Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BG1055

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-09-2008
Datum publicatie
31-12-2008
Zaaknummer
C07/00188
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof overweegt hierover het volgende. Aan de verwijzing op de offertes van [geïntimeerde] kan redelijkerwijs geen andere betekenis worden toegekend dan dat zij haar leveringsvoorwaarden van toepassing wilde doen zijn op de overeenkomst van onderaanneming door haar uit te voeren werkzaamheden. Vast staat dat HJW de toepasselijkheid van deze voorwaarden niet uitdrukkelijk van de hand heeft gewezen. HJW heeft haar eigen voorwaarden van toepassing verklaard, maar dat is gelet op het bepaalde in artikel 6:225 lid 3 BW niet voldoende. [geïntimeerde] heeft als eerste verwezen en deze verwijzing wordt niet teniet gedaan door de nadien gesloten overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2009, 22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraaktyp. CB

zaaknr. HD 103.004.650

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 9 september 2008,

gewezen in de zaak van:

1. [GEINTIMEERDE SUB 1],

gevestigd te [plaats], gemeente [gemeente],

2. [GEINTIMEERDE SUB 2],

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

3. [GEINTIMEERDE SUB 3],

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

appellanten in het principaal appel bij

exploot van dagvaarding van 2 februari 2007,

geïntimeerden in het incidenteel appel,

verder: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HOEFNAGELS EN JANSSEN-WAYERS B.V.,

gevestigd te Tilburg,

geïntimeerde in het principaal

appel bij gemeld exploot,

appellante in het incidenteel appel,

verder: HJW,

advocaat: mr. J.E. Benner,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 15 november 2006 tussen [geïntimeerde] als gedaagden en HJW als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 91907/HA ZA 01- 118)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en de tussenvonnissen van 29 januari 2003 en 28 juli 2004.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [geïntimeerde] is van het eindvonnis van 15 november 2006 tijdig in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft [geïntimeerde] zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het eindvonnis van 15 november 2006 en van de tussenvonnissen van 29 januari 2003 en 28 juli 2004 en, kort gezegd, tot alsnog afwijzing van de vorderingen van HJW met veroordeling van HJW in de kosten van beide instanties, met rente en uitvoerbaar bij voorraad.

2.2 Bij memorie van antwoord in het principaal appel, tevens memorie van grieven in het incidenteel appel heeft HJW de grieven van [geïntimeerde] bestreden, in het incidenteel appel vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het eindvonnis van 15 november 2006 en tot toewijzing van een schadevergoeding van € 79.119,13 met rente en kosten, uitvoerbaar bij voorraad.

2.3 Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft [geïntimeerde] de grieven van HJW bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het eindvonnis van 16 november 2006 voor zover in het incidenteel appel bestreden met veroordeling van HJW in de kosten van het incidenteel appel, met rente.

2.4 Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

In het principaal appel en in het incidenteel appel

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven.

4. De beoordeling

In het principaal appel en in het incidenteel appel

4.1 [geïntimeerde] is bij appeldagvaarding alleen van het eindvonnis in beroep gekomen, maar uit de inhoud van de memorie van grieven blijkt dat dit beroep zich mede uitstrekt over beide tussenvonnissen. HJW heeft dit ook zo begrepen gezien de inhoud van haar memorie van antwoord/grieven.

4.2 Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende.

HJW en [geïntimeerde] hebben begin 1999 een overeenkomst van onderaanneming gesloten waarbij [geïntimeerde] diverse producten van HJW in het kantoor 'Metropool' te Best zou monteren. Het ging hierbij onder meer om het monteren van aluminium ramen, deuren, puien en vliesgevel.

Bij brieven van 3 februari 1999 en 8 maart 1999 heeft [geïntimeerde] daartoe aan HJW drie offertes uitgebracht. Op deze brieven staat steeds rechts onderaan gedrukt: "zie ook onze leveringsvoorwaarden" (prod. 1 cva).

Onder verwijzing naar deze drie offertes heeft HJW op 22 maart 1999 aan [geïntimeerde] een opdrachtbevestiging gestuurd. Hierin is als totale aanneemsom een bedrag van ƒ 58.285,= opgenomen. In de opdrachtbevestiging is vermeld: "Voor deze opdracht zijn de algemene inkoop- en (onder)aannemingsvoorwaarden VMRG van toepassing, welke u als bijlage aantreft" (prod. 2 cva). De opdrachtbevestiging is door [geïntimeerde] voor akkoord getekend teruggezonden.

Over de uitvoering van de montagewerkzaamheden door [geïntimeerde] zijn problemen gerezen.

