Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BG1071

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-08-2008
Datum publicatie
31-12-2008
Zaaknummer
103.004.351, 103.005.352, 103.004.353
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof heeft de stichting op die manier in strijd met de door art. 2:8 BW vereiste redelijkheid en billijkheid haar bestuursbevoegdheid gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij als bestuurder was benoemd en getracht "over haar graf" te regeren. De stichting heeft zich door het nemen van dit besluit jegens Ovem en de aandeelhouders niet gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Zij heeft bij haar besluit uitsluitend de belangen van de KHV's - waarvan de vertegenwoordigers in haar waren verenigd - voor ogen gehad en zich aldus, mede gelet op het feit dat er zonder de voorgenomen ontbinding van Ovem voor het besluit op dat moment kennelijk onvoldoende aanleiding was, jegens de rechtspersoon (Ovem) niet gehandeld naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Ten aanzien van de aandeelhouders leidt het besluit - indien daaraan na de ontbinding nog uitvoering zou moeten worden gege-

ven - ertoe dat het de aan de aandeelhouders krachtens de statuten toekomende bemoeienis met de vereffening (door hun aanwijzing van de vereffenaar) geheel of ten dele frustreert en dat het de aanspraak van de aandeelhouders op het na de vereffening resterende saldo ondermijnt. Het behoeft geen betoog dat de stichting zich aldus jegens de aandeelhouders niet heeft gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2009, 28
RO 2009, 27
JRV 2009, 251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. JK

zaaknrs. HD 103.004.351, 103.004.352 en 103.004.353

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

tweede kamer, van 26 augustus 2008,

gewezen in de zaken van:

(zaaknrs. HD 103.004.351 en 103.004.353)

1. Appellant sub 1,

wonende te (woonplaats),

2. Appellant sub 2,

wonende te (woonplaats), gemeente (plaats gemeente),

beiden bij beslissing van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 10 december 2004 aangewezen als procespartij voor de vorderingen op grond van art. 2:15 lid 3 BW,

appellanten bij exploten van dagvaarding van 16 oktober 2006,

procureur: mr. R.M. Kerkhof,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid OVEM B.V. IN LIQUIDATIE,

gevestigd te Schijndel,

geïntimeerde,

procureur: mr. C.A.M. de Bruijn,

en

(zaaknr. HD 103.004.352)

1. de vereniging KONTRAKTHOUDERSVERENIGING OVEM,

2. de vereniging VERENIGING OVEM DISTRIBUTEURS,

3. de vereniging VERENIGING OVEM AKKERBOUWERS,

alle gevestigd te Beek en Donk, gemeente Laarbeek,

appellanten bij exploot van dagvaarding van 16 oktober 2006,

procureur: mr. R.F.W. van Seumeren,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid OVEM B.V. IN LIQUIDATIE,

gevestigd te Schijndel,

geïntimeerde,

procureur: mr. C.A.M. de Bruijn,

op het hoger beroep van voormelde appellanten van drie door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 19 juli 2006 gewezen vonnissen tussen respectievelijk Ovem BV i.l. als eiseres en appellant sub 1 als gedaagde, Ovem BV i.l. als eiseres en appellant sub 2 als gedaagde en de hiervoor vermelde verenigingen (verder KHV's te noemen) als eiseressen en Ovem BV i.l. als gedaagde.

1. De gedingen in eerste aanleg (zaaknrs. 120574/HA ZA 05- 44, 120575/HA ZA 05-45 en 115987/HA ZA 04-2142)

Voor de gedingen in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. De gedingen in hoger beroep

zaaknrs. HD 103.004.351 en 103.004.353 (verder aan te duiden als 351 en 353):

2.1. In deze zaken hebben appellanten sub 1 en sub 2 tezamen bij één memorie van grieven vijf grieven aangevoerd tegen de tussen Ovem BV i.l. en ieder van hen gewezen vonnissen en geconcludeerd tot vernietiging van die vonnissen en afwijzing alsnog van de vorderingen van Ovem BV i.l. appellanten sub 1 en sub 2 hebben bij hun memorie van grieven als productie de memorie van grieven met een productie uit het hoger beroep tussen de KHV's en Ovem BV i.l. overgelegd.

2.2. Ovem BV i.l. heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen van de rechtbank. Ovem BV i.l. heeft bij haar memorie van antwoord als productie de door haar in de het hoger beroep van de KHV's genomen memorie van antwoord overgelegd. (Deze productie ontbreekt in het procesdossier van Ovem BV i.l.).

zaaknr. HD 103.004.352 (verder aan te duiden als 352):

2.3. In deze zaak hebben de KHV's onder overlegging van een productie vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis in prima en toewijzing alsnog van hun in eerste aanleg ingestelde vorderingen.

