - die zich binnen de omheining van het terrein bevond en ter plaatse waar die [slachtoffer 1] zich ook bevond - neergeschoten met een vuurwapen en vervolgens

- dat vuurwapen gericht op die [slachtoffer 1],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 10 mei 2005 te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert, en/of te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd door tezamen en in vereniging met die ander toen en daar voornoemde [slachtoffer 2] opzettelijk en wederrechtelijk

- met kracht uit een auto te trekken en vervolgens

- een pistool ter hand te nemen en vervolgens

- dat pistool tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] te zetten/drukken en vervolgens

- die [slachtoffer 2] vast te pakken en in de kofferbak van die auto te duwen en vervolgens

- die kofferbak te sluiten en vervolgens

- te gaan rijden met die auto en vervolgens

- die kofferbak te openen en de polsen en enkels van die [slachtoffer 2] met zogenaamde tie-rips vast te binden en vervolgens

- die [slachtoffer 2] uit de auto te tillen en - terwijl die [slachtoffer 2] aan polsen en enkels vastgebonden was - achter te laten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt (ondermeer) het navolgende.

- [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] wonen op het adres [adres] te Mill. Op 10 mei 2005 werd er tussen 20:45 uur en 21:05 uur aan de voordeur van voornoemde woning aangebeld. [slachtoffer 3] liep hierop naar de voordeur en zag door het spionnetje een man met een buitenlands - Turks of Marokkaans - uiterlijk staan. [slachtoffer 3] opende de voordeur niet, maar liep met [slachtoffer 1] en hun hond, die voor hen uitliep, naar de poort. Voor de poort op de oprit van de woning stonden twee personen, waarvan er één een vuurwapen met een geluiddemper had. De persoon met het wapen schoot op de hond en richtte vervolgens het wapen op [slachtoffer 1]. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] zijn hierop de schuur ingelopen.

- [slachtoffer 2], als beveiligingsbeambte werkzaam bij [naam bedrijf] te Nijmegen, was op 10 mei 2005 aan het surveilleren in Mill. Toen hij in een auto van het bedrijf [naam bedrijf] op het terrein van het bedrijf op de hoek [adres] stond, zag hij dat twee mannen naar de auto kwamen toegelopen. Eén van de mannen trok [slachtoffer 2] uit de auto en de ander drukte een vuurwapen met een geluiddemper tegen zijn slaap. Vervolgens werd er door de mannen een bak uit de kofferbak gehaald en werd [slachtoffer 2] door de mannen in de kofferbak geduwd. [slachtoffer 2] zag dat het op dat moment 21:10 uur was. De mannen spraken in een voor [slachtoffer 2] vreemde taal met elkaar. De auto is weggereden en is na enige tijd in Nijmegen gestopt. Daar is de kofferbak van de auto geopend en heeft één van de personen de polsen en enkels van [slachtoffer 2] met tie-rips vastgebonden. [slachtoffer 2] is vervolgens door beide personen uit de kofferbak van de auto getild en op de grond gelegd. De twee personen zijn vervolgens in de auto weggereden.

- [getuige 1], die een relatie had met medeverdachte [medeverdachte], heeft op 9 mei 2005 op verzoek van medeverdachte [medeverdachte] in België een auto gehuurd (een blauwe [merk auto] met kenteken [kenteken]) en heeft die auto aan medeverdachte [medeverdachte] uitgeleend. De auto zou op 10 mei 2005 om 18:00 uur worden geblokkeerd en kon vanaf dat tijdstip niet meer worden gestart, omdat de auto was voorzien van een programmeerbare startonderbreker om er voor te kunnen zorgen dat klanten de in het verhuurcontract overeengekomen gebruiksduur van het voertuig respecteren. [medeverdachte] heeft [getuige 1] op 9 mei 2005 afgezet en is met zijn beste vriend genaamd [naam], wiens bijnaam [naam] luidt, [zijnde verdachte, zo begrijpt het hof] en zijn neef [getuige 2] [zijnde [getuige 2], zo begrijpt het hof] in de auto naar Nederland gereden. Op het moment dat [getuige 1] de auto huurde lag er geen rommel in de auto, ook geen peuken. In de auto is door de vier genoemde inzittenden gerookt. [getuige 1] heeft medeverdachte [medeverdachte] op 11 mei 2005 gesproken en heeft van hem begrepen dat de auto het op 10 mei 2005 in Nederland niet meer deed en dat hij met de trein naar huis was gekomen.

