Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BG6586

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
11-12-2008
Zaaknummer
HV 200.014.029-01 & HV 200.014.030-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen schuldenvrije positie aan einde looptijd; bij eventuele verlenging wordt vrij te laten bedrag niet verhoogd t.b.v. aflossing schulden.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 354
Faillissementswet 354
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BSU

10 december 2008

Sector Civiel recht

Zaaknummer HV 200.014.029/01 & HV 200.014.030/01

Zaaknummers eerste aanleg R 05.475 en R. 05.476

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Arrest

in de zaken in hoger beroep van:

[X.] en [Y.],

echtelieden, beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: [XY. c.s.],

advocaat: mr. D.M. Terpstra.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de vonnissen van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 september 2008, waarvan de inhoud bij [XY. c.s.] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij inhoudelijk gelijkluidende beroepschriften, ingekomen ter griffie op 19 september 2008, hebben [XY. c.s.] verzocht de bestreden vonnissen te vernietigen voorzover daarbij is vastgesteld dat zij toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen en voorzover nodig opnieuw rechtdoende:

Primair: de schuldsaneringsregeling van appellanten te beëindigen met een schone lei;

Subsidiair: te bepalen althans te verstaan dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van appellanten wordt verlengd voor de duur van één jaar, althans voor de duur van een door het hof in goede justitie te bepalen periode.

2.2. Gelet op de verknochtheid van de beide onder HV 200.014.029/01 en HV 200.014.030/01 ter griffie ingeschreven zaken, heeft het hof de beide zaken gevoegd, opdat zij gezamenlijk zullen worden behandeld en beslist.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg d.d. 18 augustus 2008;

- de stukken van de eerste aanleg, aan het hof toegezonden door de advocaat van [XY. c.s.] op 2 oktober 2008;

- de brief d.d. 13 november 2008 van de bewindvoerder, mr. W.M. Welage;

- de brief van 25 november 2008 van de advocaat van [XY. c.s.];

- de brief van 27 november 2008 met bijlagen van de advocaat van [XY. c.s.]

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 december 2008. Bij die gelegenheid zijn [XY. c.s.]en hun advocaat, alsmede de bewindvoerder gehoord.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van de beroepschriften.

4. De beoordeling

4.1. Bij vonnissen van voormelde rechtbank van 25 juli 2005 is ten aanzien van [XY. c.s.] de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Het gezamenlijke saneringsplan is vastgesteld op 27 juli 2005, waarbij de termijn van de schuldsanering is bepaald op 3 jaar, te rekenen vanaf 25 juli 2005.

4.2. Bij de vonnissen, waarvan beroep, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 354 lid 1 Fw (oud) op voordracht van de rechter-commissaris d.d. 1 augustus 2008 vastgesteld dat [XY. c.s.] toerekenbaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zijn tekortgeschoten en om die reden de schuldsaneringsregeling beëindigd zonder toekenning van de schone lei.

4.3. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.

De rechtbank is van oordeel dat de schuldenaren tekort zijn geschoten in de nakoming van de informatieverplichting daar zij de bewindvoerder slechts informatie hebben verschaft als hen daar nadrukkelijk om werd gevraagd. De schuldenaren zijn er door de bewindvoerder immers regelmatig op geattendeerd dat zij de bewindvoerder uit eigen beweging op de hoogte dienen te houden van juiste, actuele en volledige gegevens die van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de regeling.

Indien de schuldenaren de bewindvoerder eerder op de hoogte hadden gebracht van de schuld bij de zorgverzekeraar, dan had er wellicht nog een oplossing gevonden kunnen worden om die schuld gedurende de looptijd, dan wel gedurende een verlenging van de regeling in te kunnen lopen.

De nieuwe schuld van circa € 7.000,-- die de schuldenaren hebben laten ontstaan bij de zorgverzekeraar ziet de rechtbank als een ernstige tekortkoming in de nakoming van hun verplichting geen nieuwe schulden te laten ontstaan gedurende de schuldsaneringsregeling. Dat de zorgverzekeraar geen incassotraject heeft opgestart nu de schuldenaren toegelaten zijn tot de schuldsaneringsregeling kan naar het oordeel van de rechtbank niet als een verontschuldiging gelden.