2.4. Ovem BV i.l. heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank.

in alle zaken

2.5. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst voor de precieze inhoud van de grieven in de drie zaken naar de gezamenlijke memorie van grieven van appellanten sub 1 en sub 2 en de memorie van grieven van de KHV's.

4. De beoordeling

zaaknrs. 351, 352 en 353:

4.1. Het gaat hier om drie hoger beroepen in zaken die nauw met elkaar samenhangen en waarin hetzelfde feitencomplex aan de orde is. Nu in hoger beroep voorts de appellanten in de zaken 351 en 353 een gezamenlijke memorie hebben genomen waarin zij bovendien verwijzen naar en aanhaken bij de memorie van grieven in de zaak 352, zal het hof de hoger beroepen gezamenlijk behandelen.

4.2.1. Het gaat in deze zaken om het volgende.

- Ovem BV (verder Ovem te noemen) is in 1992 opgericht door een aantal van de huidige aandeelhouders van Ovem BV i.l. De aandeelhouders zijn alle, al dan niet via houdstermaatschappijen, transportondernemingen die zich bezig houden met het transport van mest. De ondernemingsactiviteiten van Ovem waren gericht op mestverwerking. Ovem contracteerde daartoe met veehouders (aanbieders van mest) en akkerbouwers (afnemers van mest).

- In de jaren 1993, 1994 en 1995 kwam Ovem met de veehouders overeen dat zij aan Ovem "inleggelden" en "bijdragen industriële mestverwerking" betaalden. Deze gelden werden door Ovem op de balans onder de posten "Investeringsfonds" en "Fonds onderzoek en ontwikkeling" (verder Fondsgelden te noemen) vermeld.

- De veehouders die met Ovem contracteerden hebben op

1 juni 1995 een vereniging opgericht met de naam "Kon-trakthoudersvereniging OVEM" (hierna: KHV-veehouders). Deze vereniging is de belangen gaan behartigen van de veehouders die een mestafname-overeenkomst met Ovem hadden gesloten. Voor de distributeurs en mestafnemers zijn later soortgelijke verenigingen opgericht. Van de oprichting van deze verenigingen wordt melding gemaakt in het Ovem Journaal van november 2002 (prod. 23 in de zaak 352).

Tussen Ovem en de KHV-veehouders zijn afspraken gemaakt met betrekking tot de Fondsgelden. Deze afspraken kwamen er op neer dat de directie van Ovem voor investeringsbeslissingen met betrekking tot de Fondsgelden de toestemming nodig had van de Raad van Commissarissen en dat de Raad van Commissarissen zich daarvoor zou conformeren aan de opvattingen van de KHV-veehouders daarover. Art. 14 lid 6 van de op 26 september 1994 gewijzigde statuten van Ovem behelst de volgende bepaling: "De directie behoeft de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de raad van commissarissen voor besluiten strekkende tot de besteding van de inleggelden bij de meerjarige mestafname overeenkomsten, ....".

- In 2002 is in verband met een beoogde herstructurering van Ovem - het was de bedoeling van alle partijen dat na te noemen stichting bestuurder/aandeelhouder van Ovem zou worden - de stichting Ovem (verder: de stichting) opgericht. In deze stichting zijn vertegenwoordigers van de veehouders, distributeurs en akkerbouwers verenigd. De stichting is vanaf 1 juni 2002 benoemd als enig bestuurder van Ovem. Tot een aandelenoverdracht aan de stichting is het niet gekomen. In de vergadering van aandeelhouders van 6 november 2003 heeft een aantal aandeelhouders te kennen gegeven tot liquidatie van Ovem over te willen gaan. Omdat dat onderwerp niet was geagendeerd, kon over dat voorstel niet in voormelde vergadering worden gestemd. Op verzoek van de aandeelhouders is daartoe door de bestuurder (de stichting) een nieuwe vergadering uitgeschreven voor 15 december 2003.

- Bij brief, gedateerd 12 december 2003, hebben de KVH's aan de directie van Ovem (de stichting Ovem) het volgende geschreven: "Ondergetekenden hebben kennis genomen van het voorstel van enkele aandeelhouders van OVEM BV om OVEM BV te ontbinden. In dat verband doen wij u .... het volgende verzoek. Wij zijn van mening dat de door OVEM BV beheerde fondsgelden uitsluitend dienen en mogen worden aangewend in overeenstemming met hun oorspronkelijke bedoeling, te weten ter bekostiging van projecten die zien op mestverbetering in Nederland. In dat kader zouden wij het op prijs stellen indien eventuele na afwikkeling van de lopende verplichtingen nog resterende fondsgelden, alsnog ten goede komen aan ondergetekenden die daarmee het hierna omschreven project wensen uit te voeren: ... Het oprichten, aankleden, in werking stellen en in de markt zetten [inclusief werkkapitaal] van een nieuwe, nog nader te benamen "Mest BV" ter voortzetting van de activiteiten welke OVEM BV verricht t.b.v. de bij haar aangesloten veehouders, distributeurs en akkerbouwers." (prod. 9 Ovem BV i.l. in alle zaken).

