Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BG6378

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-12-2008
Datum publicatie
10-12-2008
Zaaknummer
20-004739-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof spreekt verdachte vrij van poging tot doodslag op een agente van politie en veroordeelt hem terzake van poging tot zware mishandeling van die agente. Het neemt daartoe een uitgebreide overweging op omtrent het bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-004739-06

Uitspraak : 4 december 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 12 december 2006 in de strafzaak met parketnummer 02-801345-05 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij verdachte van het primair ten laste gelegde (“poging tot doodslag”) en van het subsidiair ten laste gelegde (“zware mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”) werd vrijgesproken en terzake van het meer subsidiair ten laste gelegde (“poging tot zware mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening”) werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 128 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts werd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] geheel toegewezen tot het bedrag van EUR 1.000,-- en werd aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd ten belope van EUR 1.000,-- subsidiair 20 dagen hechtenis.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

-verdachte terzake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 218 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis;

-aan de verdachte zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot het bedrag van EUR 1.000,-- subsidiair 20 dagen hechtenis;

-de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] geheel zal toewijzen tot datzelfde bedrag.

De verdediging heeft:

-primair bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde integraal moet worden vrijgesproken;

-subsidiair naar voren gebracht dat hoogstens tot bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde kan worden gekomen;

-meer subsidiair met betrekking tot de op te leggen straf bepleit dat verdachte in ieder geval niet tot een vrijheidsstraf zal worden veroordeeld waarvan het onvoorwaardelijk deel van langere duur is dan de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

-met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] naar voren gebracht dat deze moet worden afgewezen dan wel dat zij in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 30 september 2005 te Hazeldonk-Oost, in de gemeente Breda, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (zijnde een agente van politie Midden en West Brabant) van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] (met kracht) met een (houten) knuppel, in elk geval met een hard en/of zwaar voorwerp op/tegen haar hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 30 september 2005 te Hazeldonk-Oost, in de gemeente Breda, een persoon genaamd [slachtoffer], zijnde ambtenaar/surveillant van politie Midden en West Brabant, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (dislocatie AC-gewricht en/of frozen shoulder en/of contusie van de linker kaak) heeft toegebracht, door met dat opzet meermalen (met kracht) met een (houten) knuppel, in elk geval met een hard en/of zwaar voorwerp die [slachtoffer] op/tegen haar hoofd en/of haar lichaam te slaan;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 30 september 2005 te Hazeldonk-Oost, in de gemeente Breda, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], zijnde ambtenaar/surveillant van politie Midden en West Brabant, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen (met kracht) met een (houten) knuppel, in elk geval met een hard en/of zwaar voorwerp die [slachtoffer] op/tegen haar hoofd en/of haar lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

uiterst subsidiair

hij op of omstreeks 30 september 2005, te Hazeldonk-Oost, in de gemeente Breda, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], zijnde ambtenaar/surveillant van politie Midden en West Brabant, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, meermalen (met kracht) met een (houten) knuppel, in elk geval met een hard en/of zwaar voorwerp) op/tegen haar hoofd en/of haar lichaam heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Vaststaande feiten

Het hof stelt het navolgende vast:

Op vrijdag 30 september 2005 waren verbalisanten [slachtoffer], agente van politie Midden en West Brabant, en [verbalisant], surveillant van politie, belast met de controle op verkeerd geparkeerd staande auto’s op het industrieterrein Hazaledonk (het hof verstaat: Hazeldonk Oost) te Breda. Terwijl zij op enig moment bezig waren met het uitschrijven van bekeuringen terzake van twee verkeerd geparkeerd staande auto’s, kwam er een oudere man op hen afgelopen, die de latere verdachte bleek te zijn. Ook kwam er een jongere man bij staan, zijnde de zoon van verdachte. Deze twee personen begonnen met de verbalisanten een discussie over die bekeuringen, welke discussie daarop – kort gezegd – escaleerde tot een geweldadige confrontatie tussen de verbalisanten enerzijds en vader en zijn zoon anderzijds.

