Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BG7769

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-12-2008
Datum publicatie
19-12-2008
Zaaknummer
20-004019-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot ontvoering te Tilburg. Uitvoeringshandelingen? Medeplegen? (Promis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-004019-07

Uitspraak : 18 december 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 19 oktober 2007 in de strafzaak met parketnummer 02-800832-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij verdachte terzake van (primair) “medeplegen van poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven” werd veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis en de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk werd verklaard in haar vordering.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [aangever] niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich niet opnieuw in hoger beroep gevoegd. De in het vonnis, waarvan beroep, gegeven beslissing op de vordering van de benadeelde partij is derhalve niet aan het oordeel van het hof onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende verdachte van het primair ten laste gelegde zal vrijspreken en verdachte terzake van het subsidiair ten laste gelegde zal veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit, dat verdachte van het tenlastegelegde integraal behoort te worden vrijgesproken.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 11 juli 2007 te Tilburg, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet

-een afspraak met die [aangever] gemaakt om naar Tilburg te komen en/of

-met zijn mededader(s) de afspraak gemaakt om die [aangever] mee te nemen naar een adres en/of

-een (vuur)wapen(s) meegenomen en/of

-die [aangever] gezegd dat hij zijn kofferbak moest openmaken en/of

-meermalen, althans eenmaal, een klap op/tegen het hoofd van die [aangever] gegeven en/of

-die [aangever] bij zijn jas vastgepakt en/of (vervolgens) de jas van die [aangever] over het hoofd van die [aangever] getrokken en/of die [aangever] (met kracht) meegenomen/getrokken in de richting van een bus en/of

-die [aangever] daarbij dreigend de woorden toegevoegd “kom mee, want we gaan de boot en de jetski halen” en/of “ik moet de boot hebben”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een ander op of omstreeks 11 juli 2007 te Tilburg, ter uitvoering van het door hen voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden, immers heeft/hebben verdachte(n) met dat opzet

-een afspraak met die [aangever] gemaakt om naar Tilburg te komen en/of

-met zijn mededader(s) de afspraak gemaakt om die [aangever] mee te nemen naar een adres en/of

-een (vuur)wapen(s) meegenomen en/of

-die [aangever] gezegd dat hij zijn kofferbak moest openmaken en/of

-meermalen, althans eenmaal, een klap op/tegen het hoofd van die [aangever] gegeven en/of

-die [aangever] bij zijn jas vastgepakt en/of (vervolgens) de jas van die [aangever] over het hoofd van die [aangever] getrokken en/of die [aangever] (met kracht) meegenomen/getrokken in de richting van een bus en/of

-die [aangever] daarbij dreigend de woorden toegevoegd “kom mee, want we gaan de boot en de jetski halen” en/of “ik moet de boot hebben”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen aldaar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf hij opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:

-die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een ander op of omstreeks 11 juli 2007 te Tilburg met een (personen)auto te vervoeren naar de [adres 1] en/of de [adres 2] en/of de [adres 3] en/of [adres 4], in elk geval te Tilburg;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 11 juli 2007 te Tilburg met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [adres 1] en/of de [adres 2], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal slaan op/tegen het hoofd van die [aangever] en/of het (met kracht) vastpakken van die [adres] en/of het (met kracht) trekken aan die [adres].

Vaststaande feiten

Het hof stelt het navolgende vast:

Op 2 juli 2007 heeft [medeverdachte 1] aan [betrokkene 1], zijnde de zoon van aangever [aangever], een boot en een jetski verkocht. Een week later, op 9 juli 2007, vernam deze [medeverdachte 1] van ene [betrokkene 2], dat die [betrokkene 1] niet te vertrouwen was. Naar aanleiding daarvan meende [medeverdachte 1] dat het onwaarschijnlijk was, dat hij zijn geld voor die boot en die jetski van [betrokkene 1] zou gaan ontvangen. [medeverdachte 1] heeft daarop een plan gesmeed om aangever naar een locatie in Tilburg te lokken en vervolgens in het busje van [medeverdachte 2] mee te nemen. Het was de bedoeling dat aangever de plek zou wijzen waar de boot en de jetski stonden en dat hij overtuigd zou worden die terug te geven.