- Bij schrijven, getekend op 13 december 2003 door (achternaam voorzitter), voorzitter KVH-veehouders, wordt aan de Raad van Commissarissen en de directie van Ovem te kennen gegeven dat 'het bestuur van de KHV-veehouders, kennis genomen hebbende van het verzoek van de KHV's en het voorgenomen besluit van de directie van OVEM B.V. in dezen, positief adviseert'. (prod 11 Ovem BV i.l.)

- Sinds 22 juli 2003 was nog slechts één commissaris in functie. Deze commissaris, Damsteegt, heeft bij besluit, getekend op 13 december 2003, goedkeuring verleend aan het voorgenomen besluit (prod. 12). Appellant sub 2 was de commissaris (het derde deel van de commissarissen) die op voordracht van de KHV-veehouders was benoemd. Hij was tevens bestuurder van de KHV-veehouders en bestuurder van de stichting.

- Bij brief van de stichting, ondertekend door appellant sub 1, voorzitter van de stichting, is vervolgens aan de KVH's bericht: "... De directie van Ovem B.V. steunt uw initiatief. Daarom verplicht Ovem B.V. zich door deze voorwaardelijk, e weten slechts voor zover op 15 december 2003 daadwerkelijk een rechtsgeldig besluit tot ontbinding van Ovem B.V. zal worden genomen, om eventuele na afwikkeling van de lopende verplichtingen van Ovem B.V. resterende fondsgelden te besteden ter subsidiering van het door u in uw brief genoemde project ...." (prod. 13 Ovem BV i.l., verder te noemen: het bestemmingsbesluit).

- Op de vergadering van aandeelhouders van 15 december 2003 is besloten tot onmiddellijke ontbinding en liquidatie van Ovem. Aanvankelijk werd (naam vereffenaar) tot vereffenaar benoemd en op

26 januari 2004 werd in diens plaats (naam) benoemd.

- Deze laatste vereffenaar heeft bij brief van 4 mei 2004 (verder: intrekkingsbesluit te noemen) aan de toenmalige raadsman van de KHV's te kennen gegeven dat hij het bestemmingsbesluit introk, zulks onder de toevoeging dat hij primair van oordeel was dat de ingevolge art. 14 lid 6 van de Statuten van Ovem vereiste goedkeuring van de raad van commissarissen (toev. hof: voor besluiten tot de besteding van de inleggelden bij de meerjarige mestafname overeenkomsten) te dezen niet van toepassing was. In deze brief heeft de vereffenaar zich tevens op de vernietigbaarheid van het bestemmingsbesluit beroepen.

- Bij brief van 29 november 2004 heeft de vereffenaar

(naam vereffenaar) voorts de nietigheid ingeroepen van het besluit van de raad van commissarissen (de commissaris (naam commissaris) tot goedkeuring van het bestemmingsbesluit.

- Bij beschikking van 10 december 2004 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch op verzoek van Ovem BV i.l. appellant sub 1 en 2 aangewezen als de personen tegen wie Ovem BV i.l. haar vordering tot vernietiging van respectievelijk het bestemmingsbesluit van de stichting en het goedkeuringsbesluit van de raad van commissarissen kon instellen.

4.2.2. In zaak 351 tegen appellant sub 1 heeft Ovem BV i.l. in eerste aanleg, kort samengevat, primair een verklaring van recht gevorderd dat het bestemmingsbesluit nietig is, althans rechtsgeldig is ingetrokken, althans rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd, en subsidiair nietigverklaring, buiten toepassing verklaring, althans vernietiging van het bestemmingsbesluit.

In de zaak 353 tegen appellant sub 2 heeft Ovem BV i.l. een soortgelijke vordering (verklaring van recht van de nietigheid, subsidiair nietigverklaring, buiten toepassing verklaring althans vernietiging) gedaan ten aanzien van het besluit van de raad van commissarissen tot goedkeuring van het bestemmingsbesluit.

In de zaak 352 hebben de KHV's, kort samengevat, een verklaring van recht gevorderd van de geldigheid van het bestemmingsbesluit en de nietigheid van het intrekkingsbesluit, en veroordeling van Ovem BV i.l. tot betaling van een bedrag van € 491.812,=, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 13 december 2003, aan resterende fondsgelden en van een bedrag van € 20.000,=, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, ter vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

4.2.3. In de zaak 352 zijn in eerste aanleg pleidooien gehouden. De pleitnota's van die pleidooien zijn in de andere zaken bij akte in het geding gebracht, waarna in de drie zaken uitspraak is gevraagd.