Op enig moment gedurende die confrontatie heeft verdachte uit de kofferbak van zijn auto een (houten) knuppel gepakt en is daarmee in de richting van [slachtoffer] gelopen.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

I.

Zijdens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd, dat hij van het ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken.

II.

Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd, dat er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is voor het verwijt dat verdachte aangeefster [slachtoffer] met de genoemde houten knuppel heeft geslagen. Immers, verdachte betwist dat hij haar met die knuppel geslagen heeft en feitelijk verklaart aangeefster evenmin dat zij heeft gezien dat verdachte haar met die knuppel heeft geslagen. Nu dat in elk van de ten laste gelegde alternatieven als feitelijke handeling wordt verweten en die handeling niet kan worden bewezen, moet hij van het ten laste gelegde integraal worden vrijgesproken.

III.

In de tweede plaats is daartoe aangevoerd, dat het strafdossier in het algemeen onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een bewezenverklaring van één der ten laste gelegde alternatieven te kunnen komen.

Immers, voor een bewezenverklaring is slechts de belastende verklaring van aangeefster voorhanden – terwijl anderzijds in ontlastende zin zowel de verklaring van verdachte als de verklaring van de getuige [getuige] voorhanden zijn – en dat levert onvoldoende wettig bewijs op. Bij gebreke van voldoende andersoortig bewijs moet verdachte daarom van het ten laste gelegde integraal worden vrijgesproken.

IV.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

V.

Uit het strafdossier blijkt dat agente [slachtoffer] terzake van het ten laste gelegde op 1 oktober 2005 tegenover de politie als aangeefster een verklaring heeft afgelegd.

Deze verklaring houdt – zakelijk weergegeven en voorzover te dezen van belang – het volgende in:

“Op 30 september 2005 was ik samen met mijn collega [verbalisant] in Hazeldonk te Breda. (…) Wij zagen dat ter plaatse, op de openbare weg, een rode personenauto stond geparkeerd en even verderop stond een zwarte personenauto geparkeerd. Wij besloten deze beide auto's te bekeuren. (…) Terwijl wij daar mee bezig waren, zag ik dat er een oudere man naar ons toe kwam lopen. (…) [verbalisant] vertelde hem, dat wij auto's aan het bekeuren waren, die fout geparkeerd stonden. (…) [verbalisant] vroeg of de rode personenauto van hem was. De man zei: "ja".Ik vroeg aan de man of de zwarte personenauto ook van hem was. Daar antwoordde hij op: "Ja die is ook van mij”. Daarna heb ik de man om zijn rijbewijs gevraagd, om zijn gegevens over te kunnen nemen. Ik geloof dat er op dat moment een andere man bij kwam. Toen deze man bij ons kwam, mengde hij zich in het gesprek. Beide mannen reageerden op dat moment iets meer opgewonden.