Op 11 juli 2007 heeft [medeverdachte 1] aangever gebeld en hem volgens plan verteld, dat hij een envelop voor [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3], dochter van aangever) en [betrokkene 1] had liggen. Aangever is vervolgens samen met zijn dochter naar de woning van [medeverdachte 1] gegaan, zoals dat door hem en [medeverdachte 1] was afgesproken. Bij die woning aangekomen, zagen aangever en zijn dochter, [medeverdachte 1] en zijn neefje (het hof begrijpt: verdachte) aan komen rijden. Verdachte bestuurde die auto. Aangever moest vervolgens van [medeverdachte 1] achter hem en zijn neefje aan rijden naar een andere locatie. Deze locatie bleek bij de woning van [betrokkene 4] aan de [adres 3] te Tilburg te liggen.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend, dat hij de bestuurder was van de auto waarin hij en [medeverdachte 1] zaten en dat hij met [medeverdachte 1] naar de woning van [betrokkene 4] is gereden en dat toen aangever en zijn dochter achter hen aan reden.

Daar aangekomen zagen aangever en zijn dochter op enig moment een busje aan komen rijden, waar 3 of 4 mannen uitstapten. Eén van die mannen gaf aangever een paar vuistslagen en riep tegen hem dat hij de boot terug moest hebben. Aangever voelde dat die man zijn spijkerjas over zijn hoofd trok en hem in de richting van de bus trok. Deze persoon bleek achteraf [medeverdachte 2] te zijn. Deze heeft naar aangever “kom mee, want we gaan de boot en de jetski ophalen” geroepen.

De dochter van aangever trok naar aanleiding van het op haar vader toegepaste geweld een vuurwapen en loste daarmee enkele schoten, waarop de confrontatie tussen die mannen en haar vader tot een einde kwam.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

i.

Verdachte wordt primair verweten dat hij een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van [aangever] heeft medegepleegd, subsidiair dat hij daaraan medeplichtig is geweest en meer subsidiair dat hij openlijk in vereniging tegen deze [aangever] geweld heeft gepleegd.

ii.

Met betrekking tot zijn aandeel in het geheel heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring afgelegd, inhoudende:

-dat hij op 11 juli 2007 voor een groot deel van de dag in gezelschap is geweest van zijn neef [medeverdachte 1] en dat hij veel met hem optrekt;

-dat hij die dag heeft gehoord dat [medeverdachte 1] heeft gezegd dat deze door [betrokkene 1] zou zijn opgelicht bij de verkoop van de boot en de jetski en dat [medeverdachte 1] die goederen terug wilde hebben;

-dat hij wel wist dat het de bedoeling van [medeverdachte 1] was om de boot en de jetski terug te krijgen;

-dat hij ’s ochtends met [medeverdachte 1] vanuit diens woning met de auto, een Volkswagen Passat, is vertrokken en naar coffeeshop [coffeeshop] is gegaan;

-dat behalve [medeverdachte 1] en hijzelf [betrokkene 5] (het hof begrijpt: [betrokkene 5]), [betrokkene 6], en [medeverdachte 2] daar ook aanwezig waren;

-dat zij daarna weer zijn vertrokken, dit keer in de richting van de woning van [medeverdachte 1] en dat hij toen achter het stuur zat;

-dat bij de woning van [medeverdachte 1] aangever en zijn dochter stonden te wachten, dat zij vervolgens naar de woning van [betrokkene 4] zijn gereden en dat aangever en zijn dochter toen achter hen aanreden;

-dat hij de chauffeur was en dat [medeverdachte 1] als passagier in de auto zat;

-dat hij bij aankomst bij de woning van [betrokkene 4] aanstonds naar binnen is gegaan en pas na het horen van de schoten weer buiten is gekomen.

iii.

Zijdens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd, dat hij van de tenlastelegging integraal dient te worden vrijgesproken.

iv.

Daartoe is in de eerste plaats het standpunt betrokken, dat de in de tenlastelegging genoemde handelingen niet als een begin van uitvoering van het misdrijf wederrechtelijke vrijheidsberoving kunnen worden gekwalificeerd. Van een poging tot dat misdrijf is dan ook geen sprake.

v.

Het hof volgt de verdediging niet in dat standpunt. Daarbij heeft het het volgende in aanmerking genomen.

vi.

Uit het strafdossier blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 1] tegenover de politie meerdere verklaringen heeft afgelegd.