De rechtbank heeft vervolgens in alle drie zaken geconcludeerd dat het bestemmingsbesluit nietig is in de zin van art. 2:14 BW. De rechtbank overwoog in dit verband dat het bestemmingsbesluit was genomen door appellant sub 1 terwijl, naar door Ovem BV i.l. bij het pleidooi was aangevoerd, het bestuur van de stichting volgens de statuten van de stichting uit negen personen bestond en, naar de rechtbank

- bij gebreke van enige nadere toelichting - afleidde uit de overgelegde statuten ten tijde van het bestemmingsbesluit in elk geval uit zeven personen bestond.

De rechtbank overwoog voorts (r.o. 4.4 in de zaken 351 en 352 en r.o 4.5 in zaak 353) ten overvloede dat het bestemmingsbesluit vernietigbaar was.

In de zaak 352 verwierp de rechtbank voorts het standpunt van de KVH's dat fondsengelden als een kwaliteitsrekening dienden te worden behandeld.

De rechtbank kwam op voormelde gronden (a) in de zaak van Ovem i.l. tegen appellant sub 1 (zaak 351) tot toewijzing van de door Ovem BV i.l. gevorderde verklaring van recht dat het bestemmingsbesluit nietig was, (b) in de zaak van Ovem BV i.l. tegen appellant sub 2 tot toewijzing van de gevorderde verklaring van recht dat het goedkeuringsbesluit nietig was en (c) in de zaak van de KHV's tegen Ovem BV i.l. tot afwijzing van de vorderingen van de KHV's.

4.2.4. In alle drie zaken is grief 1 gericht tegen het door de rechtbank in r.o. 2.6 in alle zaken als vaststaand aangenomen feit "Tussen de Stichting Ovem en de aandeelhouders is vanaf 1 juni 2002 onderhandeld over de verkoop van de aandelen Ovem B.V. aan de Stichting Ovem. Dit heeft niet geleid tot een overeenkomst."

Grief 2 is in alle zaken gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het bestemmingsbesluit nietig is in de zin van art. 2:14 BW en grief 3 tegen de overweging ten overvloede betreffende de vernietigbaarheid van dat besluit.

In grief 4 verwijten appellanten sub 1 en sub 2 de rechtbank dat zij bij haar oordeel ten onrechte voorbij is gegaan aan het karakter van de fondsgelden. Zij verwijzen in dit verband naar (de toelichting bij) grief 4 van de KHV's waarin de KVH's opkomen tegen de verwerping door de rechtbank van het standpunt van de KHV's dat de fondsgelden als een kwaliteitsrekening dienen te worden beschouwd.

Appellanten sub 1 en sub 2 hebben voorts nog een grief (grief 5) gericht tegen hun veroordeling in de proceskosten. In hun grief richten zij zich, ook voor het geval de beslissing van de rechtbank in hun zaken in hoger beroep zou worden bekrachtigd, in elk geval tegen het voor het procureurssalaris gehanteerde tarief.

4.3. Met betrekking tot grief 1 overweegt het hof dat in de onderhavige gedingen de vraag om welke reden het niet tot een door alle partijen beoogde overdracht van de aandelen aan de stichting is gekomen niet relevant is. In de onderhavige procedures is slechts van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat op 6 november 2003 (de vergadering waarin de aandeelhouders van Ovem te kennen gaven tot ontbinding en liquidatie van Ovem te willen overgaan) en 15 december 2003 (de vergadering waarin door de aandeelhouders tot ontbinding met onmiddellijke ingang en liquidatie werd besloten) de aandelen door de "oude" aandeelhouders werden gehouden en aan hen op die vergaderingen alle aan het aandeelhouderschap verbonden bevoegdheden toekwamen. De bevoegdheid van de aandeelhouders tot het nemen van dit besluit is door de KHV's, appellanten sub 1 en sub 2 niet betwist. Evenmin is door hen de geldigheid van het besluit ter discussie gesteld. Het hof is met de enkele constatering (r.o. 4.2.1, 5e gedachtestreepje), dat het niet tot een aandelenoverdracht is gekomen, aan het bezwaar in grief 1 tegemoetgekomen. Voor het overige kan grief 1 niet tot vernietiging van de bestreden vonnissen leiden.

4.4.1. In grief 2 voeren de KHV's, appellanten sub 1 en sub 2 aan dat, anders dan de rechtbank in haar vonnissen tot uitgangspunt heeft genomen, het bestemmingsbesluit niet is genomen door alleen het toenmalige bestuurslid van de stichting appellant sub 1 maar door het voltallige bestuur van de stichting. Daarna is, naar zij stellen, het op schrift gestelde - door het voltallige bestuur genomen - besluit alleen door appellant sub 1, de toenmalige voorzitter van de stichting, ondertekend. De KHV's, appellanten sub 1 en sub 2 stellen dat appellant sub 1 daartoe door de overige bestuursleden was gemachtigd. Van een onbevoegd genomen besluit of een in strijd met de statutaire vereisten tot stand gekomen besluit is volgens de KHV's, appellant sub 1 en sub 2 daarom geen sprake. De KHV's, appellanten sub 1 en sub 2 hebben ter ondersteuning van hun stelling schriftelijke verklaringen van acht van de negen toenmalige bestuursleden van de stichting overgelegd.