Gedurende de volgende "discussie" zag ik op een gegeven moment, dat de oudere man probeerde bij [verbalisant] het bonnenboekje uit zijn handen te slaan. (…) Ik zag dat [verbalisant] daar niet op reageerde (…). Op dat moment heb ik de oudere man voor de tweede keer om zijn rijbewijs gevraagd. Hij schreeuwde: "Jij krijgt helemaal niks van mij. Helemaal niks". (…) Ik zag dat de man kwaad was. (…) Ik heb zijn rijbewijs ter inzage gevorderd. Ik zag dat hij bij mij vandaan liep, in de richting van de zwarte personenauto. (…) Toen wij klaar waren met het uitschrijven van de bekeuringen, wilde [verbalisant] beide doorslagen van deze bekeuringen aan de oudere man gaan geven. (…) Ik zag dat [verbalisant] 1 of twee stappen het terrein op zette. (…) Ik hoorde dat de jongere man meteen tegen hem schreeuwde dat hij van het terrein af moest. (…) Ik zag dat de jongere man [verbalisant] opzettelijk een duw gaf tegen zijn rug. (…) Ik zag dat [verbalisant] een klap tegen zijn kin kreeg. (…) Ik hoorde dat [verbalisant] tegen de jongere man zei: "En jij bent aangehouden." Ik zag dat de jongere man [verbalisant] bleef duwen. (…) Ik zag dat [verbalisant] zijn pepperspray pakte en deze gebruikte tegen de jongere man. Ik zag dat de oudere man nog agressiever werd. Ik hoorde dat hij harder begon te schreeuwen. (…) Ik riep tegen de oudere man, dat hij ook aangehouden werd. (…) Ik zag dat de man niet rustig werd. (…) Ik heb toen mijn pepperspray tegen deze man gebruikt. (…) Ik zag dat de oudere man mij voorbij rende in de richting van het bedrijfsterrein. (…) Ik zag dat de man naar de zwarte personenauto rende. Ik zag dat hij de kofferbak van de auto opende. Ik weet wel dat de man op een gegeven moment weer bij mij stond. Ik zag dat hij in eerste instantie met zijn rug naar mij toe stond gekeerd. Ik zag dat hij zich plotseling omdraaide en dat hij mij opzettelijk een keiharde klap gaf tegen mijn linkerkaak. Ik weet niet waarmee de man sloeg. Ik voelde wel meteen ontzettende pijn aan mijn gezicht. (…) Ik zag dat de man mij toen meteen weer een harde klap gaf. Hij sloeg mij deze keer op mijn linker schouder. Dit deed ook ontzettend zeer. (…) Ik zag dat de man op ongeveer 1 meter van mij vandaan stond. Ik zag dat de man met beide handen boven zijn hoofd gestrekt stond. Ik zag dat hij iets bruins in zijn handen had. Ik dacht op dat moment dat het een soort pijp was. (…)”

VI.

Ter gelegenheid van haar verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 13 december 2005 als getuige gehoord, heeft aangeefster een verklaring afgelegd die in de kern gelijkluidend is aan haar aangifte, voorzover die even onder v. is weergegeven.

VII.

Aangeefster is ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 28 februari 2008 en 20 november 2008 als getuige gehoord. Bij die eerste gelegenheid heeft zij onder meer – voorzover te dezen van belang – het volgende verklaard:

“(…) Op de bewuste dag, 30 september 2005, zijn ik en mijn collega [verbalisant] bekeuringen gaan uitschrijven. De verdachte kwam vragen wat we aan het doen waren. Ik zei dat we bekeuringen aan het uitschrijven waren. De zoon van de verdachte is er op een gegeven moment bijgekomen, waarna de sfeer grimmiger werd. (…) Ik heb de verdachte toen gepepperd. (…) Vervolgens zag ik de verdachte terug lopen naar zijn auto. Die stond half in de poort van het bedrijventerrein. De verdachte kwam langs me gerend. Ik zei tegen hem dat hij moest blijven staan. Hij opende de kofferbak van de auto en draaide zich om. Ik voelde toen een klap. Mijn zicht was weg. Ik heb me omgedraaid en kreeg nog een klap op mijn schouder. Na de tweede klap zag ik dat de verdachte met een bruinachtige pijp boven zijn hoofd voor mij stond. Ik heb de verdachte niets uit de kofferbak zien pakken. Ik heb hem de kofferbak wel open zien maken. Ik stond op dat moment op een afstand van één à anderhalve meter van de verdachte. Hij stond met zijn rug naar me toe. Ik heb een stap naar de verdachte toe gezet. Hij draaide zich toen om en ik voelde een klap. Dat kan geen klap van de kofferbak zijn geweest. Het was een doffe klap. Het voelde aan als een klap van een hard voorwerp. Die klap deed pijn. Ik zag sterretjes. Het voorwerp voelde niet koud aan. Ik zette een stapje naar achteren en kreeg toen een klap op mijn schouder. Ik zag dat de verdachte voor me stond met zijn handen omhoog en een pijp in zijn handen. Ik heb de verdachte niet zien slaan. Er was op dat moment niemand anders in de buurt. (…)

Na het incident ben ik ’s avonds naar de EHBO in het ziekenhuis gegaan. Daar werd vastgesteld dat mijn linkerkaak gekneusd was, dat het AC-gewricht was verschoven en dat ik een hersenschudding had. (…) Ik heb niet op een andere manier lichamelijk letsel opgelopen.