- [getuige 3] is op 9 mei 2005 gebeld door [getuige 4] - die [getuige 3] en [getuige 2] eerder had gevraagd of zij mee wilden doen met het inbreken in garagebedrijven, waarop [getuige 2] had geantwoord dat hij wel mensen kende die [getuige 4] misschien konden helpen - met de vraag of deze hem wilde ophalen, omdat hij een afspraak had met [getuige 2] en twee Belgen. [getuige 3] en [getuige 4] zijn naar het station in ’s-Hertogenbosch gereden en hebben daar op [getuige 2] en de twee Belgen staan wachten. Op een gegeven moment kwam [getuige 2] met de twee Belgen aanrijden in een blauwe auto met een Belgisch kenteken. [getuige 4] is bij [getuige 2] en de twee Belgen in de auto gestapt. [getuige 3] is op 10 mei 2005 een beetje laat in de avond gebeld door [getuige 2], met de vraag of hij [getuige 2] wilde komen ophalen in Mill.

- [getuige 2] - die medeverdachte [medeverdachte] had verteld dat [getuige 3] en [getuige 4] een plan hadden om mensen te beroven, waarop medeverdachte [medeverdachte] had gezegd dat hij bereid was dergelijk werk te doen - is op 9 mei 2005 met medeverdachte [medeverdachte] en verdachte vanuit België naar ’s-Hertogenbosch gereden. Op 10 mei 2005 zijn medeverdachte [medeverdachte] en verdachte met [getuige 2] en [getuige 4], die door medeverdachte [medeverdachte] en verdachte waren opgepikt, met de [merk auto] naar Mill gereden en zij zijn langs de woning van een vriend van [getuige 4] gereden, die veel geld in huis zou hebben liggen. [getuige 4] had een plattegrond van de woning van die vriend bij zich, die hij zelf had getekend. Die vriend zou beroofd gaan worden. Op een gegeven moment wilde de [merk auto] niet meer starten. [getuige 4] is hierop weggelopen. [medeverdachte] heeft toen tegen [getuige 2] gezegd dat hij en verdachte een auto gingen stelen, waarop verdachte een vuurwapen heeft gepakt en bij zich heeft gestopt. [medeverdachte] heeft tegen [getuige 2] gezegd dat hij maar alleen achter moest blijven en zelf moest weten hoe hij naar huis zou gaan. Tien minuten later zag [getuige 2] een witte auto met een teken of letters van een bedrijf, waarin medeverdachte [medeverdachte] en verdachte zaten, voorbij scheuren. [medeverdachte] bestuurde die auto en verdachte zat op de bijrijderstoel. [getuige 2] heeft [getuige 3] gebeld en gevraagd of deze hem wilde komen ophalen. Bij de aanhouding van [getuige 2] bleek hij in het bezit te zijn van de sleutel van de [merk auto].

- De getuige [getuige 5], wonende aan de [adres] te Mill, heeft op 10 mei 2005 vanaf de inrit van zijn woning gezien dat twee donker getinte mannen bij een auto van het beveiligingsbedrijf op het terrein van [naam bedrijf] stonden, heeft gehoord dat deze mannen in een buitenlandse taal schreeuwden en heeft gezien dat deze mannen iets uit de auto gooiden en in volle vaart wegreden.

- Bij doorzoeking van de woning van [getuige 4] op 31 mei 2005 is ondermeer een plastic tas met tie-rips en een met pen getekende plattegrond, die overeenstemde met het autobedrijf en de woning van [slachtoffer 1] aan het [adres] te Mill, aangetroffen.

- Bij een sporenonderzoek aan de [merk auto], die op 11 mei 2005 in Mill is aangetroffen, is op een witte draagtas en een colafles een dactyloscopisch spoor, te weten een vingerafdruk, van medeverdachte [medeverdachte] aangetroffen. Voorts is bij dat sporenonderzoek op een sigarettenpeuk een DNA-profiel aangetroffen, dat overeenstemt met het DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte] en is op twee sigarettenpeuken, een koffieglas en een colafles een DNA-profiel aangetroffen, dat overeenstemt met het DNA-profiel van verdachte.

- Bij het sporenonderzoek op 10 mei 2005 aan de bedrijfsauto, kleur wit, van [slachtoffer 2] is aan de buitenzijde linksachter op de achterklep een dactyloscopisch spoor van medeverdachte [medeverdachte], te weten een handpalmafdruk, aangetroffen.