4.4.2. Het hof merkt allereerst op dat van nietigheid van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon als voorzien in art. 2:14 BW wel sprake is indien het besluit is genomen door een orgaan dat daartoe niet bevoegd was doch dat daarvan geen sprake is indien het desbetreffende besluit wel door het bevoegde orgaan is genomen doch tot stand is gekomen in strijd met wettelijke of statutaire bepalingen - uitgezonderd bepalingen als bedoeld in art. 2:14 lid 2 BW - die het tot stand komen van besluiten van dat orgaan regelen. In een dergelijk geval is niet art. 2:14 BW van toepassing doch art. 2:15 BW. Het besluit is in dat geval (art. 2:15 lid 1 onder a BW) niet nietig doch vernietigbaar. De vernietiging kan in dat geval geschieden op vordering van de rechtspersoon (bij een besluit van de stichting dus de stichting) of op een vordering van iemand die een redelijk belang heeft bij naleving van de niet nageleefde verplichting tegen de rechtspersoon (i.c. de stichting).

4.4.3. Gelet op het vorenstaande kan een vordering tot vernietiging van het besluit van de stichting op de grond dat dit besluit in strijd met de statutaire bepalingen van de stichting tot stand zou zijn gekomen in de onderhavige procedures, waarin de stichting geen partij is, niet aan de orde komen. Voor de in grief 2 aan de orde gestelde vraag of de rechtbank al dan niet het bestemmingsbesluit nietig heeft geoordeeld in de zin van art. 2:14 BW gaat het alleen om de vraag of dat besluit door het daartoe bevoegde orgaan is genomen.

4.4.4. Het hof stelt vast dat door de KHV's bij conclusie van repliek (21) niet meer is gesteld dan dat appellant sub 1 het bestemmingsbesluit voorafgaande aan de vergadering van aandeelhouders van Ovem van 15 december 2003 heeft ondertekend. De KHV's, appellanten sub 1 en sub 2 stellen naar het oordeel van het hof terecht dat aan de ondertekening van een besluit niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat het besluit alleen door de ondertekenende persoon is genomen. Dat geldt temeer indien dat besluit, zoals in dit geval (prod. 12 Ovem BV i.l.), door de desbetreffende persoon is ondertekend onder vermelding van diens hoedanigheid (i.c. voorzitter stichting Ovem) en nog meer indien dat besluit is neergelegd in correspondentie, zulks gelet op de in art. 9 van de statuten van de stichting aan de voorzitter gegeven bevoegdheid tot ondertekening van de stukken behorende bij de dagelijkse correspondentie. Ook al zouden de KHV's bij het pleidooi in eerste aanleg niet hebben gereageerd op de stelling van Ovem BV i.l., dat het bestuur van de stichting op dat moment (medio december 2003) uit negen personen bestond, dan kan daaraan naar het oordeel van het hof nog niet de conclusie worden verbonden dat het besluit niet door een daartoe bevoegd orgaan - van het tot dat besluit bevoegde orgaan van Ovem (de stichting als bestuurder van Ovem) - is genomen.

4.4.5. Gezien het hiervoor overwogene slaagt grief 2. Mede gelet op de door de KHV's overgelegde verklaringen van acht van de negen bestuurders van de stichting dat het bestemmingsbesluit een beslissing van hen allen was, is onvoldoende gebleken dat het bestemmingsbesluit dat de stichting in haar hoedanigheid van bestuurder van Ovem heeft genomen niet zou zijn genomen door degene(n) die op grond van de statuten van de stichting daartoe bevoegd waren.

4.5.1. Het slagen van grief 2 brengt mee dat alsnog de overige gronden waarop Ovem BV i.l. zich voor de door haar gestelde nietigheid dan wel vernietigbaarheid van het bestemmingsbesluit heeft beroepen dienen te worden beoordeeld.

4.5.2. In de eerste plaats is dat de betwisting van Ovem BV i.l. dat het bestemmingsbesluit is genomen op een tijdstip dat de stichting daartoe nog bevoegd was. Ovem BV i.l. betwist gemotiveerd dat het besluit van de stichting en het goedkeuringsbesluit van de raad van commissarissen vóór haar ontbinding op 15 december 2003 zijn genomen. Ovem BV i.l. betwist voorts, zo de besluiten tijdig zijn genomen, dat de stichting dit besluit nog rechtsgeldig kon nemen, omdat het door de daaraan verbonden voorwaarde pas werking zou hebben na de ontbinding van Ovem, derhalve op een moment dat de stichting niet meer tot het besturen van Ovem bevoegd was.