(…) Ik voelde dat ik geen klap kreeg met de vlakke hand. Ik kan niet zeggen dat het geen klap met een vuist was. Ik heb namelijk niet gezien dat ik een klap kreeg.

Het is zo gegaan dat ik een klap kreeg en dat ik direct daarna de verdachte met een pijp boven zijn hoofd zag staan. (…)”

Haar bij die tweede gelegenheid afgelegde verklaring houdt – voorzover te dezen van

belang – onder meer het volgende in:

“Ik liep achter de verdachte aan omdat hij was aangehouden. Ik zag dat hij naar een auto liep. Ik keek op enig moment schuin achter mij in de richting van mijn collega en toen ik terugkeek stond verdachte voor mij met zijn rug naar mij toe. Hij draaide zich vervolgens om en toen kreeg ik een klap in mijn gezicht. Daarna kreeg ik nog een klap op mijn schouder. De eerste klap was tegen de kaak. Daarna, na de tweede klap, zag ik verdachte met een voorwerp in zijn handen voor mij staan. Hij hield het voorwerp boven zijn hoofd. Ik dacht toen dat het ging om een soort pijp. Ik heb niet gezien hoe ik geslagen werd. Ik kan het verschil voelen tussen een klap met een vuist of met een voorwerp. Voor mijn gevoel werd ik niet met de vuist of met de vlakke hand geslagen.”

VIII.

Uit het strafdossier blijkt voorts dat verbalisanten kort na de confrontatie met verdachte en zijn zoon assistentie kregen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. Zij hebben hun bevindingen neergelegd in een relaas van eigen waarnemingen en bevindingen, inhoudende voorzover van belang als volgt:

“Op 30 september 2005 kregen wij van een andere eenheid, bemand door verbalisanten [aangeefster] en [verbalisant], een telefoontje. De collega's verzochten ons naar de locatie Hazeldonk te komen, aangaande een bekeuringssituatie. Tijdens het aanrijden, hoorden wij dat de bovengenoemde collega's met spoed assistentie riepen. (…) Door verbalisant [slachtoffer] werd meerdere malen assistentie geroepen en werd doorgegeven dat het om twee personen ging. Daarnaast hoorden wij dat collega [slachtoffer] riep dat er een slagwapen was gebruikt door een verdachte.

Aangekomen op de locatie, sprong ik, [verbalisant 2] uit het dienstvoertuig en snelde naar de collega's die assistentie hadden geroepen. (…) Ik zag de collega's [aangeefster] en [verbalisant] wijzen naar een personenauto, Volkswagen Touareg. (…) Op dat moment hoorde ik collega [verbalisant] roepen dat de verdachten waren bespoten met pepperspray en dat deze zich in het genoemde voertuig bevonden. Ik spoedde mij naar het genoemde voertuig, waarop ik zag dat de bestuurder het voertuig achteruit stak en vervolgens met hoge snelheid wegreed over de openbare weg.

(…) Na onderzoek in het voertuig (het hof: de genoemde Volkswagen Touareg), trof ik een houten knuppel aan. Deze knuppel trof ik aan in de kofferruimte van het door de verdachte gebruikte voertuig. De knuppel lag los in de kofferbak, direct onder handbereik bij het openen van de kofferdeksel van het genoemde voertuig. Het bovengenoemde slagwapen, werd door [slachtoffer] direct herkend als het slagwapen dat tegen haar was gebruikt door de boven omschreven verdachte.”

IX.

In het dossier bevindt zich een geschrift, inhoudende medische informatie betreffende aangeefster, waaruit blijkt dat er onder meer zichtbaar waarneembaar uitwendig letsel is geconstateerd, te weten: stomp letsel aan het AC-gewricht.