4.3 In deze procedure stelt HJW dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekortgeschoten is bij de uitvoering van de onderaannemingsovereenkomst. Volgens HJW heeft [geïntimeerde] de overeengekomen montageduur van acht weken overschreden, heeft [geïntimeerde] de overeengekomen werkzaamheden ondanks sommaties en aansprakelijkstellingen niet volledig en niet deugdelijk uitgevoerd en heeft [geïntimeerde] onvoldoende personeel ingezet. HJW stelt dat zij daardoor genoodzaakt is geweest derden in te schakelen voor het verrichten van de montagewerkzaamheden. In verband hiermee vordert HJW vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de wanprestatie van [geïntimeerde]. Het gaat hierbij (na wijzigingen van de eis) om een bedrag van € 79.119,13 aan hoofdsom, € 1.588,23 aan buitengerechtelijke kosten en € 1.840,69 aan wettelijke rente, te vermeerderen met rente en (beslag)kosten (r.o. 2.5 eindvonnis). [geïntimeerde] heeft de vordering van HJW gemotiveerd weersproken, zowel wat betreft de gestelde wanprestatie als wat betreft de hoogte van de door HJW gestelde schade.

4.4 Bij tussenvonnis van 29 januari 2003 heeft de rechtbank HJW op drie onderdelen een bewijsopdracht verstrekt. Bij tussen vonnis van 28 juli 2004 heeft de rechtbank HJW in het bewijs geslaagd geoordeeld en met betrekking tot de omvang van de gestelde schade op drie punten een bewijsopdracht verstrekt. Bij eindvonnis van 15 november 2006 heeft de rechtbank een bedrag van € 38.793,72 met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2001 (datum conclusie van repliek) toegewezen en de vordering voor het overige afgewezen. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.

4.5 Met betrekking tot de toepasselijkheid van algemene voorwaarden op de onderaannemingsovereenkomst heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 29 januari 2003 overwogen dat partijen hebben gedebatteerd over de al dan niet toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van HJW. Deze discussie werd door de rechtbank niet relevant geacht omdat HJW alleen in verband met de bevoegdheid van de rechtbank een beroep op haar algemene voorwaarden deed en [geïntimeerde] zich niet op de relatieve onbevoegdheid van de rechtbank beriep. De kwestie van de toepasselijkheid van algemene voorwaarden is om die reden door de rechtbank niet verder besproken.

4.6 Grief I in het principaal appel heeft hierop betrekking. Volgens [geïntimeerde] zijn haar leveringsvoorwaarden van toepassing nu zij daarnaar heeft verwezen op haar offertes en HJW de toepasselijkheid ervan niet uitdrukkelijk van de hand heeft gewezen in haar opdrachtbevestiging of anderszins. [geïntimeerde] verbindt thans in hoger beroep aan de toepasselijkheid van haar leveringsvoorwaarden vergaande consequenties met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van HJW (mvg punt 5 en 6).

4.7 Volgens HJW zijn de leveringsvoorwaarden van [geïntimeerde] niet van toepassing omdat in de overeenkomst die door partijen is ondertekend, uitdrukkelijk de toepasselijkheid van de VMRG-voorwaarden is bedongen. Uit de door [geïntimeerde] op haar offertes gebruikte zinsnede blijkt volgens HJW niet dat [geïntimeerde] heeft beoogd de toepasselijkheid van haar voorwaarden te bedingen en om welke voorwaarden het zou gaan.

4.8 Het hof overweegt hierover het volgende. Aan de verwijzing op de offertes van [geïntimeerde] kan redelijkerwijs geen andere betekenis worden toegekend dan dat zij haar leveringsvoorwaarden van toepassing wilde doen zijn op de overeenkomst van onderaanneming door haar uit te voeren werkzaamheden. Vast staat dat HJW de toepasselijkheid van deze voorwaarden niet uitdrukkelijk van de hand heeft gewezen. HJW heeft haar eigen voorwaarden van toepassing verklaard, maar dat is gelet op het bepaalde in artikel 6:225 lid 3 BW niet voldoende. [geïntimeerde] heeft als eerste verwezen en deze verwijzing wordt niet teniet gedaan door de nadien gesloten overeenkomst.

4.9 Iets anders is of duidelijk is naar welke voorwaarden werd verwezen. [geïntimeerde] verwijst in dit verband naar de voorwaarden die door haar in eerste aanleg zijn overgelegd (prod. 11 cva). Echter, uit de verwijzing op de offertes zelf blijkt niet dat dit ook de voorwaarden zijn die ten tijde van het sluiten van de onderaannemingsovereenkomst voor dit soort opdrachten golden.

4.10 Partijen zijn tot dusver slechts in beperkte mate ingegaan op de vraag of de overgelegde leveringsvoorwaarden van [geïntimeerde] van toepassing zijn op de onderaannemingsovereenkomst en zo ja, welke consequenties daaraan verbonden dienen te worden. Aangezien de beoordeling van de vordering van HJW in belangrijke mate wordt bepaald door het antwoord op deze vraag, acht het hof het wenselijk dat partijen zich hierover eerst nader uitlaten alvorens het hof tot die beoordeling zelf overgaat. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor akte aan de zijde van [geïntimeerde]. HJW zal daarna een antwoordakte kunnen nemen. Voor de goede orde merkt het hof op dat deze aktewisseling uitsluitend voor dit doel is bestemd en dat andere onderwerpen er niet in aan de orde gesteld kunnen worden.

4.11 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De uitspraak

Het hof:

in het principaal appel en in het incidenteel appel

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 7 oktober 2008 voor akte aan de zijde van [geïntimeerde] met het hiervoor onder 4.9 aangeduide doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Meulenbroek, Keizer en Hofkes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 september 2008.