Ovem BV i.l. heeft zich verder beroepen op een geldige intrekking van het bestemmingsbesluit door de vereffenaar. Daarnaast beroept zij zich op het missen van toepassing, althans de vernietigbaarheid van het besluit omdat het volgens haar in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW wordt geëist en omdat handhaving van het bestemmingsbesluit gezien de wijze waarop dit tot stand is gekomen en de inhoud van het besluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW).

De laatste grond - vernietigbaarheid van het besluit wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid - is door de rechtbank gehonoreerd in de overweging ten overvloede van de rechtbank (r.o. 4.4 in de zaken tegen appellant sub 1 en de KHV's, r.o. 4.5 in de zaak tegen appellant sub 2). Het betreft de rechtsoverweging die in alle zaken door grief 3 wordt bestreden.

4.5.3. Het hof zal in het navolgende om proceseconomische redenen uitgaan van de veronderstelling dat het bestemmingsbesluit vóór de ontbinding van Ovem is genomen, op een moment dat de stichting nog als bestuurder van Ovem functioneerde. Het hof is, evenals de rechtbank in haar overweging ten overvloede, van oordeel dat in dat geval het beroep van Ovem BV i.o. op de vernietigbaarheid van het besluit slaagt. Het hof acht dit besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW wordt geëist. Uit de aan het besluit verbonden voorwaarde van een rechtsgeldig besluit tot ontbinding van Ovem, moet worden geconcludeerd dat het gaat om een besluit waarvoor bij een voortbestaan van Ovem op dat moment kennelijk geen aanleiding was en dat uitsluitend ten doel had dat de stichting haar bevoegdheid van bestuurder van Ovem aanwendde om bij voorbaat ten gunste van de KHV's te beschikken over onder Ovem berustende gelden teneinde te voorkomen dat na ontbinding van Ovem door de vereffenaar over die gelden zou worden beschikt c.q. die gelden bij liquidatie, voor zover niet voor de vereffening nodig, aan de aandeelhouders zouden worden uitbetaald. Voormeld doel wordt onderstreept door het feit dat het besluit werd genomen op een verzoek van de KHV's (de brief d.d. 12 december 2003 van de KHV's aan de stichting, prod. 9 Ovem BV i.l.) waarin die intentie is verwoord.

4.5.4. Naar het oordeel van het hof heeft de stichting op die manier in strijd met de door art. 2:8 BW vereiste redelijkheid en billijkheid haar bestuursbevoegdheid gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij als bestuurder was benoemd en getracht "over haar graf" te regeren. De stichting heeft zich door het nemen van dit besluit jegens Ovem en de aandeelhouders niet gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Zij heeft bij haar besluit uitsluitend de belangen van de KHV's - waarvan de vertegenwoordigers in haar waren verenigd - voor ogen gehad en zich aldus, mede gelet op het feit dat er zonder de voorgenomen ontbinding van Ovem voor het besluit op dat moment kennelijk onvoldoende aanleiding was, jegens de rechtspersoon (Ovem) niet gehandeld naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Ten aanzien van de aandeelhouders leidt het besluit - indien daaraan na de ontbinding nog uitvoering zou moeten worden gege-

ven - ertoe dat het de aan de aandeelhouders krachtens de statuten toekomende bemoeienis met de vereffening (door hun aanwijzing van de vereffenaar) geheel of ten dele frustreert en dat het de aanspraak van de aandeelhouders op het na de vereffening resterende saldo ondermijnt. Het behoeft geen betoog dat de stichting zich aldus jegens de aandeelhouders niet heeft gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.

4.5.5. Voor het goedkeuringsbesluit van de raad van commissarissen geldt mutatis mutandis hetzelfde.

4.5.6. De omstandigheid dat de stichting en appellant sub 2, als enige nog in functie zijnde lid van de raad van commissarissen, met de aanvragende KHV's van mening waren dat de resterende fondsgelden aan de KHV's ten goede dienden te komen doet aan het voorgaande niet af. Die omstandigheid rechtvaardigde niet de wijze waarop de stichting en appellant sub 2 dat doel hebben getracht te realiseren: een voortijdige bestemming van gelden teneinde die gelden bij ontbinding van Ovem uit handen van de aandeelhouders te houden en buiten de aandeelhouders om aan de KHV's ten goede te doen komen.

