Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BG7143

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
20-001732-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BO3976, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BO3976
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gedoogbeleid.

Openbaar Ministerie niet ontvankelijk in de strafvervolging ter zake van het telen c.q. aanwezig hebben van niet meer dan vijf hennepplanten, 256 gram henneptoppen en 740 gram hennepmateriaal, nu aangenomen moet worden dat de henneptoppen en het losse hennepmateriaal van diezelfde planten afkomstig zijn.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 348
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2009/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001732-08

Uitspraak: 17 december 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 april 2008 in de strafzaak met parketnummer 01-842029-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1981],

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij het openbaar ministerie in de strafvervolging niet ontvankelijk werd verklaard.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het openbaar ministerie in zijn strafvervolging ontvankelijk zal verklaren, het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake zal veroordelen tot een geldboete van EUR 350,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich, met aanvulling van de gronden, met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd:

1.

dat hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 10 september 2007 tot en met 30 september 2007 te Uden, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, (in of nabij een woonwagen gelegen [het hof leest: staande] aan de [adres]) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, een hoeveelheid/hoeveelheden hennep en/of hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

dat hij op of omstreeks 1 oktober 2007 te Uden (in of nabij een woonwagen gelegen [het hof leest: staande] aan de [adres]), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid/hoeveelheden van in totaal ongeveer 6712 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in de strafvervolging van verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Hiertoe is aangevoerd, zo begrijpt het hof de verdediging, dat het openbaar ministerie handelt in strijd met het onder de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie tot stand gekomen gedoogbeleid, door verdachte strafrechtelijk te vervolgen voor het telen c.q. het aanwezig hebben van vijf hennepplanten en het aanwezig hebben van het van die planten afgescheiden hennepproduct.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het ontvankelijkheidsverweer.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte beroept zich, zo begrijpt het hof, op het onder de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie tot stand gekomen en in de Aanwijzing Opiumwet d.d. 2 november 2000 (Stcrt. 2000, 250) - zoals gewijzigd bij de Aanwijzing Opiumwet d.d. 6 februari 2002 (Stcrt. 2002, 46) - en in de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs (Stcrt. 2000, 250) neergelegde en in de Staatscourant gepubliceerde “gedoogbeleid” ten aanzien van het telen c.q. aanwezig hebben van niet meer dan vijf hennepplanten. Het hof zal onderzoeken in hoeverre de verdachte een beroep hierop toekomt.

In dit verband stelt het hof voorop dat in deze zaak vast staat dat de politie op 1 oktober 2007 in speciekuipen nabij de woonwagen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] drie volgroeide en oogstrijpe hennepplanten heeft aangetroffen. Daarnaast trof de politie in de keuken van die woonwagen in totaal 96 gram geknipte henneptoppen aan en in de zogenoemde natte ruimte van die woonwagen een droogrek met in totaal 160 gram te drogen gelegde henneptoppen. Ten slotte trof de politie in de keuken van de woonwagen nog een hoeveelheid plantafval en verwerkte hennep aan. De hennepplanten, de henneptoppen en het overige hennepmateriaal had een totaalgewicht van 6712 gram.

In het hoofdstuk “Opsporing en vervolging” van de Aanwijzing Opiumwet (hierna: de Aanwijzing) is in onderdeel 2, waarvan het opschrift luidt “Middelen vermeld op lijst II onderdeel b (hennep-producten), anders dan een hoeveelheid van minder dan 30 gram” onder meer, voor zover

hier van belang, vermeld:

Teelt van cannabis.

In verband met de inwerkingtreding van de wet van 18 maart 1999 tot wijziging van de Opiumwet in verband met de invoering van een verhoogde strafmaat voor beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt, behoort onderscheid te worden gemaakt tussen de teelt en de beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Voor de goede orde: onder teelt worden hier, behalve telen in de taalkundige zin van dit woord, ook verstaan de andere in artikel

3 onder B van de Opiumwet genoemde handelingen.

(…)

Niet bedrijfsmatige teelt

In geval van teelt van niet meer dan 5 planten wordt aangenomen dat sprake is van niet beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Er volgt dan bij ontdekking politiesepot met afstand. Niet bedrijfsmatige teelt van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik heeft, indien de verdachte volwassen is, geen prioriteit.

In paragraaf 4 van het hoofdstuk Opsporing en vervolging van de Aanwijzing Opiumwet is als algemeen uitgangspunt ten aanzien van de middelen vermeld op lijst II onderdeel b (hennepproducten) verwoord:

De grens van wat gedoogd wordt ten aanzien van de verkoop van hennepproducten door coffeeshops is gesteld op 5 gram. Het ligt in de reden in beginsel eenzelfde grens te hanteren ten aanzien van het bezit van hennepproducten. Tot en met 5 gram, de geringe hoeveelheid voor eigen gebruik, wordt derhalve politiesepot toegepast.

