Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BG3815

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-10-2008
Datum publicatie
07-11-2008
Zaaknummer
HV 103.09.960/01 (R200800163)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Draagkracht van in eigen familieconcern werkzame manager geen inzage geconsolideerde jaarstukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MB

2 oktober 2008

Sector civiel recht

Zaaknummer HV 103.009.960/01 (R200800163)

Zaaknummer eerste aanleg 124641/FA RK 07-1613

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

de man,

advocaat: mr. M. van Gastel,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

de vrouw,

advocaat: mr. P.L.M.F. Roosendaal.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 22 januari 2008 waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 6 februari 2008 heeft de man verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw betreft alsmede voor zover de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het jongste kind een bedrag van € 184,00 per maand te boven gaat, en, opnieuw rechtdoende, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud subsidiair de bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud op nihil te stellen en voorts de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het jongste kind voor zover dit een bedrag van € 184,00 per maand te boven gaat.

2.2. Bij verweerschrift, tevens houdende incidenteel beroep, ingekomen ter griffie op 7 maart 2008, heeft de vrouw verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen, eventueel onder verbetering van gronden en het hoger beroep van de man ongegrond te verklaren, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure. In incidenteel appel heeft de vrouw het hof verzocht de beschikking van de rechtbank alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.3. Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 4 april 2008, heeft de man verzocht de vrouw in het door haar ingestelde incidentele beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar deze vordering te ontzeggen.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 juli 2008.

Bij die gelegenheid zijn gehoord de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. M. van Gastel, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. M.H.J.M. Stassen.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de stukken van de eerste aanleg;

- de schriftelijke reactie d.d. 31 mei 2008 van de jongste zoon van partijen;

- de aangetekende brief van de rechtbank Maastricht d.d. 27 november 2007 gericht aan de man, welke brief door de advocaat van de man aan het hof is gezonden.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift en het verweerschrift, tevens houdende incidenteel beroep.

4. De beoordeling

in het principaal en incidenteel appel

4.1. Partijen zijn op 16 juli 1987 te [plaatsnaam] (Turkije) met elkaar gehuwd.

De tussen hen gegeven echtscheidingsbeschikking van 20 juli 2005 van de rechtbank Maastricht is op 9 september 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te ’s-Gravenhage.

4.2. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [A.], te [geboorteplaats] op [geboortejaar] (hierna: [A.] );

- [B.], te [geboorteplaats] op [geboortejaar] (hierna: [B.] ).

[A.] en [B.] hebben na de echtscheiding hun hoofdverblijf bij de vrouw gehad. Thans woont [B.] nog bij de vrouw.

4.3. Bij de beschikking van 20 juli 2005 heeft de rechtbank Maastricht bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen moet voldoen een bedrag van € 184,00 per kind per maand.

De bijdrage voor [B.] beloopt ingevolge de wettelijke indexering op dit moment € 193,16 per maand. De bijdrage ten behoeve van [A.] is bij het bereiken van zijn meerderjarigheid op 9 juli 2006 van rechtswege omgezet in een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie.

4.3.1. De vrouw heeft in eerste aanleg wijziging gevraagd van de beschikking van de rechtbank Maastricht van 20 juli 2005 in die zin dat de ten behoeve van [B.] aan de man opgelegde onderhoudsbijdrage met ingang van 1 december 2007 nader wordt bepaald op € 500,00 per maand. Tevens heeft de vrouw verzocht de man, ter zake een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud, met ingang van 1 december 2007 te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.500,00 per maand, beide bedragen bij vooruitbetaling te voldoen, althans op een zodanig bedrag te bepalen en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht. De man heeft in eerste aanleg geen verweer gevoerd.

4.3.2. De rechtbank heeft de verzoeken van de vrouw toegewezen met dien verstande dat de beschikking van de rechtbank Maastricht van 20 juli 2005 is gewijzigd voor zover de man daarbij werd veroordeeld tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [B.], en heeft die bijdrage met ingang van 1 december 2007 nader op € 500,00 per maand bepaald, de nog niet verschenen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen. Tevens heeft de rechtbank de man met ingang van 1 december 2007 veroordeeld om aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 2.500,00 per maand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, de nog niet verstreken termijnen bij vooruitbetaling te voldoen.

De man kan zich hiermee niet verenigen en komt hiertegen op.