4.5.7. Dit geldt temeer nu appellant sub 1, appellant sub 2 en de KHV's zich op het standpunt stellen (toelichting grief 1) dat er tussen de stichting en de aandeelhouders van Ovem overeenstemming was bereikt over een overdracht van de aandelen van Ovem aan de stichting. In die visie zou het toch voor de hand hebben gelegen om van de aandeelhouders nakoming van die overeenkomst te vorderen of, voor zover geschilpunten van ondergeschikt belang daaraan nog in de weg stonden, dooronderhandeling daarover, zo nodig met behulp van een door hen tezamen in te schakelen derde. Indien naar de mening van de stichting en de KHV's de aandeelhouders in strijd handelden met de tussen partijen gemaakte afspraken en door hun besluit tot ontbinding van Ovem die afspraken doorkruisten, konden zij zich keren tegen het besluit tot ontbinding en/of de aandeelhouders anderszins voor het volgens hen onjuiste handelen aanspreken. In al die gevallen zouden de aandeelhouders hun andersluidende standpunten tegenover die van de KHV's en de stichting hebben kunnen stellen. Die kans is aan hen ontnomen bij de wijze waarop de KHV's en de stichting hebben getracht het volgens hen juiste resultaat te bewerkstelligen.

consequenties van het voorgaande voor de zaken 351 en 353

4.6.1. Het slagen van grief 2 brengt mee dat de vonnissen in de zaken tegen appellanten sub 1 en sub 2, waarbij de rechtbank voor recht heeft verklaard dat het bestemmingsbesluit en het goedkeuringsbesluit nietig zijn moeten worden vernietigd. Het hof zal in beide zaken de desbetreffende besluiten vernietigen.

4.6.2. In de zaak tegen appellant sub 2 heeft Ovem BV i.l. die vordering subsidiair gedaan. In die zaak vorderde Ovem BV i.l. primair een verklaring van recht dat dit besluit buitengerechtelijk is vernietigd. Die vordering stuit reeds af op het feit dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon gezien het bepaalde in art. 2:15 lid 3 BW alleen in rechte (en niet buitengerechtelijk) kan worden vernietigd.

4.6.3. In de zaak tegen appellant sub 1 heeft Ovem BV i.l. haar vordering tot vernietiging van het bestemmingsbesluit eveneens subsidiair gedaan. Zij heeft in die zaak primair een verklaring van recht van de nietigheid van dat besluit, althans rechtsgeldige intrekking van dat besluit, althans buitengerechtelijke vernietiging daarvan gevorderd. De primaire vordering dient ook hier te worden afgewezen. Voor wat betreft de in de primaire vordering jegens appellant sub 1 vervatte verwijzing naar de intrekking van het bestemmingsbesluit voegt het hof aan het in r.o. 4.6.2 overwogene nog toe dat die intrekking bij de brief van 4 mei 2004 is gericht aan de KHV's. Dit in aanmerking genomen en mede gelet op het feit dat appellant sub 1 door Ovem BV i.l. in de onderhavige procedure is betrokken op grond van zijn aanwijzing door de voorzieningenrechter als persoon tegen wie de subsidiaire vordering van Ovem BV i.l. tot vernietiging van het bestemmingsbesluit kon worden ingesteld, valt niet in te zien welk belang Ovem BV i.l. ten aanzien van appellant sub 1 op dit punt heeft bij haar primaire vordering.

4.7.1. De vernietiging van de tegen appellanten sub 1 en sub 2 gewezen vonnissen laat onverlet dat appellanten sub 1 en sub 2 ook bij de hierna door het hof te geven beslissing als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen dienen te worden aangemerkt. De rechtbank heeft hen daarom terecht veroordeeld in de proceskosten van de gedingen in eerste aanleg. Het hof is echter met appellanten sub 1 en sub 2 van oordeel dat in hun zaken bij de kostenveroordeling voor de begroting van het salaris procureur van tarief II moet worden uitgegaan. De grieven 5 slagen in zoverre.

4.7.2. Appellanten sub 1 en sub 2 zullen als de in het ongelijk gestelde partij eveneens worden verwezen in de proceskosten van het hoger beroep. Nu zij in hoger beroep tezamen één memorie van grieven hebben genomen waarop door Ovem BV i.l. bij één memorie van antwoord is gereageerd, zal het hof de kosten van Ovem BV i.l. voor het hoger beroep voor de helft aan elk van beide zaken toerekenen.

voorts in de zaak 352

4.8.1. Het hiervoor overwogene heeft voor de vorderingen van de KVH's tot gevolg dat hun vordering (1) van, kort gezegd, een verklaring van recht van de rechtsgeldigheid van het bestemmingsbesluit door de rechtbank terecht is afgewezen.