- Blijkens het onderzoek verkeersgegevens telefonie is er op 10 mei 2005 tussen 20:20 uur en 21:18 uur telefonisch contact geweest tussen medeverdachte [medeverdachte] en [getuige 1] via de communicatiemast te Mill. Voorts blijkt uit dat onderzoek dat er tussen 21:43 uur en 21:49 uur telefonisch contact is geweest tussen medeverdachte [medeverdachte] en [getuige 2] via de communicatiemast te Nijmegen.

Op grond van deze feiten en omstandigheden, een en ander in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, ook met hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen naar voren komt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Met betrekking tot het onder 2 bewezen verklaarde, welk feit direct na het onder 1 bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden, overweegt het hof dat ter terechtzitting in hoger beroep op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat, nadat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] het onder 1 bewezen verklaarde hadden begaan, een ander dan verdachte zich bij medeverdachte [medeverdachte] heeft gevoegd, zodat naar ’s hofs oordeel het bewijs voor wat betreft het onder 2 bewezen verklaarde kan steunen op de ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde en de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tevens het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Van de zijde van de verdediging is - kort samengevat - aangevoerd dat de verklaringen van

[getuige 2] niet tot het bewijs mogen worden gebezigd nu deze verklaringen tegenstrijdigheden bevatten en derhalve als onbetrouwbaar en als kennelijk leugenachtig van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

[getuige 2] heeft op 2 oktober 2008 bij zijn verhoor tegenover de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank ’s-Hertogenbosch, op de vraag waarom hij niet “meteen de waarheid heeft verteld”, verklaard dat de reden hiervan is dat hij bang was voor medeverdachte [medeverdachte] en verdachte en dat hij, na enkele leugenachtige verklaringen te hebben afgelegd, de waarheid is gaan vertellen, omdat de politie tegen hem had gezegd dat hij niet bang hoefde te zijn, omdat zijn ouders, toen deze bij hem op bezoek kwamen, tegen hem hadden gezegd dat hij de waarheid moest vertellen en omdat hij had gehoord dat medeverdachte [medeverdachte] en verdachte waren opgepakt. Het hof acht deze verklaring van [getuige 2] redengevend en invoelbaar en acht de door [getuige 2] afgelegde verklaringen waarmee hij openheid van zaken heeft gegeven, welke verklaringen steun vinden in de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen voor zover tot het bewijs gebezigd, betrouwbaar en als zodanig bruikbaar voor het bewijs. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Het hof is van oordeel dat overige door de verdediging gevoerde verweren, die - zo begrijpt het hof - in onderlinge samenhang bezien dienen te leiden tot vrijspraak van verdachte van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, worden weersproken door de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 317, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en/of artikel 312, eerste lid en tweede lid aanhef en onder 1° en 2°, van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 45, eerste lid, van die wet juncto artikel 47, eerste lid aanhef en onder 1°, van die wet.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 282, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 47, eerste lid aanhef en onder 1°, van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft bij de straftoemeting rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de angst die het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte en zijn mededader teweeg heeft gebracht bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3];

- het persoonlijke leed en de angst die het onder 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte en zijn mededader teweeg hebben gebracht bij [slachtoffer 2], zoals daarvan is gebleken ter terechtzitting in hoger beroep; hij heeft immers lange tijd in de veronderstelling geleefd dat zijn laatste uur had geslagen;

- het gewelddadige karakter van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die daarvan het gevolg is.

Het hof acht, gelet op het voorgaande, de hierna op te leggen straf zowel wat betreft strafsoort als strafmaat het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van en omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Het hof acht niet voldoende gebleken dat de gestelde schade door verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen is veroorzaakt. De benadeelde partij [slachtoffer 1] kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen, met een beslissing omtrent de kosten zoals hierna zal worden vermeld.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.000,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 47, 57, 282, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 en 2 bewezen verklaarde oplevert:

1.

Medeplegen van poging tot afpersing en/of diefstal met geweldpleging.

2.

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer 1], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij, [slachtoffer 1], in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of de mededader heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of de mededader heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat, indien en voor zover de mededader van verdachte aan de vordering heeft voldaan, de verdachte daarvan is bevrijd.

Aldus gewezen door mr. F. van Beuge, voorzitter, mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. W.J.B. Zeyl, leden,

in tegenwoordigheid van mr. T. Tanghe, griffier,

en op 5 december 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. W.J.B. Zeyl is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.