4.4. De grieven van de man in principaal appel zijn gericht tegen de overwegingen van de rechtbank:

- dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [A.] per 9 juli 2006 is komen te vervallen en dat de man thans meer salaris geniet dan ten tijde van het wijzen van de beschikking van 20 juli 2005 het geval was (grief 1);

- dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud van € 2.500,00 per maand (grief 2);

- dat de man redelijkerwijs in staat moet worden geacht tot betaling van de door de vrouw, mede ten behoeve van [B.], gevorderde en door de rechtbank in de bestreden beschikking toegewezen bedragen (grief 3).

4.5. De grief van de vrouw in incidenteel appel betreft een uitbreiding van haar verzoek in eerste aanleg, strekkende tot de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking.

Ontvankelijkheid

4.6. De man stelt dat er geen sprake is van de door de vrouw in eerste aanleg gestelde wijziging van omstandigheden die een verhoging van de partner- en kinderalimentatie kan rechtvaardigen. Hiertoe voert hij aan dat hij thans niet meer inkomen geniet dan ten tijde van het geven van de beschikking van de rechtbank Maastricht van 20 juli 2005. Zijn inkomen is sinds- dien niet of nauwelijks gestegen. De stelling van de vrouw dat wegens het bereiken van de meerderjarige leeftijd van [A.] per 9 juli 2006 de onderhoudsbijdrage van de man voor hem is komen te vervallen is tevens onjuist, aldus de man. De man verwijst hiervoor naar artikel 3:395b Burgerlijk Wetboek (BW) - het hof leest dit als artikel 1:395b BW - en stelt dat een door de rechter vastgesteld alimentatiebedrag bij het bereiken van de meerderjarige leeftijd van een kind van rechtswege wordt omgezet in een bijdrage ter zake van levensonderhoud en studie. [A.] is nog geen 21 jaar zodat die alimentatieverplichting, zij in het in een andere vorm, in beginsel voortduurt, aldus de man.

[A.] krijgt, sinds het uit elkaar gaan van partijen, dagelijks zijn eten en drinken van de man en woont sinds een half jaar feitelijk bij de man. [A.] werkt sinds kort in de onderneming van de man en de waarde van kost en inwoning die de man aan hem ter beschikking stelt is niet lager dan het destijds vastgestelde bedrag aan kinderalimentatie van € 184,00 per maand.

4.7. De vrouw betwist de eerste grief van de man en stelt - kort samengevat - dat de man reeds ten tijde van het huwelijk en ook nog thans een hoger inkomen geniet dan uit de door hem overgelegde jaaropgaven blijkt. Bovendien voorziet

[A.] in zijn eigen levensonderhoud.

4.8. Daaromtrent oordeelt het hof als volgt. Het hof acht het feit dat [A.] omstreeks 1 december 2007 bij de man is gaan wonen en sinds kort een eigen inkomen verdient en in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien, een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 BW. De eerste grief van de man faalt derhalve. De vrouw is ontvankelijk in haar (inleidend) verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

Ingangsdatum (wijziging)

4.9. De datum waarop een (eventuele wijziging van de) door de man te betalen onderhoudsbijdrage dient in te gaan (1 december 2007), is in hoger beroep niet in geschil.

Behoefte vrouw

4.10. De man stelt in zijn tweede grief de behoefte van de vrouw aan een onderhoudsbijdrage ter discussie. Het door de vrouw gevorderde alimentatie-bedrag is bijna twee keer zo hoog als het jaarinkomen van de man gedurende het huwelijk en de jaren daarna. Daarnaast stelt de man dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij zelfstandig in haar eigen levensonderhoud voorziet, althans maatregelen neemt om dat op termijn te bereiken.

De vrouw heeft geen nadere feiten en/of omstandigheden aangevoerd waaruit valabele gronden blijken waarom zij bijna tweeënhalf jaar na de echtscheiding nog niet in eigen levensonderhoud kan voorzien.

De man stelt verder dat de vrouw naast haar bijstandsuitkering inkomsten uit arbeid heeft. Zij werkt in de ontbijtservice bij tenminste één hotel in (de omgeving van) haar woonplaats. Tot slot dient er rekening te worden gehouden met het feit de ouders van de vrouw haar financieel ondersteunen. De man voert aan dat de ouders de vrouw sinds de echtscheiding met een bedrag van € 12.370,88 (20.000 Zwitserse francs) hebben bijgedragen in de kosten van haar levensonderhoud.