In de Aanwijzing wordt verder nog overwogen dat de prioriteit ligt bij de beroeps- of bedrijfsmatige teelt, waarbij onder meer de hoeveelheid planten en het aantal oogsten dat

per jaar kan worden gehaald, een rol spelen, en voorts dat het in de rede ligt om voor de teelt een toegespitste regeling te hanteren omdat levend plantenmateriaal al snel de gewichtsgrens van 5 gram zal overtreffen.

Het hof stelt vast dat de Aanwijzing en de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs (hierna: de Richtlijn) ten aanzien van de niet als beroeps- of bedrijfsmatig handelen aan te merken teelt van hennepplanten uitsluitend een getalsmatige limiet stellen aan de hoeveelheid hennepplanten die in beginsel zonder het risico van strafvervolging geteeld mag worden

en dat deze beleidsregels geen verdere details bevatten betreffende bijvoorbeeld de maximaal toegestane omvang van de hennepplanten of de daarvan te verwachten oogst. Gelet hierop verstaat het hof de Aanwijzing en Richtlijn aldus dat het telen dan wel het aanwezig hebben van niet meer dan vijf hennepplanten – ongeacht de verdere specificaties van die planten – in beginsel niet strafrechtelijk wordt vervolgd, doch wordt afgedaan middels een (politie-)sepot. Voorwaarde is dan wel, zo leest het hof het bepaalde in onderdeel 2.2.1 van de Aanwijzing onder het opschrift “Niet bedrijfsmatige teelt”, dat door degene onder wie niet meer dan vijf hennepplanten worden aangetroffen, aanstonds daarvan afstand doet ter vernietiging.

In het onderhavige geval staat vast dat de op 1 oktober 2007 aangetroffen en in de daaraan voorafgaande periode hoeveelheid geteelde hennepplanten binnen het gedooggebied van vijf planten is gebleven. Voorts houdt het hof het er op grond van de inhoud van het relaas van verbalisant [verbalisant] (dossierpagina 4) voor dat door de verdachte, die blijkens het proces-verbaal van aanhouding als hoofdbewoner van de woonwagen werd aangemerkt, afstand is gedaan van de in beslag genomen goederen, waaronder, zo begrijpt het hof, de hennepplanten en hennepproducten. Het hof merkt in dit verband overigens op dat het zich in het voordeel van de verdachte aansluit bij het relaas van verbalisant [verbalisant], hoewel uit de door de verdachte tegenover de politie afgelegde verklaring volgt dat hij, anders dan door genoemde verbalisant is gesteld, géén afstand van de in beslag genomen goederen heeft gedaan.

Nu naar het oordeel van het hof door de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] samen is voldaan aan de daartoe gestelde voorwaarden, dient naar het oordeel van het hof in beginsel als uitgangspunt te worden genomen dat de verdachte er op mocht vertrouwen dat ten aanzien van het telen c.q. het aanwezig hebben van de hennepplanten geen strafrechtelijke vervolging tegen haar zou worden ingesteld.

Door de advocaat-generaal is tegen het gevoerde ontvankelijkheidsverweer onder meer ingebracht, kort gezegd, dat het gedoogbeleid in het onderhavige geval geen toepassing vindt, omdat de verdachte op 1 oktober 2007 niet alleen de hiervoor bedoelde hennepplanten teelde c.q. aanwezig had, maar tevens een andere door de Opiumwet bestreken strafbare gedraging pleegde (te weten het aanwezig hebben van een hoeveelheid losse hennepproducten met een gezamenlijk gewicht van meer dan 30 gram), die niet voldoet aan de in de Aanwijzing en Richtlijn bedoelde gedoogvoorwaarden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de verklaringen die de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] tegenover de politie hebben afgelegd, leidt het hof af dat zij kort voor het binnentreden van de politie in de woonwagen (twee) hennepplanten hadden geknipt en de afgeknipte delen van de hennepplanten in de keuken hadden gelegd en dat er nog drie (andere) hennepplanten buiten stonden. Voorts leidt het hof uit die verklaringen af dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte], toen de politie de woonwagen betrad, in de keuken van de woonwagen bezig waren met het knippen van de toppen van de afgeknipte hennepplanten, dat de toppen die in de keuken lagen van één plant afkomstig waren en dat er reeds (andere) toppen te drogen waren gelegd.

Naar het oordeel van het hof staat buiten redelijke twijfel vast dat de henneptoppen met een gezamenlijk gewicht van 96 gram, die de politie in de keuken van de woonwagen heeft aangetroffen, afkomstig waren van de hennepplant, die de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] op dat moment aan het knippen waren. Het hof houdt het er voorts voor dat ook de henneptoppen met een gezamenlijk gewicht van 160 gram, die in de “natte ruimte” van de woonwagen werden aangetroffen, afkomstig waren van de vijfde, kort voor het binnentreden van de politie, geoogste hennepplant. Concrete aanwijzingen van het tegendeel ontbreken. Het hof houdt hierbij in het voordeel van de verdachte rekening met het gegeven dat het dossier ten aanzien van de aangetroffen losse henneptoppen op onderdelen inconsistent is. Zo worden de henneptoppen met een gewicht van 160 gram op pagina 12 van het dossier omschreven als

“te drogen gelegde” en als “gedroogde” henneptoppen, terwijl deze kwalificatie op pagina 19 van het dossier niet terugkeert. Daarentegen worden op pagina 18 van het dossier de henneptoppen met een gezamenlijk gewicht van 96 gram juist wel als “gedroogde” hennep-toppen omschreven, terwijl deze, zoals hiervoor is vastgesteld, kort tevoren waren geoogst en derhalve nog als “nat” of “levend” plantenmateriaal aangemerkt dienen te worden.