Het is een feit van algemene bekendheid, dat met het AC-gewricht wordt bedoeld de verbinding tussen het sleutelbeen en een deel van het schouderblad.

X.

Bij brief van 24 februari 2006 is door het Amphia Ziekenhuis nog nadere medische informatie omtrent [aangeefster] verstrekt. Deze brief houdt het volgende in:

“Wij zagen patiënte (het hof begrijpt: aangeefster [slachtoffer]) op 30 september 2005 op de spoedeisende hulp nadat zij bij een arrestatie door een man in haar gelaat en op haar linker schouder geslagen zou zijn.

Bij lichamelijk onderzoek bleek van een wat pijnlijke kaak met een goede kaakocclusie, geen palpabele afwijkingen en verder het bekende letsel van het AC-gewricht. Een mogelijke contusie van de kaak.”

XI.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte het standpunt betrokken dat hij weliswaar op 30 september 2005 op enig moment gedurende de confrontatie uit de kofferbak van zijn auto een houten knuppel heeft gehaald, deze ter hand heeft genomen en daarmee enkele passen in de richting van [slachtoffer] is gelopen, maar dat hij vervolgens op instigatie van getuige [getuige] is omgekeerd, naar de auto is teruggelopen en de knuppel terug in de kofferbak heeft gelegd. Dit standpunt heeft verdachte voordien, te weten bij gelegenheid van zijn verhoor bij de rechter-commissaris en ter gelegenheid van de behandeling van de onderhavige zaak in eerste aanleg, eveneens ingenomen.

XII.

Deze stelling wordt – aldus de verdediging – ondersteund door de dienaangaande door getuige [getuige] afgelegde verklaringen als getuige tegenover de politie op 2 oktober 2005, ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 13 december 2005, ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 28 november 2006 en ter terechtzittingen in hoger beroep d.d. 28 februari 2008 en 20 november 2008. Immers, deze verklaringen komen er in de kern telkens op neer dat verdachte, nadat hij uit de kofferbak van zijn auto een houten knuppel had gepakt en daarmee in de richting van agente [slachtoffer] liep, door zijn opmerking “Niet doen, [verdachte]”, of woorden van gelijke strekking, tot bedaren kwam, zich omdraaide en de knuppel terug in de kofferbak legde.

XIII.

Het hof volgt de verdachte evenwel niet in zijn onder XI. weergegeven standpunt, voorzover inhoudende dat hij op instigatie van [getuige] de knuppel terug in de auto zou hebben gelegd. Daarbij heeft het hof het navolgende in aanmerking genomen.

XIV.

Uit het strafdossier blijkt dat verdachte eerst op 1 oktober 2005, zijnde één dag na het voorval, door de politie omtrent zijn betrokkenheid bij het ten laste gelegde is gehoord. Bij die gelegenheid heeft hij met betrekking tot zijn hanteren van de knuppel – zakelijk weergegeven – niet meer verklaard dan dat hij half ziedend naar zijn auto liep en uit de kofferbak een stuk hout pakte en dat hij denkt dat hij het stuk hout terug in de kofferbak van zijn auto heeft gelegd.

XV.

Het hof stelt vast dat verdachte niet vóór zijn verhoor bij de rechter-commissaris in het kader van de mini-instructie op 12 december 2005, ook niet ter gelegenheid van zijn verhoor bij de rechter-commissaris op de vordering tot inbewaringstelling d.d. 3 oktober 2005, heeft gerept van de omstandigheid dat hij de knuppel op aandringen van [getuige] terug in de auto had gelegd. Bij confrontatie met een dermate ernstige beschuldiging als in de onderhavige zaak zou het echter redelijkerwijs voor de hand hebben gelegen dat hij aanstonds tegenover de politie deze omstandigheid kenbaar gemaakt zou hebben. Het standpunt, zoals dat onder XI. is weergegeven, heeft verdachte bij de politie evenwel niet betrokken. Eerst ter gelegenheid van zijn genoemde verhoor bij de rechter-commissaris – toen verdachte inmiddels in de gelegenheid was gesteld om de aangifte en de overige verklaringen in het strafdossier te bestuderen en zich op een verklaring op detailpunten te prepareren – heeft hij dat standpunt betrokken.

