Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BG6140

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-08-2008
Datum publicatie
05-12-2008
Zaaknummer
07/00259
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het enige punt dat partijen verdeeld houdt is het antwoord op de vraag of de Inspecteur beschikt over enig nieuw feit op grond waarvan hij gerechtigd is een navorderingsaanslag op te leggen. Belanghebbende stelt zelf dat zijn geclaimde zelfstandigenaftrek er tussen door was geglipt. Belanghebbende valt onder de per 1 januari 2001 uitgesloten categorie als bedoeld in artikel 3.6, lid 2 Wet IB 2001. Het Hof stelt vast dat als de aangifte een verzorgde indruk maakt de inspecteur hierop mag vertrouwen. Maar nu de inspecteur wist of kon weten dat belanghebbende behoorde tot de categorie die met ingang van 1 januari 2001 was uitgesloten van de zelfstandigenaftrek had hij nader onderzoek moeten doen en is er in casu sprake van een navordering verhinderend ambtelijk verzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/15.5 met annotatie van Redactie
FutD 2008-2556
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 07/00259

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

mevrouw X te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 10 april 2007, nummer AWB 06/3655 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur van de Belastingdienst/Z,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 berekend naar een verzamelinkomen van € 34.658.

1. Onderzoek ter zitting

1.1. De zitting heeft plaatsgehad op 29 juli 2008 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.2. Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 12 augustus 2008, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

2. Beslissing

Het Hof:

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

vernietigt de navorderingsaanslag,

gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 144 vergoedt,

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 724,50 en

wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

3. Gronden

3.1. Het enige geschilpunt dat partijen verdeeld houdt is het antwoord op de vraag of de Inspecteur op de voet van artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bevoegd was tot het opleggen van de in geding zijnde navorderingsaanslag. Meer in het bijzonder spitst het geschil zich toe op het antwoord op de vraag of de Inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn met het feit dat de in de aangifte vermelde zelfstandigenaftrek op grond van artikel 3.6, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) ten onrechte was geclaimd.

3.2. Belanghebbende heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de zelfstandigenaftrek per abuis in de aangifte was opgenomen; "het is er door heen geglipt". Ter zitting heeft de Inspecteur uitdrukkelijk verklaard in hoger beroep niet (alsnog) te willen stellen dat belanghebbende, ook indien de uren besteed aan werkzaamheden van hoofdzakelijk ondersteunende aard wel meetellen, niet voldoet aan de norm van tenminste 1225 uur.

3.3. Het Hof stelt voorop dat indien, zoals in casu, sprake is van een goed verzorgde aangifte, de inspecteur in de regel op de juistheid daarvan mag vertrouwen. De wetgever heeft evenwel met de invoering van artikel 3.6, lid 2, van de Wet uitdrukkelijk beoogd de toekenning van zelfstandigenaftrek met ingang van 1 januari 2001 te onthouden aan een bepaalde categorie van belastingplichtigen waarvan de Inspecteur ten tijde van de aanslagregeling wist of redelijkerwijs kon weten dat er een niet onaanzienlijke kans aanwezig was dat belanghebbende daartoe behoorde.

3.4. Nu in belanghebbende's aangifte desondanks de zelfstandigenaftrek werd geclaimd, had het vorenstaande de Inspecteur aanleiding moeten geven, alvorens de primitieve aanslag op te leggen, de aangifte op dit punt aan een nader onderzoek te onderwerpen. Nu hij zulks heeft nagelaten is sprake van een navordering verhinderend ambtelijk verzuim.

3.5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak van de Inspecteur en de navorderingsaanslag moeten worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

3.6. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 38 respectievelijk € 106 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

3.7. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken, een en ander met toepassing van het puntenstelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

Het Hof stelt de bij de Rechtbank gemaakte, voor vergoeding in aanmerking komende, kosten vast op 1 punt (indienen beroepschrift) x € 322,- (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) = € 483. De bij het Hof gemaakte, voor vergoeding in aanmerking komende, kosten stelt het Hof vast op 2 punten (indienen beroepschrift en verschijnen ter zitting) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) =

€ 966. De totale, voor vergoeding in aanmerking komende, kosten van rechtsbijstand bedragen derhalve (€ 483 + € 966 =) € 1.449.

3.8. Gelet evenwel op de kostenveroordeling in de samenhangende zaak als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit, aanhangig onder kenmerk 07/00260, spreekt het Hof in de onderhavige zaak een kostenveroordeling uit van

(1/2 x € 1.449 =) € 724,50.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door J.W.J. Huige, voorzitter, P. Fortuin en J.A. Meijer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2008.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 14 augustus 2008

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

1. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.