Weliswaar valt de zorgverzekeraar mogelijk ook enige verantwoordelijkheid te verwijten voor het oplopen van de nieuwe schuld, dit neemt echter niet weg dat de schuldenaren zelf eindverantwoordelijk blijven voor een correcte betaling van hun vaste lasten. De rechtbank oordeelt voorts dat de hoogte van de nieuwe schuld bij de zorgverzekeraar nauw samenhangt met de nakoming van de informatieverplichting. Dienaangaande heeft de rechtbank al overwogen dat, indien de schulde- naren de bewindvoerder correct hadden geïnformeerd, deze nieuwe schuld niet zo hoog was opgelopen dan wel dat er al in een eerder stadium van de schuldsaneringsregeling een betalingsregeling getroffen had kunnen worden. De schuldenaren hebben de bewindvoerder echter de mogelijkheid ontnomen om hier tijdig op te kunnen reageren. De rechtbank is van oordeel dat de schuld van € 7.000,-- bovenmatig is.

De rechtbank heeft in haar overwegingen het voorstel van de bewindvoerder om de regeling met maximaal twee jaar te verlengen meegenomen, maar is van oordeel dat het voorstel aan de zorgverzekeraar om de lopende premie stop te zetten, totdat de nieuwe schuld in zijn totaal is afgelost, niet getuigt van de goede wil van de schuldenaren om zich in te zetten voor een schuldenvrije toekomst. De stelling van de schuldenaren dat ze het betalingsvoorstel aan de zorgverzekeraar in een soort van wanhoopsdaad hebben gedaan doet daar verder niet aan af.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de schuldenaren in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zijn tekortgeschoten, en dat niet is gebleken dat deze tekortkoming niet aan de schuldenaren kan worden toegerekend. Nu het gaat om het tekortschieten in de nakoming van kernverplichtingen van de schuldsanerings- regeling ziet de rechtbank geen aanleiding voor toepassing van artikel 354 lid 2 Fw. De rechtbank is mitsdien van oordeel dat de schuldsaneringsregeling dient te worden beëindigd zonder toeken¬ning van de schone lei.

4.4. [XY. c.s.] hebben in hun beroepschriften aangevoerd dat zij naar hun mening niet zijn tekortgeschoten in voldoende nakoming van de informatieverplichting. In dit verband hebben zij erop gewezen dat als gevolg van de postblokkade de bewindvoerder als eerste alle aan hen gerichte poststukken heeft ontvangen en van de inhoud daarvan heeft kunnen kennisnemen en dat zij ook overigens de bewindvoerder meermalen uit eigen beweging hebben voorzien van voor een goed verloop van de regeling relevante informatie.

Zij hebben daarnaast aangevoerd dat zij ten aanzien van de schuld bij CZ oprecht in de veronderstelling verkeerden dat die schuld pas na het eindigen van de schuldsaneringsregeling een rol zou spelen en dat pas na het eindigen van de schuldsaneringsregeling eventueel een incassotraject tegen hen zou worden gestart en aldus deze schuld niet van invloed zou zijn op het verloop van de schuldsaneringsregeling of op hun positie in die regeling. [XY. c.s.] hebben er in dit verband nog op gewezen dat zij gedurende de gehele periode van de schuldsanering nimmer enig bericht van CZ hebben ontvangen over een openstaande betalingsverplichting, anders dan de maandelijkse factuur voor de premie.

4.5. In zijn brief d.d. 25 november 2008 aan het hof heeft de advocaat van [XY. c.s.] aan het hof bericht dat de werkgever van [X.] zich bereid heeft verklaard de schuld van [XY. c.s.] bij CZ in één keer te voldoen. De advocaat van [XY. c.s.] heeft daarbij het voorbehoud gemaakt dat de schone lei wordt toegekend. Ter zitting van het hof heeft de advocaat van [XY. c.s.] toegelicht dat in dat geval verlenging van de schuldsaneringsregeling niet meer nodig zal zijn.

4.6. In zijn brief d.d. 27 november 2008 heeft de advocaat van [XY. c.s.] aan het hof bericht dat op de derdenrekening van zijn kantoor een bedrag van € 6.876,46 van de werkgever van [X.] is ontvangen en dat CZ schriftelijk heeft bevestigd dat bij doorbetaling van voornoemd bedrag aan CZ finale kwijting door haar aan [XY. c.s.] wordt verleend.