Een aanvaardbare verklaring, waarom hij niet aanstonds bij zijn verhoor in het opsporingsonderzoek zijn hem ontlastende lezing van de feiten naar voren heeft gebracht, heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep niet gegeven. Integendeel, hij heeft toen niet meer verklaard dan dat deze omstandigheid simpelweg “niet ter sprake was gebracht”.

XVI.

Onder deze omstandigheden – de ter zitting in hoger beroep afgelegde getuigenverklaring van aangeefster [slachtoffer] en hetgeen overigens in de bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs is overwogen mede in aanmerking genomen – kan het hof geen geloof hechten aan de lezing van verdachte.

Het verwerpt deze dan ook. Het houdt integendeel de aangifte van die [slachtoffer] voor de waarheid en legt de verklaringen van getuige [getuige] terzijde. Deze kunnen onvoldoende opwegen tegen de consistente verklaringen van [slachtoffer].

Het hof acht de getuigenverklaring van [getuige] minder betrouwbaar. [getuige] verrichtte indertijd werkzaamheden voor de verdachte. Het hof betwijfelt met name of [getuige] volledig heeft waargenomen wat tussen de verdachte en agente [slachtoffer] is voorgevallen. Zo heeft [getuige] kennelijk niet waargenomen dat [slachtoffer] op een gegeven moment kort achter de verdachte stond, op één à anderhalve meter afstand, van welk feit het hof gelet op de duidelijke verklaringen van [slachtoffer] uitgaat.

XVII.

De stelling van de verdediging, zoals dat onder iii. is samengevat, moet derhalve van de hand worden gewezen.

XVIII.

De stelling van de verdediging, zoals dat onder ii. is samengevat, faalt eveneens. De bovengenoemde feiten en omstandigheden zijn in samenhang met elkaar redengevend

en – anders dan namens de verdachte betoogd – toereikend voor het bewijs dat verdachte met een houten knuppel de in de tenlastelegging genoemde [slachtoffer] in het gezicht en tegen het lichaam heeft geslagen. De verklaringen van aangeefster, voorzover hierboven weergegeven en inhoudende dat zij verdachte direct na de twee klappen met een voorwerp in zijn handen heeft zien staan, dat zij voelde dat zij met een hard voorwerp werd geslagen, dat zij het verschil kan voelen tussen een klap met een vuist of met een voorwerp en dat zij voor haar gevoel niet met de vuist of met de vlakke hand werd geslagen, kunnen immers redelijkerwijs niet tot een andere conclusie leiden dan dat zij door verdachte met die knuppel tegen haar gezicht en haar lichaam is geslagen.

XIX.

Het verweer wordt in beide onderdelen verworpen.

Vrijspraak

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Dienaangaande overweegt het hof dat er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om daaruit de overtuiging te kunnen bekomen dat verdachte – al dan niet in voorwaardelijke zin – zijn opzet gericht heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Hetgeen uit het strafdossier omtrent de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht kan worden vastgesteld (met name: hoe hard is geslagen), schiet immers te kort om daaruit een aanmerkelijk kans op het overlijden van het slachtoffer te kunnen destilleren.

Voorts is het bij het slachtoffer geconstateerde letsel niet van dien aard dat naar algemeen spraakgebruik kan worden gesproken van zwaar lichamelijk letsel.

Van het primair en subsidiair ten laste gelegde moet verdachte bijgevolg worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), zomede de hiervoor vermelde vaststaande feiten, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 30 september 2005 te Hazeldonk-Oost, in de gemeente Breda, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], zijnde ambtenaar van politie Midden en West Brabant, gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een (houten) knuppel die [slachtoffer] tegen haar hoofd en haar lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht iunctis de artikelen 302, eerste lid, en 304, aanhef en onder 2°, van die wet, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof komt – evenals de eerste rechter – tot een bewezenverklaring van – kort gezegd – een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan een politieambtenaar en komt derhalve tot een bewezenverklaring van minder dan waarvan de advocaat-generaal bij het bepalen van haar vordering is uitgegaan.