Ten slotte merkt het hof in dit verband op dat op pagina 12 van het dossier door de politie wordt gesteld dat de drie hennepplanten die achter de woonwagen werden aangetroffen een gezamenlijk “nat” gewicht van 6456 gram hadden, terwijl uit het proces-verbaal op pagina 18 van het dossier blijkt dat een grote witte plastic zak een hoeveelheid in stukken geknipte hennepplanten bevatte met een totaalgewicht van 5716 gram, terwijl een grijze vuilniszak nog een hoeveelheid in stukken geknipte hennepplanten bevatte met een totaalgewicht van 740 gram. Naar het oordeel van het hof moet het er op grond van de bovenste foto op pagina 15 van het dossier voor gehouden worden dat met laatstbedoelde hoeveelheid hennepmateriaal het knipafval bedoeld wordt dat wordt opgevangen in een vuilniszak die is bevestigd aan de onderzijde van het door de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] gebruikte knipapparaat, zodat ook ten aanzien van deze hoeveelheid hennepmateriaal buiten redelijke twijfel aangenomen kan worden dat deze afkomstig is van de twee kort daarvoor gerooide hennepplanten.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel - in aanmerking nemende, zoals hiervoor overwogen, dat de door het openbaar ministerie opgestelde en openbaar gemaakte beleidsregels geen verdere details bevatten ten aanzien van bijvoorbeeld de omvang van de door het telen van niet meer dan vijf hennepplanten te verkrijgen hoeveelheid afgescheiden hennepproducten - dat een burger, die er op mag vertrouwen dat de overheid niet strafrechtelijk optreedt tegen het bezit van niet meer dan vijf hennepplanten, er in redelijkheid ook op mag vertrouwen dat niet strafrechtelijk wordt opgetreden tegen het bezit van het van diezelfde planten afgescheiden hennepproduct. Het hof neemt hierbij voorts in aanmerking dat niet valt in te zien, zou het overheidsbeleid op dit punt anders uitgelegd moeten worden, wat voor de burger de toegevoegde waarde zou zijn van het gedogen van het telen c.q. aanwezig hebben van niet meer dan vijf hennepplanten als niet die planten geoogst zouden mogen worden ten behoeve van het eigen gebruik van het afgescheiden hennepproduct. Hierbij verdient opmerking dat het hof ambtshalve bekend is dat de planten van het geslacht Cannabis nu eenmaal worden geteeld met het oog op de oogst van de toppen die deze planten op een gegeven moment plegen te vormen, welke toppen in de regel het hoogste gehalte aan werkzame stof (THC) bevatten. Voorts verdient opmerking dat reeds in de hiervoor bedoelde, uit het jaar 2000 daterende Aanwijzing is gesteld dat het in de rede ligt om voor de teelt van hennepplanten (toevoeging hof: bedoeld wordt hier de niet beroeps- of bedrijfsmatige teelt)

een toegespitste regeling te hanteren omdat levend plantenmateriaal al snel de gewichtsgrens van 5 gram zal overtreffen.

Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de verdachte er in dit geval niet op zou mogen vertrouwen dat strafrechtelijk optreden achterwege zou blijven - zoals bijvoorbeeld het gelijktijdig bezit van niet meer dan vijf hennepplanten en het bezit van een hoeveelheid losse hennepproducten met een gewicht boven de gedooggrens van 5 gram, wanneer deze hennepproducten evident niet van diezelfde hennepplanten afkomstig (kunnen) zijn of het bezit van een hoeveelheid of hoeveelheden losse hennepproducten waarvan de aard of omvang aanleiding geven te vermoeden dat sprake is van handelsactiviteiten – zijn niet aannemelijk geworden.

Gelet op het voorgaande komt het hof, met de verdediging, tot de conclusie dat het openbaar ministerie in deze zaak heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde door, in tegenstelling tot hetgeen in de hiervoor genoemde Aanwijzing en Richtlijn is bepaald, de verdachte te vervolgen voor het telen dan wel het aanwezig hebben van 5 hennepplanten en het aanwezig hebben van een hoeveelheid van diezelfde planten afkomstige hennepproducten.

Het openbaar ministerie dient daarom in zijn strafvervolging niet ontvankelijk te worden verklaard.

Hetgeen door de verdediging verder nog naar voren is gebracht, behoeft op grond van het vorenstaande geen bespreking.

BESLISSING

Het hof:

bevestigt, met aanvulling van de gronden, het vonnis waarvan beroep.

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. N.J.L.M. Tuijn en mr. F. van Beuge,

in tegenwoordigheid van dhr. J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 17 december 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. O.M.J.J. van de Loo is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.