4.11. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist. De man is vanaf 1994 directeur van [H1 BV]. Partijen hebben vanaf dat moment tot februari 2003, toen zij feitelijk gescheiden van elkander zijn gaan wonen, op een royale wijze geleefd. Financieel was alles mogelijk. Partijen hebben in die huwelijkse jaren in een bepaalde mate van welstand en fortuin geleefd, aldus de vrouw.

De vrouw heeft na verbreking van de samenwoning in februari 2003 noodgedwongen een Wwb-uitkering aangevraagd. [B.] was op dat moment ongeveer 11 jaar.

De vrouw bestrijdt dat zij in staat moet worden geacht om fulltime te werken.

De gemeente [gemeentenaam] heeft een actief beleid, gericht op de tewerkstelling van Wwb-gerechtigden. De vrouw is echter slechts beperkt inzetbaar op de arbeidsmarkt. Zij is in het huwelijk lichamelijk en geestelijk mishandeld en wordt daarvoor thans door een psychotherapeut behandeld.

Doordat de vrouw tijdens het huwelijk in het horecabedrijf van de familie van de man heeft gewerkt, heeft zij geen andere werkervaring. Bovendien heeft zij geen opleiding kunnen volgen waardoor de mogelijkheden op de arbeidsmarkt beperkt zijn. De vrouw ontkent in de ontbijtservice van hotels te werken. Zij werkt alleen in de schoonmaakbranche op basis van een 8-urig maandcontract. De inkomsten hiervan worden gekort op haar uitkering. Tot slot bestrijdt de vrouw dat zij financieel ondersteund wordt door haar ouders. Zij heeft enkel een bedrag van € 5.000,00 van hen geleend ten behoeve van herinrichting na de echtscheiding.

4.12. Het hof overweegt als volgt.

Voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw is de welstand waarin partijen leefden gedurende hun huwelijk mede bepalend, waarbij dient te worden uitgegaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen tijdens huwelijk.

De algemene stelling van de vrouw dat “alles financieel mogelijk was ten tijde van het huwelijk” is niet geconcretiseerd en niet te herleiden tot een netto besteedbaar inkomen. Door de vrouw is zowel in eerste aanleg als - na de gemotiveerde betwisting door de man - in hoger beroep onvoldoende gesteld om haar huwelijks gerelateerde behoefte thans op

€ 2.500,00 bruto per maand te stellen.

Nu de man ter zitting bij het hof heeft erkend dat de vrouw thans een bijstandsuitkering geniet, gaat het hof er vanuit dat de behoefte van de vrouw minimaal gelijk is aan het voor haar geldende normbedrag Wwb (Wet werk en Bijstand).

Van de door de man opgeworpen (zwarte) bijverdiensten door de vrouw, welke zij heeft ontkend, zijn desgevraagd door de man geen bewijzen overgelegd. Het hof gaat derhalve hieraan voorbij.

De stelling van de man dat de vrouw financieel ondersteund wordt door haar ouders faalt eveneens aangezien de vrouw dit gemotiveerd heeft betwist; bovendien prevaleert de onderhoudsplicht van een ex-echtgenoot boven die van de ouders (artikel 1:392 lid 3 juncto lid 1 BW).

De vrouw heeft daarnaast onweersproken gesteld dat zij acht uur per maand werkzaam is in de schoonmaakbranche en dat deze inkomsten op haar bijstandsuitkering worden gekort.

Het hof schat, bij gebreke van informatie, de behoefte van de vrouw op een bedrag gelijk aan het voor haar geldende normbedrag Wwb voor 2007 van € 872,00, inclusief vakantietoeslag en woonkosten component, netto per maand.

Hierop dient in mindering te worden gebracht de inkomsten van het 8-urige maand contract van de vrouw. Bij gebreke van een loonstrook dan wel andere informatie gaat het hof uit het minimumloon 2007 ad € 60,78 bruto per dag (inclusief vakantiegeld). Op basis daarvan is het netto besteedbaar inkomen van de vrouw € 61,00 per maand, waarbij rekening is gehouden met de arbeidskorting, de algemene heffingskorting, de kinderkorting en de alleenstaande ouderkorting. Op grond van het bovenstaande stelt het hof de - aanvullende - behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud vast op een bedrag van € 811,00 netto (= bruto) per maand.