Zijn op 11 juli 2007 afgelegde verklaring houdt – voorzover te dezen van belang – het volgende in:

“Ik maakte een afspraak met de vader van [betrokkene 1]. Dat was vandaag, 11 juli 2007. Ik sprak met de vader af dat hij naar mijn woning zou komen. Ik heb de vader van [betrokkene 1] opgehaald bij mijn woning. Bij mij in de auto zat mijn neef [verdachte]. Wij zijn naar de [adres 4] gereden. Daar stond een kennis van mij te wachten. Deze kennis was [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] zat in een rode Pontiac Transporter te wachten op ons. Ik hoorde [medeverdachte 2] tegen [aangever] (het hof: de vader van [betrokkene 1]) zeggen: “wij gaan de boot en jet-scooter ophalen” [aangever] moest ons naar de boot en jet-scooter brengen.”

Zijn op 12 juli 2007 afgelegde verklaring houdt – voorzover te dezen van belang – het volgende in:

“Ik heb voor mezelf een plan verzonnen om de vader van [betrokkene 1] naar Tilburg te lokken, om op die manier de spullen terug te krijgen. Ik heb toen de vader gebeld en heb gezegd dat ik nog iets moest komen brengen. Ik had met [medeverdachte 2] en anderen afgesproken dat ik [aangever] bij mij thuis zou ontmoeten. Ik zou dan tegen hem zeggen dat een vriend de envelop zou hebben en zou hem naar een straat in de buurt van de [adres 1] nemen, waar [medeverdachte 2] zou wachten. Dan zouden wij hem vragen om mee te gaan, om de boot en de jetski op te halen.”

Zijn op 16 juli 2007 afgelegde verklaring houdt – voorzover te dezen van belang – ten slotte het volgende in:

“Op woensdag 11 juli 2007 bracht ik een bezoek aan coffeeshop [coffeeshop]. Ik was daar samen met [betrokkene 6], [betrokkene 5] (het hof: [betrokkene 5]) uit [woonplaats], [medeverdachte 2] en [verdachte] (het hof: verdachte). De zojuist genoemde personen, behalve [medeverdachte 2], waren eerder bij mij thuis, waar ik hen vertelde dat ik dacht dat ik was opgelicht in de verkoop van een jetski en een boot. Van tevoren had ik het plan gesmeed om [aangever] (het hof: aangever) mee te nemen in een busje om hem vervolgens te overtuigen om ons naar de boot te leiden die ik hem eerder die week had meegegeven, maar waarbij ik dacht dat hij die nooit ging betalen. Ik wist dat [medeverdachte 2] een Pontiac busje met trekhaak had, dat gebruikt zou kunnen worden voor mijn plan. Tijdens mijn lunch in de [coffeeshop] legde ik mijn plan ook voor aan [medeverdachte 2]. Het plan was dat [aangever] in het busje van [medeverdachte 2] mee zou rijden en ik met mijn neefje [verdachte] in mijn auto, een grijze Volkswagen Passat, achter het busje aan zou rijden.

De Passat had namelijk ook een trekhaak, zodat we de boot, alsmede de jetski weer mee konden nemen. Het was de bedoeling dat [aangever] ons de plek zou wijzen waar de boot en jetski zouden staan.”

vii.

Ter gelegenheid van zijn verhoor door de raadsheer-commissaris op 14 november 2008 heeft hij zonder voorbehoud verklaard, dat zijn tegenover de politie afgelegde verklaringen overeenkomstig de waarheid waren.

viii.

Behalve [medeverdachte 1] was ook [medeverdachte 2] bij het voorval betrokken. Ook hij heeft tegenover de politie meerdere verklaringen afgelegd.

Zijn op 12 juli 2007 afgelegde verklaring houdt – voorzover te dezen van belang – het volgende in:

“Ik heb gisteren, 11 juli 2007, van een persoon gehoord dat [medeverdachte 1] was opgelicht door [betrokkene 1]. Zij hadden een waterscooter en een boot afhandig gemaakt. Gistermorgen, 11 juli 2007, gingen wij met zijn allen wat eten bij de coffeeshop [coffeeshop]. Ik zat daar met [medeverdachte 1] en [verdachte], [betrokkene 6] en [betrokkene 5]. Daar begonnen wij te praten met [medeverdachte 1] over hetgeen zich had afgespeeld. [medeverdachte 1] vertelde mij dat hij die middag om 17.00 uur had afgesproken met die man (het hof: [aangever]). [medeverdachte 1] vertelde dat hij die waterscooter en de boot terug wilde hebben. Wij hadden toen met zijn allen besloten om met de Pontiac en de Passat ergens af te spreken met die mensen. Daar zouden wij met die man, de vader van die [betrokkene 1], de waterscooter en de boot terughalen. De twee auto’s die wij zouden meenemen hebben een trekhaak. Ik reed in de Pontiac de [adres 2] in en zag, dat de Mercedes van die [aangever] daar al voor de woning van [betrokkene 4] geparkeerd stond. [medeverdachte 1] had zijn Passat om de hoek geparkeerd. Ik reed de Pontiac naast de Mercedes en ik stapte uit. Ik liep op [aangever] af en gaf hem een klap met mijn rechterhand tegen zijn hoofd en pakte hem vervolgens vast bij zijn jas. Ik zei toen tegen hem: “Kom mee want we gaan de boot en de jetski ophalen”. Het was de bedoeling dat ik die man in de Pontiacbus van mij zou meenemen en dat er vanuit de Passat twee man bij in zouden stappen. Achter mij aan zou dan de Passat rijden en met zijn allen zouden wij dan naar de plaats gaan waar die [aangever] die boot en die jetski zou hebben geparkeerd.”

ix.

Voor een bewezenverklaring van een poging tot misdrijf is beslissend of de tenlastegelegde gedragingen, zoals die in het onderhavige geval in de tenlastelegging onder primair en subsidiair in de verfeitelijking door middel van liggende streepjes zijn opgesomd, kunnen worden beschouwd als gedragingen, die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het ten laste gelegde misdrijf, in casu wederrechtelijke vrijheidsberoving. Daarbij verdient opmerking dat deze uiterlijke verschijningsvorm naar objectieve maatstaven dient te worden beoordeeld.

x.

Uit hetgeen in de kolom “Vaststaande feiten” is weergegeven en uit de inhoud van de even onder vi. en viii. weergegeven verklaringen, is komen vast te staan, dat met aangever [aangever] onder valse voorwendselen een afspraak is gemaakt om naar Tilburg te komen, dat hij vervolgens – conform voorafgaande afspraak tussen de daders – mee is genomen naar een ander adres, dat hij daar enkele klappen heeft gekregen tegen het hoofd, dat zijn jas over zijn hoofd werd getrokken en dat hij in de richting van de bus van [medeverdachte 2] werd getrokken, zoals dat hierna wordt bewezenverklaard.

xi.

Deze gedragingen kunnen – getoetst aan de even onder viii. weergegeven maatstaven – niet anders worden uitgelegd, dan als te zijn gericht op de voltooiing van het ten laste gelegde misdrijf van wederrechtelijke vrijheidsberoving en zijn daarmee aan te merken als uitvoeringshandelingen van dat misdrijf.

Daarbij neemt het hof ten overvloede nog in aanmerking dat, gelijk uit de boven weergegeven bewijsmiddelen kan worden afgeleid, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] (en hun mededaders) daadwerkelijk de intentie hebben gehad om aangever [aangever] in de bus van [medeverdachte 2] mee te nemen naar de plek waar de jetski en de boot lagen. Dat dit resultaat niet is ingetreden is louter te wijten aan de niet van de wil van de daders afhankelijke omstandigheid, dat de dochter van aangever door middel van pistoolschoten de daders van hun verdere uitvoering heeft weten af te houden.

xii.

Het verweer, zoals dat onder iv. is samengevat, wordt mitsdien verworpen.

xiii.

In de tweede plaats is ten verweer aangevoerd, dat, voorzover er wel sprake mocht zijn een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving, er geen sprake is geweest van een vooropgezet plan waarvan verdachte op de hoogte is geweest, zodat hij niet als medepleger daarvan kan worden aangemerkt. Ook voor medeplichtigheid aan dat misdrijf schiet het wettig bewijs tekort. Verdachtes bijdrage bestond immers slechts hierin, dat hij [medeverdachte 1] van de ene plaats naar de ander heeft gechauffeerd en dat is onvoldoende om van medeplegen dan wel medeplichtigheid bij een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving te kunnen spreken.

xiv.

Voorzover het verweer berust op de stelling, dat er geen sprake is geweest van een vooropgezet plan tot wederrechtelijke vrijheidsberoving waarvan verdachte op de hoogte is geweest, faalt het, omdat de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden op grond van de inhoud van de onder vi. en viii. weergegeven verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], zomede op grond van verdachtes ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde en onder ii. weergegeven verklaring, niet aannemelijk zijn geworden.

xv.