4.8.2. Ook de vordering (2) van een verklaring van recht van de nietigheid van het intrekkingsbesluit van 4 mei 2004 van de vereffenaar stuit af op de vernietiging van het bestemmingsbesluit en het goedkeuringsbesluit in de zaken 351 en 353. Door Ovem BV i.l. is terecht aangevoerd dat, gelet op het feit dat het bestemmingsbesluit en het daarvoor vereiste goedkeuringsbesluit op instigatie van de KHV's en met het door de KHV's zelf aangegeven doel zijn genomen, zich te dezen niet de in art. 2:16 lid 2 BW voorziene situatie voordoet dat de vernietiging van de besluiten niet aan de KHV's kan worden tegengeworpen omdat zij het aan de besluiten klevende gebrek niet kenden of behoefden te kennen. Bij onherroepelijke vernietiging van de besluiten is het intrekkingsbesluit niet meer relevant. Bovendien heeft Ovem BV i.l. terecht gewezen op het feit dat de intrekking van het bestemmingsbesluit berustte op het - in rechte gehonoreerde - standpunt van de vereffenaar dat het bestemmingsbesluit en de daarvoor vereiste goedkeuring van (het enige nog in functie zijnde lid van) de raad van commissarissen vernietigbaar waren. Ovem BV i.l. stelt naar het oordeel van het hof terecht dat het in die gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn geweest om van de vereffenaar een voorafgaande goedkeuring voor zijn besluit van voormelde commissaris te verlangen.

4.9.1. Voor de vordering (3) van de KHV's tot afdracht van de resterende fondsgelden dient thans nog grief 4 van de KHV's te worden besproken.

4.9.2. In grief 4 komen de KHV's op tegen de verwerping van hun standpunt dat er met betrekking tot de fondsgelden sprake is van een specifieke kwaliteitsrekening op het saldo waarvan niet Ovem maar de KHV's aanspraak kunnen maken. De KHV's stellen dat de fondsgelden werden gestort op een speciaal door Ovem geopende bankrekening met de vermelding "inzake inleggelden". Door het houden van de gelden op die rekening is volgens de KHV's voor crediteuren van Ovem voldoende kenbaar dat het tegoed op die rekening werd afgescheiden van het vermogen van Ovem. De KHV's hebben voorts gewezen op het feit dat de fondsgelden in de jaarrekeningen van Ovem niet als eigen vermogen doch als fondsen zijn gekwalificeerd en altijd buiten de winst- en verliesrekening zijn gehouden. Verder hebben zij gewezen op het karakter van de gelden als doelvermogen.

4.9.3. Deze grief faalt. Het enkele feit dat Ovem de inleggelden op een specifiek voor de ontvangst van de inleggelden bestemde rekening deed overmaken is, ook in samenhang met de andere door de KHV's genoemde feiten en omstandigheden, onvoldoende om daaraan de conclusie te verbinden dat Ovem de gelden op die rekening van haar vermogen beoogde af te zonderen en voor derden bedoelde te beheren. Het feit dat aan de KHV-veehouders inspraak in de besteding van de fondsgelden was verleend doordat voor de bestemming van die gelden goedkeuring was vereist van de raad van commissarissen en een derde deel van de commissarissen door de KHV-veehouders werd benoemd, onderstreept naar het oordeel van het hof juist dat de inleggelden wel tot het vermogen van Ovem behoorden en dat daarover door Ovem kon worden beschikt. Enig bewijs dat de inleggelden niet aan Ovem werden betaald doch slechts aan haar in beheer werden gegeven, is door de KHV's niet verstrekt.

4.9.4. Het falen van grief 4 betekent dat ook vordering 3 door de rechtbank terecht is afgewezen en dat, gelet op de afwijzing van de vorderingen 1 t/m 3, hetzelfde geldt voor de vordering onder 4 tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

4.10. Het vonnis waarvan beroep zal, gelet op het vorenstaande, worden bekrachtigd. De KHV's zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

5. De uitspraken

Het hof:

in de zaak HD 103.004.351:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

vernietigt het bestuursbesluit van 13 december 2003 tot bestemming van de fondsgelden (het bestemmingsbesluit {prod. 13});

wijst af het meer of anders gevorderde;

veroordeelt appellant sub 1 in de proceskosten van de eerste aanleg welke kosten aan de zijde van Ovem BV i.l. worden begroot op € 324,78 aan verschotten en op € 904,= aan salaris procureur;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt appellant sub 1 in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van Ovem BV i.l. tot op heden worden begroot op € 296,= aan verschotten en op € 447,= aan salaris procureur;

in de zaak HD 103.004.352:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt de KHV's in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van Ovem BV i.l. tot op heden worden begroot op € 5.834,= aan verschotten en op € 3.895,= aan salaris procureur.

in de zaak HD 103.004.353:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

vernietigt het besluit van de raad van commissarissen, gedateerd 13 december 2003 (het goedkeuringsbesluit {prod. 12});

wijst af het meer of anders gevorderde;

veroordeelt appellant sub 2 in de proceskosten van de eerste aanleg welke kosten aan de zijde van Ovem BV i.l. worden begroot op € 324,78 aan verschotten en € 904,= aan salaris procureur;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt appellant sub 2 in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van Ovem BV i.o. tot op heden worden begroot op € 296,= aan verschotten en op € 447,= aan salaris procureur;

in alle zaken:

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schaik-Veltman,

Venhuizen en Fikkers en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 26 augustus 2008.