4.7. Het hof oordeelt als volgt. De rechtbank is terecht en op goede gronden, welke gronden het hof overneemt en tot de zijne maakt, tot het oordeel gekomen dat de schuldsaneringsregeling dient te worden beëindigd zonder toekenning van de schone lei. [XY. c.s.] hebben onvoldoende weersproken dat zij de bewindvoerder slechts informatie hebben verschaft als hen daar nadrukkelijk om werd gevraagd en dat zij er door de bewindvoerder regelmatig op zijn geattendeerd dat zij de bewindvoerder uit eigen beweging op de hoogte dienden te houden van juiste, actuele en volledige gegevens die van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de regeling. [XY. c.s.] hebben erkend dat zij de door hen verschuldigde premies van de ziektekostenverzekering niet hebben voldaan, terwijl bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag wel rekening was gehouden met de betaling van de premies ziektekostenverzekering als een van de vaste lasten. [XY. c.s.] hebben voorts erkend dat zij de bewindvoerder er niet van op de hoogte hebben gesteld dat zij bedoelde premies niet betaalden. Vaststaat dat als gevolg van het niet betalen van die premies tijdens de looptijd van de schuldsanering een aanzienlijke schuld van ongeveer € 7.000,-- is ontstaan.

Aan het vorenstaande kan niet afdoen dat [XY. c.s.], zoals zij in hun beroepschriften en ter zitting hebben gesteld, in de veronderstelling verkeerden dat deze schuld pas na het eindigen van de schuldsaneringsregeling een rol zou spelen. Ook in deze veronderstelling is er immers aan het einde van de schuldsaneringsregeling sprake van een aanzienlijke schuld. Evenmin kan daaraan afdoen dat de werkgever van [X.] bereid is gebleken aan [XY. c.s.] een bedrag van € 6.876,47 te beschikking te stellen en dat CZ ermee akkoord is gegaan om aan [XY. c.s.] ten behoeve van de totale schuld van € 7.300,20 finale kwijting te verlenen bij doorbetaling van genoemd bedrag van € 6.876,47 aan CZ. Desgevraagd hebben [XY. c.s.] ter zitting van het hof verklaard dat het door de werkgever van [X.] ter beschikking gestelde bedrag van € 6.876,47 geen schenking betreft en dat dit bedrag uit de reiskostenvergoeding die [X.] ontvangt of uit de vergoeding voor in de toekomst door [X.] te maken overuren moet worden terugbetaald. Uitgaande van deze situatie is er dus sprake van het - aan het einde van de termijn - ontstaan van een aanzienlijke nieuwe schuld, zodat van een schuldenvrije positie bij het einde van de looptijd, waarop de wet ziet, niet gesproken kan worden.

4.8. Indien en voorzover het hof van oordeel is dat aan [XY. c.s.] de schone lei moet worden onthouden, hebben [XY. c.s.] verzocht de looptijd van de schuldsanering met twee jaar te verlengen. Dit verzoek moet worden afgewezen. Ter zitting is immers gebleken dat [XY. c.s.] daarbij zijn uitgegaan van de onjuiste veronderstelling dat het voor de aflossing van de schulden beschikbare bedrag van thans € 225,58 per maand, afgezien van de aan de bewindvoerder toekomende vergoeding, uitsluitend zou kunnen worden aangewend voor de aflossing van de schuld aan de werkgever van [X.].

[XY. c.s.] hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij de schuld aan de werkgever van [X.] binnen de door hen voorgestane verlenging van de looptijd volledig zouden kunnen aflossen anders dan door verhoging van het vrij te laten bedrag. Dit klemt temeer nu [XY. c.s.] uit dat bedrag ook de lopende premies van de ziektekostenverzekering zouden dienen te voldoen en zij geen informatie hebben verstrekt over de hoogte van de reiskostenvergoeding en de eventuele toekomstige vergoeding voor overwerk.

4.9. Uit al het voorgaande volgt, dat de bestreden vonnissen dienen te worden bekrachtigd.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen, waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. Kranenburg, De Klerk-Leenen en Pouw en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2008.