Behoefte [B.]

4.13. De man heeft ter zitting van het hof ten aanzien van de behoefte van [B.] als vierde grief opgeworpen dat er door de vrouw geen wijziging van omstandigheden is gesteld waarop een hogere behoefte van [B.] gebaseerd kan worden.

4.14. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat [B.], nu hij naar de middelbare school gaat, een hogere behoefte heeft dan voorheen. Het in eerste aanleg door de vrouw gevorderde bedrag aan kinderalimentatie is een schatting geweest aangezien het werkelijk door de man genoten inkomen voor haar, ondanks verzoeken daartoe, onduidelijk is gebleven.

4.15. Het hof overweegt als volgt.

Voor de bepaling van de behoefte van [B.] sluit het hof in beginsel aan bij hetgeen is overwogen in het Rapport van de Werkgroep Alimentatienormen. Ingevolge het Trema-rapport dient de behoefte van een kind aan een onderhouds-bijdrage te worden bepaald aan de hand van het netto besteedbaar inkomen van het gezin tijdens het huwelijk. In het geval het (huidige) inkomen van een ouder het voormalige gezinsinkomen overschrijdt, is het hogere inkomen de maatstaf van de bepaling van de behoefte.

De vrouw heeft gesteld dat de man een hoger inkomen geniet dan uit de jaaropgaaf volgt. De man heeft dit ontkend. Het hof ziet op grond van de volgende overwegingen aanleiding om de vrouw in haar stellingen te volgen.

Familiebedrijf

4.16. Ter zitting van het hof is komen vast te staan dat de vader van de man in het verleden een keten van hotels heeft opgericht. Ieder hotel is in een besloten vennootschap ondergebracht. Thans is sprake van drie hotels ( [H1 BV] te [vestigingsplaats 1], [H2 BV] te [vestigingsplaats 2] en [H3 BV] te [vestiginsplaats 3] ). [Vestigingsplaats 2] zal een vierde hotel gebouwd gaan worden, zo heeft de man ter zitting laten weten.

Enig aandeelhouder van deze hotels is een holdingmaatschappij, [I BV], waarvan alle aandelen worden gehouden door een stichting administratiekantoor. De man is sedert 1 augustus 2002 voorzitter van deze stichting en conform het door de vrouw overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel, dat door de man niet is weersproken ter zitting van het hof, alléén bevoegd om in en buiten rechte op te treden. De secretaris en de penningmeester van deze stichting zijn twee volle neven van de man, de heer [C.] respectievelijk de heer [D.]. [C.] is directeur van de holdingmaatschappij.

Het familiebedrijf is door de vader van de man, tot aan diens overlijden in 2002, geleid. Na diens overlijden is er, onder meer door onenigheid in de familie, onduidelijkheid ontstaan over de uitoefening van de bevoegdheden in het bedrijf.

Vaststaat dat de man manager is van het hotel dat is ondergebracht in [H1 BV], te [vestigingsplaats 1], dat hij woont in een woning van het hotel en rijdt in een auto met een waarde van circa € 70.000,00 die door het hotel is gefinancierd.

De man heeft geen inzage verstrekt in de geconsolideerde jaarstukken van het familieconcern. Hij stelt dat zijn inkomen niet hoger is dan hetgeen hij maandelijks van de BV krijgt uitgekeerd. Dat inkomen bedraagt sedert 1 januari 2007 ongewijzigd

€ 1.273,31 bruto per maand. Het bruto jaarinkomen bedraagt

€ 21.157,00 bruto, waarin is begrepen de als loon in natura aangemerkte woonkosten ad € 475,00 per maand.

De man heeft ter zitting van het hof, zonder nadere onderbouwing, gesteld dat hij geen enkele zeggenschap heeft over de vaststelling van zijn salaris. Dit gebeurt volgens hem door zijn neven. Omdat de zaken de afgelopen jaren minder goed zijn gegaan, is het niet mogelijk geweest de salarissen jaarlijks te verhogen, aldus de man. Uit de, door de vrouw in eerste aanleg overgelegde, brieven van de controller van Atlas Hotel Eurotel B.V. van 23 augustus 2005 en 6 september 2005 gericht aan de gemeente [gemeentenaam], blijkt echter niet alleen dat de man als manager van [H1 BV] werkzaam is maar ook dat hij mededirecteur is van alle [H] hotels en als zodanig bevoegd om namens [H1 BV] allerlei verstrekkende beslissingen te nemen aangaande werknemers.