Het hof is derhalve tot de overtuiging gekomen en het acht bijgevolg bewezen, dat verdachte wetenschap heeft gehad van het voornemen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] om [aangever] wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven – door hem eerst onder valse voorwendselen naar de woning van [medeverdachte 1] te lokken, vervolgens naar de plaats mee te nemen waar [medeverdachte 2] met zijn busje zou staan te wachten om aangever daarna mee te nemen naar de plek waar de boot en de jetski lagen – en dat hij zich daarvan desondanks niet heeft gedistantieerd. Integendeel, hij heeft die [medeverdachte 1] ter uitvoering van dat voornemen zowel naar de eerste als de tweede locatie gechauffeerd, wetende van wat zich daar zou gaan afspelen.

xvi.

Door met de genoemde wetenschap te handelen, zoals dat onder xv. is omschreven, heeft verdachte er in wezenlijke zin aan bijgedragen dat zijn mededaders de hierna bewezenverklaarde handelingen konden verrichten, waarmee zij zich schuldig maakten aan – kort gezegd – een poging tot ontvoering.

Gelet daarop is er tussen verdachte en zijn mededaders sprake geweest van een dermate bewuste en nauwe samenwerking, dat verdachte als medepleger van die poging tot ontvoering moet worden aangemerkt. Daaraan doet niet af dat verdachte niet actief heeft deelgenomen aan de poging om aangever te bewegen in het busje te stappen.

xvii.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), zomede de hiervoor vermelde vaststaande feiten, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 juli 2007 te Tilburg, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet

-een afspraak met die [aangever] gemaakt om naar Tilburg te komen en

-met zijn mededaders de afspraak gemaakt om die [aangever] mee te nemen naar een adres en

-meermalen een klap op/tegen het hoofd van die [aangever] gegeven en

-die [aangever] bij zijn jas vastgepakt en vervolgens de jas van die [aangever] over het hoofd van die [aangever] getrokken en die [aangever] (met kracht) getrokken in de richting van een bus en

-die [aangever] daarbij dreigend de woorden toegevoegd “kom mee, want we gaan de boot en de jetski halen” en “ik moet de boot hebben”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht junctis de artikelen 45, eerste lid, en 282, eerste lid, van die wet, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof komt tot een bewezenverklaring van – kort gezegd – het medeplegen van een poging tot ontvoering.

De eerste rechter heeft verdachte terzake van dat feit veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, maar is bij het bepalen van die vordering uitgegaan van een bewezenverklaring van minder dan wat het hof ten laste van verdachte heeft bewezenverklaard.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

In verband met de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op het volgende.

-de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

-de omstandigheid dat het hier gaat om een poging tot een ontvoering, gepaard gegaan met geweld tegen het slachtoffer, met (kennelijk) het uitsluitende doel om op buitengerechtelijke wijze een boot en een jetski van het slachtoffer terug te “vorderen”, dat wil zeggen: een zogenaamde “illegale incasso”;

-het gewelddadig karakter van het bewezenverklaarde en de maatschappelijke verontrusting die daarvan het gevolg is;

-de omstandigheid dat slachtoffers van dergelijke delicten vaak nog lange tijd last kunnen hebben van gevoelens van angst en onveiligheid.

In verband met de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

-de omstandigheid dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 27 oktober 2008 nog niet eerder terzake van strafbare feiten is veroordeeld;

-de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voorzover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Op grond van het bovenstaande kan naar ‘s hofs oordeel in beginsel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dat door verdachte is begaan en de omstandigheid dat verdachte bij de uitvoering van het bewezenverklaarde misdrijf niet een prominente rol heeft gehad, acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden een alleszins passend uitgangspunt.

Gelet op het blanco strafblad van verdachte is het hof evenwel van oordeel dat in het onderhavige geval met de oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de met evengenoemd uitgangspunt corresponderende duur kan worden volstaan.

Voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren vervult, zal het hof bevelen dat aan hem vervangende hechtenis zal worden opgelegd voor de hierna te vermelden duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 45, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Medeplegen van poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Aldus gewezen door

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. N.J.M. Ruyters en mr. J.G. Sillevis Smitt,

in tegenwoordigheid van mr. C.P.J. Scheele, griffier,

en op 18 december 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Sillevis Smitt is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.