Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BG2159

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-10-2008
Datum publicatie
31-10-2008
Zaaknummer
HV 200.010.349/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek ingediend ná wisseling processtukken, maar vóór pleidooi. Onvoldoende belang en strijd met de goede procesorde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

dHJ

22 oktober 2008

Sector civiel recht

Zaaknummer: HV 200.010.349/01

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ONROEREND GOEDMAATSCHAPPIJ [S.] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoekster,

hierna te noemen: [S.],

behandeld advocaat: mr. J.M. Molkenboer te Tilburg,

vertegenwoordigend advocaat: mr. Y.A.W.M. Molkenboer,

t e g e n

[T.],

wonende te [woonplaats],

ter zitting in persoon verschenen,

en

[U.],

wonende te [woonplaats],

en

[V.],

wonende te [woonplaats], België,

verder te noemen: [U.] c.s.,

advocaat: mr. J.G.A. Linssen te Tilburg,

ter zitting vervangen door mr. de Lange

verweerders.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Bij dit gerechtshof is tussen partijen een appelprocedure aanhangig onder zaaknummer HD 103.005.916/01. [T.] is niet verschenen en tegen hem is verstek verleend. In deze procedure zijn de stukken gewisseld (memorie van grieven, memorie van antwoord tevens incidenteel appel en memorie van antwoord in incidenteel appel). In een incident is op 30 september 2008 arrest gewezen ([U.] c.s. zijn daarin nietontvankelijk verklaard). De hoofdzaak is verwezen naar de rol voor beraad partijen. Er is (nog) geen pleidooi gevraagd.

1.2. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 22 juli 2008, heeft [S.] verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten teneinde 5 getuigen te doen horen.

1.3. [U.] c.s. verzetten zich tegen toewijzing bij verweerschrift dat op 2 september 2008 ter griffie van het hof is binnengekomen.

1.4. De mondelinge behandeling vond plaats op 15 oktober 2008. Daarbij waren aanwezig de behandeld advocaat van [S.], die een pleitnota heeft overgelegd, de heren [T.] en [U.] en mr. de Lange.

2. De gronden van het verzoek

Voor de gronden van het verzoek en de toelichting daarop verwijst het hof naar genoemd verzoekschrift.

3. De beoordeling

3.1. Door middel van een voorlopig getuigenverhoor wil [S.] getuigen horen over feiten die zijns inziens relevant zijn voor de beoordeling van een bepaald aspect van het hoger beroep, namelijk de hoofdelijkheid.

3.2. Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan onder meer worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt, indien het strijdig is met een goede procesorde, dan wel het moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. Voorts bestaat geen aanleiding het verzoek onttrokken te achten aan de in art. 3:303 BW neergelegde regel dat zonder belang niemand een rechtsvordering toekomt (HR 11 februari 2005, NJ 2005/442).

3.3. Naar het oordeel van het hof heeft [S.] bij de onderhavige stand van het geding onvoldoende belang bij zijn verzoek. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.3.1. De vragen die [S.] aan de opgegeven getuigen wil stellen spitsen zich toe op de kwestie van de hoofdelijke aansprakelijkheid van 4 oorspronkelijke wederpartijen (thans nog 3 omdat met 1 hunner een schikking is getroffen). Dienaangaande hebben partijen hun standpunten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep uitvoerig uiteengezet en daaraan een bewijsaanbod gekoppeld. Aangenomen moet worden dat, als de kamer die over het geschil krijgt te oordelen, meent dat bewijslevering relevant is, de daartoe aangewezen partij een bewijsopdracht zal worden verstrekt (vgl. Hof Leeuwarden 6 september 2006, LJN AY8002).

3.3.2. [S.] wijst erop dat zij het getuigenverhoor reeds thans geïndiceerd acht mede gezien de omstandigheid dat de te dezer zake van belang zijnde feiten zich hebben voorgedaan in de jaren 2002 en 2003 en de herinnering van getuigen in de loop der jaren mogelijk minder helder kan worden. Naar het oordeel van het hof valt aan deze omstandigheid thans, na zoveel jaren, onvoldoende belang te ontle-nen voor toewijzing van het verzoek. Er zijn geen omstandigheden gesteld die meebrengen dat niet nog een paar maanden kan worden gewacht met het horen van de opgegeven getuigen.

3.3.3. [S.] meent verder dat een voorlopig getuigenverhoor geïndiceerd is omdat zij ‘haar rechtspositie nader kan beoordelen, indien de van belang zijnde feiten meer zijn ingekaderd’. Ook aan dit standpunt valt, naar het oordeel van het hof, onvoldoende belang te ontlenen. Partijen hebben in de gedingstukken reeds de van belang zijnde feiten, die moeten leiden tot het al niet hoofdelijk aansprakelijk zijn van de vier heren, ruimschoots ingekaderd. Het is thans aan de behandelend kamer om die feiten hetzij aanstonds te kwalificeren, hetzij nadere bewijslevering te gelasten.

3.4. Het hof is bovendien van oordeel dat het betreffende verzoek in strijd is met de goede procesorde.

3.4.1. Immers thans kunnen in beginsel geen nieuwe grieven meer worden aangedragen. [U.] c.s. mochten bovendien verwachten dat [S.] in de memorie van grieven in beginsel ook alle nieuwe feiten of stellingen naar voren zou brengen waarop zij zich in appel wenst te beroepen, vgl. HR 20 juni 2008, LJN BC4959.

Dit zou anders kunnen zijn als door [S.] omstandigheden waren gesteld die een deugdelijke reden opleveren voor het in een zo laat stadium van het geding indienen van het verzoek, zoals aan te voeren nova. Echter daarvan is het hof niet gebleken. Niet valt in te zien dat dit verzoek niet reeds vóór de memorie van grieven had kunnen worden gedaan.

3.4.2. Voorts is het hof van oordeel dat bodemgeding onredelijk wordt vertraagd en gecompliceerd als thans nog het verzoek – met als strekking ‘nadere inkadering van de feiten’ - wordt toegewezen. Het is immers niet ondenkbaar dat in het bodemgeding bewijs wordt opgedragen over nog andere kwesties dan de hoofdelijkheid of dat bij het hof nog andere vragen over de kwestie hoofdelijkheid opkomen, zodat te zijner tijd wederom getuigenverhoren gelast moeten worden.

3.5. Het verzoek zal worden afgewezen.

[S.] zal in de kosten worden verwezen.

4. De beslissing

Het hof:

wijst af het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor;

veroordeelt [S.] in de kosten

aan de zijde van [U.] c.s., tot op heden begroot op € 1.788,- voor salaris advocaat,

aan de zijde van [T.] tot op heden begroot op nihil.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Schaafsma-Beversluis en Pouw en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2008.