Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BG6659

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
12-12-2008
Zaaknummer
HD 200.005.949
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering echtgenoot (die i.v.m. huwelijksproblemen uit de woning was vertrokken) tot toelating tot de huurwoning na opzegging en vertrek uit die woning door de andere echtgenoot. Vaststellen of medehuurderschap van de echtgenoot behouden is gebleven ondanks zijn (tijdelijke) vertrek uit de woning leent zich niet voor onderzoek in kort geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. JK

zaaknummer HD 200.005.949

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 2 december 2008,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

hierna: “[X.]”,

appellant bij exploot van dagvaarding van 6 mei 2008,

advocaat: mr. J.W. Weehuizen,

tegen:

de stichting STICHTING WONENBREBURG,

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: “WonenBreburg”,

geïntimeerde bij voormeld exploot,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het hoger beroep van de door de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda, sector Kanton, locatie Tilburg gewezen vonnis van 3 april 2008 tussen [X.] als eiser en WonenBreburg als gedaagde.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis met zaak/rolnummer 479975 VV EXPL 08-20.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

Bij memorie van grieven, met producties, heeft [X.] zes grieven aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. Hij heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen in eerste aanleg van [X.] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van WonenBreburg in de proceskosten in beide instanties. Aansluitend heeft [X.] bij akte nog een productie in het geding gebracht.

Bij memorie van antwoord, met één productie, heeft WonenBreburg de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [X.] in de proceskosten.

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van hoger beroep

Hiervoor wordt verwezen naar de grieven en de daarop gegeven toelichting, zoals vermeld in de memorie van grieven.

4. De beoordeling

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

[X.] is op 9 augustus 1999 gehuwd met [Y.] (hierna: “[Y.]”).

[Y.] heeft met ingang van 1 september 2000 van een rechtsvoorganger van WonenBreburg gehuurd de woning gelegen aan het [adres A.], [postcode] [plaatsnaam] (hierna: de “woning”).

[Y.] heeft op 23 mei 2007 een adresonderzoek aangevraagd bij de gemeente [gemeentenaam]. Als redenen voor het instellen van het onderzoek heeft [Y.] aangegeven:

i.v.m. veel problemen o.a. betreffende uitkering wil aanvraagster dat man wordt uitgeschreven. Deze problemen zijn volgens haar ook bekend bij politie en gemeente. De man zou in [verblijfplaats] verblijven bij ex-vrouw [Z.].

De gemeente [gemeentenaam] heeft na onderzoek met ingang van 31 juli 2007 [X.] uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie: adres onbekend. [X.] heeft zich met ingang van 30 oktober 2007 ingeschreven op het adres van zijn zuster: [adres B.], [postcode] [plaatsnaam].

[Y.] heeft de woning eind januari 2008 verlaten en is naar een Blijf-van-m’n-lijfhuis vertrokken. Zij heeft op 31 januari 2008 de huur opgezegd tegen 1 februari 2008. WonenBreburg heeft deze opzegging aanvaard. De woning is in februari 2008 door WonenBreburg in overleg met [Y.] leeggehaald en de inboedel is tijdelijk ten behoeve van [Y.] opgeslagen.

[Y.] heeft op 3 maart 2008 de volgende verklaring afgelegd en ondertekend:

Bij deze verklaar ik (…) dat met ingang van 23 mei 2007 [X.] (…) niet meer woonachtig was op het adres [adres A.] te [plaatsnaam].

Ik heb [X.] op 23 mei 2007 laten uitschrijven bij de afdeling bevolking van de [gemeentenaam] in verband met huiselijke problemen en omdat hij bij een andere vrouw zou verblijven in [verblijfplaats]. Wij liggen momenteel ook in een scheiding.

[X.] heeft bij dagvaarding in kort geding van 14 maart 2008 gevorderd: veroordeling van WonenBreburg om binnen 24 uur na betekening van het vonnis de woning aan het [adres A.] te [plaatsnaam] aan hem ter beschikking te stellen, met machtiging zich zelf toegang tot het gehuurde te verschaffen zonodig met hulp van de sterke arm, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Bij vonnis van 3 april 2008 heeft de kantonrechter de vorderingen van [X.] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van WonenBreburg.

[X.] kan zich niet met het vonnis van de kantonrechter verenigen en komt daarvan in hoger beroep.

De grieven van [X.] betreffen alle de beslissing van de kantonrechter dat [X.] op 1 februari 2008 geen medehuurder van de woning was en dat hij na de beëindiging van de huurovereenkomst met [Y.] niet van rechtswege huurder is geworden. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Het hof stelt voorop dat [X.] in elk geval tot 1 februari 2008 de echtgenoot van de contractuele huurster [Y.] was. Uit het bepaalde in artikel 7:266 lid 1 BW volgt dan dat hij medehuurder is geweest zolang de woning hem tot hoofdverblijf heeft gestrekt. In artikel 7:266 lid 4 BW is bepaald dat het hoofdverblijf niet wijzigt indien de echtgenoot hetzij ingevolge een voorlopige voorziening bij echtscheiding hetzij ingevolge een onderlinge overeenstemming in verband met een verzoek tot echtscheiding niet het gebruik van de woning heeft.