De eerste rechter heeft verdachte terzake van dat feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 128 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

De verdediging heeft met betrekking tot een eventueel op te leggen straf bepleit dat verdachte in ieder geval niet tot een vrijheidsstraf zal worden veroordeeld waarvan het onvoorwaardelijk deel van langere duur is dan de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

In verband met de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 30 september 2005 zonder enige redelijke aanleiding schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan een politieambtenaar, door haar met een houten knuppel in het gezicht te slaan en tegen het lichaam te slaan. Anders dan de verdachte meent, is de escalatie van het incident niet “geheel te wijten aan de politie”, maar aan de verdachte en zijn zoon die zich onheus en verbaal en fysiek agressief hebben gedragen omdat zij niet bekeurd wensten te worden.

Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke handelwijze gemakkelijk tot zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer had kunnen leiden.

Dat dit gevolg niet is ingetreden, is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van verdachte en daarom geenszins aan hem toe te rekenen. Het slachtoffer heeft derhalve groot geluk gehad dat zij aan het voorval geen permanent letsel zal overhouden.

Een en ander vond plaats op klaarlichte dag in het publieke domein. Door een delict als het onderhavige wordt de rechtsorde ernstig geschokt; het leidt, vanwege het gewelddadige karakter tot maatschappelijke verontrusting en brengt gevoelens van onveiligheid en onrust teweeg.

Het behoeft geen betoog dat dergelijke feiten ook voor de slachtoffers grote gevolgen kunnen hebben. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten vaak nog lange tijd last hebben van gevoelens van angst en onveiligheid.

In het bijzonder rekent het hof het de verdachte zwaar aan, dat hij zijn agressie heeft aangewend tegen een ambtenaar van de politie, gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening. Zij was immers op dat moment slechts de aan haar opgedragen taak aan het uitvoeren. Aldus heeft verdachte een verregaande inbreuk gemaakt op het ambtelijk gezag.

Naar het oordeel van het hof kan op grond van het vorenoverwogene niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is voorts rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten voordele van verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:

-de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 17 september 2008, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld, en de leeftijd van de verdachte;

-de omstandigheid dat sinds het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden inmiddels geruime tijd is verstreken.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten, die met het onderhavige geval – grosso modo – vergelijkbaar zijn.

Alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 218 dagen in beginsel een passende sanctie vormt op het bewezenverklaarde. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dient daarop in mindering te worden gebracht.

Het hof zal – de persoonlijke omstandigheden van verdachte daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen – bepalen dat hetgeen aan vrijheidsstraf nog resteert geheel voorwaardelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd. Hierbij overweegt het hof dat de verdachte het voorarrest als zeer ingrijpend heeft ervaren.

Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Naast deze vrijheidsstraf (en de te betalen schadevergoeding) acht het hof een werkstraf niet nodig.

Schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek is gebleken dat het slachtoffer [slachtoffer], wonende te [adres en woonplaats], immateriële schade heeft geleden, die het hof naar billijkheid begroot op

EUR 1.000,--.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van EUR 1.000,-- te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer], wonende te [adres en woonplaats], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten belope van EUR 1.000,--. Deze vordering is door de eerste rechter geheel toegewezen.

De voeging duurt, voorzover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden immateriële schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. De verdachte heeft de hoogte van deze vordering niet betwist. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag van EUR 1.000,--.

Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Poging tot zware mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 218 (tweehonderdachttien) dagen.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 180 (honderdtachtig) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 1.000,00 (duizend euro).

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. J. Huurman-van Asten en mr. P.R. Feith,

in tegenwoordigheid van mr. C.P.J. Scheele, griffier,

en op 4 december 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. P.R. Feith is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.