In deze brieven staat bovendien vermeld dat de man als voorzitter van de Stichting Administratiekantoor alleen en zelfstandig bevoegd is.

De man heeft niet betwist dat dit ook thans nog de geldende situatie is.

Nu de man heeft geweigerd inzage te geven in stukken van het familiebedrijf, ondanks herhaaldelijke verzoeken hiertoe van de vrouw (vanaf januari 2007), heeft het hof geen inzicht kunnen krijgen op welke manier de geldstromen in het familiebedrijf lopen, welke winst in het familieconcern wordt gegenereerd, welke rekening-courantverhoudingen er zijn en welk salaris aan de neven wordt uitgekeerd.

De man heeft zich beperkt tot het overleggen van jaaropgaven en heeft in eerste aanleg dan wel op grond van het verweer- schrift van de vrouw in hoger beroep, geen aanleiding gezien om stukken over te leggen aangaande het familiebedrijf.

In dit stadium van de procedure is het in strijd met een behoorlijke procesorde alsnog dergelijke stukken in het geding te (laten) brengen. Het hof acht het overigens ongeloofwaardig dat de man feitelijk jarenlang hetzelfde salaris heeft genoten zelfs zonder jaarlijkse toepassing van de wettelijke indexeringen.

4.17. Op grond van het voorgaande acht het hof de stelling van de vrouw dat de man thans naast de inkomsten overeenkomstig de door hem overlegde jaaropgaven van zijn dienstbetrekking bij [H1 BV] meer inkomsten geniet uit het familiebedrijf [H] Hotels onvoldoende door de man weerlegd.

Het hof zal er daarom vanuit gaan dat [B.] behoefte heeft aan het door de vrouw verzochte bedrag van € 500,00 per maand. De ter zitting van het hof opgeworpen vierde grief van de man faalt derhalve.

Draagkracht van de man

4.18. De man stelt ten aanzien van zijn draagkracht dat deze ontoereikend is om de hem opgelegde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en de kosten van verzorging en opvoeding van [B.] te voldoen (grief 3).

Het hof overweegt ten aanzien van de draagkracht van de man als volgt.

De man heeft niet alleen onvoldoende inzicht gegeven in het inkomen dat hij of feitelijk genereert of zou kunnen genereren (zie r.o. 4.16/4.17), maar ook in zijn (recente) lasten.

De vrouw heeft bovendien ter zitting van het hof de woonlasten van de man betwist. De man heeft erkend dat hij in een door [H1 BV] gefinancierde woning woont. In deze situatie is het voor het hof niet mogelijk om een gefundeerd oordeel te geven over de financiële mogelijkheden van de man tot betaling van een kinderbijdrage, hetgeen voor rekening en risico van de man dient te komen. Voor zover de man stelt dat hij geen draagkracht heeft om de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 500,00 per maand en de aan de man op te leggen partneralimentatie van € 811,00 per maand te voldoen, gaat het hof hieraan als onvoldoende onderbouwd voorbij. De derde grief van de man faalt derhalve.

Vaststelling van de alimentatie

4.19. Op grond van hetgeen hierboven is overwogen is het hof van oordeel, dat de man met ingang van 1 december 2007 in staat moet worden geacht tot betaling van € 500,00 per maand ter voorziening in de kosten van de verzorging en opvoeding van [B.] en € 811,00 per maand ter voorziening in het levensonderhoud van de vrouw.

4.20. De beschikking waarvan beroep dient gedeeltelijk te worden vernietigd.

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

4.21. De vrouw heeft haar verzoek in hoger beroep aangevuld met het verzoek de beschikking van de rechtbank alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het hof zal dit verzoek inwilligen voor zover het de beschikking van het hof betreft.

Proceskosten.

4.22. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 22 januari 2008 voor zover het betreft de daarin bepaalde bijdrage van de man ten behoeve van de vrouw in de kosten van haar levensonderhoud;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van € 811,00 per maand met ingang van 1 december 2007, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 22 januari 2008 voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Everaars-Katerberg, Smeenk-van der Weijden en Van Arkel-van Gasselt en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2008.