[X.] voert aan dat de woning hem tot 1 februari 2008 tot hoofdverblijf heeft gediend. Hij is daar blijven wonen ook nadat de gemeente [gemeentenaam] hem na een adresonderzoek met ingang van 31 juli 2007 heeft uitgeschreven en nadat hij zich met ingang van 30 oktober 2007 op het adres van zijn zuster heeft ingeschreven. Dit laatste was een opzetje om te waarborgen dat aan [Y.] een uitkering werd verstrekt. [X.] beroept zich op verklaringen van familieleden en een aantal buren (waaronder mevrouw [D.]) dat hij ook na 31 juli 2007 in de woning verbleef, alsmede op een brief van [Y.] van 6 maart 2008 die onder meer inhoudt “Mijn man was soms dag en nacht weg, maar is altijd hoofdbewoner geweest, tot mijn vertrek naar Blijf van mijn lijfhuis.”

Subsidiair heeft [X.] zich erop beroepen dat

– voor zover hij na 31 juli 2007 niet meer het gebruik van de woning heeft gehad - er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:266 lid 4 BW, te weten dat hij in verband met de voorgenomen echtscheiding tijdelijk elders verbleef.

WonenBreburg heeft zich beroepen op de verklaringen van de heer [E.] van de gemeente [gemeentenaam] en van de heer [F.], de wijkbeheerder. Beide personen zijn door de kantonrechter als informant gehoord op de zitting van 20 maart 2008. De heer [E.] heeft verklaard dat [X.] tijdens huisbezoeken “soms wel en soms niet aanwezig was” en dat [X.] daarover vertelde dat hij “slechts op bezoek” was. De heer [F.] heeft in zijn schriftelijke verklaring van 19 maart 2008 verklaard:

Hierbij verklaar ik dat ik de laatste 6 maanden de heer [X.] niet veel aangetroffen heb op het adres [adres A.] te [plaatsnaam].

Mevr. [Y.] heeft tegenover mij verklaard dat de heer [X.] niet meer woonachtig is op het bovengenoemd adres en dat ze in echtscheiding was. Ik zag hem wel eens voor de woning staan of zitten in zijn auto aan de zijkant van het bovengenoemd adres.

WonenBreburg heeft zich verder beroepen op een brief van 19 maart 2008 van WonenBreburg aan mevrouw [D.], wonende aan het [adres C.] te [plaatsnaam], welke brief mevrouw Weel voor akkoord heeft ondertekend. Deze brief houdt voor zover hier van belang het volgende in:

In navolging op uw gesprek met mijn collega’s [F.] en [G.], bevestig ik het gesprek als volgt.

Tijdens het gesprek heeft u aangegeven dat [X.] bij u is langs geweest met de vraag of u wilt verklaren dat hij op het [adres A.] woonachtig was. U gaf aan hier ja op geantwoord te hebben.

Echter gaf u in het gesprek met mijn collega’s [F.] en [G.] aan dat u [X.] gedurende 6 maanden niet meer op het adres gezien heeft.

Het hof komt tot het volgende oordeel.

De omstandigheden dat [X.] met ingang van 31 juli 2007 is uitgeschreven van het adres [adres A.] te [plaatsnaam] en dat hij zich met ingang van 30 oktober 2007 heeft laten inschrijven op het aders van zijn zuster aan de [adres B.] te [plaatsnaam] leveren naar voorlopig oordeel van het hof onvoldoende aanwijzingen op ten aanzien van de feitelijke verblijfplaats van [X.] in die periode.

De door partijen overgelegde verklaringen spreken elkaar tegen. [Y.] heeft bijvoorbeeld op 3 maart 2008 aan WonenBreburg verklaard dat [X.] vanaf 23 mei 2007 geen verblijf meer hield in de woning. Op 6 maart 2008 heeft zij op verzoek van de advocaat van [X.] verklaard dat [X.] soms dag en nacht weg was, maar daar nog wel hoofdbewoner was. Uit de verklaring van de gemeenteambtenaar [E.] blijkt dat hij [X.] in die periode nog regelmatig in de woning aantrof. De omstandigheid dat [X.] dan zei dat hij “slechts op bezoek was” kan ook zo worden uitgelegd dat hij de uitkering van [Y.] niet in gevaar wilde brengen.

Zonder nader feitelijk onderzoek, al dan niet door middel van getuigenverhoren, is vooralsnog onduidelijk of [X.] ten tijde van de huuropzegging nu wel of niet zijn hoofdverblijf in de woning had. In dit kort geding is voor een dergelijk onderzoek geen plaats.

Daarbij komt dat tijdens de procedure in hoger beroep is gebleken dat WonenBreburg de woning inmiddels aan derden heeft verhuurd. Weliswaar merkt [X.] in zijn akte in appel van 1 juli 2008 op dat de woning nog leegstaat, maar WonenBreburg heeft als productie bij de nadien genomen memorie van antwoord een huurcontract met de nieuwe bewoner, ingaande 26 mei 2008, in het geding gebracht. Aldus heeft WonenBreburg de stelling van [X.] voldoende gemotiveerd betwist. Het hof heeft geen aanleiding om aan te nemen dat de woning niet door de nieuwe huurder in gebruik is genomen.

De vordering van [X.] om tot de woning te worden toegelaten is gelet hierop niet meer toewijsbaar. Welke gevolgen dit heeft voor een eventueel huurderschap van [X.] kan in een door [X.] aan te spannen bodemzaak aan de orde komen. In die procedure kan tevens nader worden onderzocht of [X.] ten tijde van de huuropzegging zijn hoofdverblijf had in de woning.

Het vonnis van de kantonrechter zal worden bekrachtigd onder aanvulling van de gronden waarop het berust.

Het hof ziet aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren, nu de bekrachtiging van het vonnis in eerste aanleg zijn oorzaak vindt in na het uitbrengen van de appeldagvaarding ingetreden nieuwe feiten, te weten dat WonenBreburg de woning inmiddels aan een ander heeft verhuurd.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep onder aanvulling van de gronden waarop het berust;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 december 2008.