Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BF9941

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-08-2008
Datum publicatie
16-10-2008
Zaaknummer
07/00121
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is door zijn werkgever een auto ter beschikking gesteld. Hij heeft in zijn aangifte geen voordeel ter zake van privé-gebruik van de auto vermeld.

Het hof overweegt dat op belanghebbende de bewijslast rust te doen blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Vanwege de onvolkomenheden in de rittenadministratie oordeelt het hof dat belanghebbende in deze bewijslast niet is geslaagd. De omstandigheden dat de werkgever van belanghebbende (de BV waarvan hij dga is) heeft verklaard dat privé-gebruik niet is toegestaan en dat belanghebbendes echtgenote en dochter hebben verklaard dat belanghebbende de auto niet privé heeft gebruikt, zijn van onvoldoende gewicht om het hof tot een ander oordeel te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/3.1.2
FutD 2008-2224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 07/00121

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y, hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 13 februari 2007, nummer 06/2000 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslagen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.611. Over het jaar 2002 is ook een aanslag ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna WAZ) opgelegd. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de voorgenoemde aanslagen gehandhaafd.

1.2. Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.109, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38.

1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 105. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk bericht geen gebruik te maken van de mogelijkheid om een conclusie van dupliek in te dienen.

1.5. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6. De zitting heeft plaatsgehad op 19 juni 2008 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.8. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende, geboren 4 november 1944, gehuwd, is directeur/grootaandeelhouder van A B.V. (hierna: de B.V.).

2.2. Belanghebbende is in de onderhavige jaren door zijn werkgever (de B.V.) een personenauto van het merk Renault, type Espace, met kenteken 00-XX-XX (hierna: de auto) ter beschikking gesteld.

2.3. Ter zake van de omstandigheid, dat hem gedurende de onderhavige jaren in verband met het vervullen van zijn dienstbetrekking een personenauto ter beschikking was gesteld, heeft belanghebbende in zijn aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de onderhavige jaren op de voet van artikel 3.145 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001(gelezen in de voor de onderhavige jaren geldende tekst; hierna: Wet IB 2001) geen voordeel ter zake privé-gebruik van de auto vermeld.

2.4. Belanghebbende heeft in de jaren 2002 en 2003 met betrekking tot het gebruik van de auto een kilometeradministratie bijgehouden, waarin de dag en datum, de beginstand en de eindstand van de kilometerteller en de bezochte plaats zijn vermeld.

2.5. Naar aanleiding van een door de Inspecteur aan belanghebbende met dagtekening 13 december 2005 gezonden verzoek om nadere informatie omtrent het al dan niet voor privé-doeleinden gebruiken van de auto in het jaar 2002 deelt belanghebbende mede dat vanaf 2002 geen agenda's meer voorhanden zijn. In zijn brief van 3 maart 2006 vermeldt hij: "Bij een crash van de computer, waar agenda's e.d. opgeslagen waren zijn (...) deze gegevens vernietigd.".

2.6. Naar aanleiding van vragen inzake de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2003 heeft belanghebbende twee facturen uit 2003 van autogarage B te Y overgelegd. Als bijlage bij zijn brief van 6 januari 2006 stuurt belanghebbende twee facturen uit 2003 van Renault-garage C B.V. te D.

2.7. In een brief met dagtekening 5 januari 1996 welke door belanghebbende is ondertekend, geeft de B.V. aan dat elk privé-gebruik van de voertuigen van de B.V. niet is toegestaan.

2.8. De echtgenote en dochter van belanghebbende hebben verklaard dat belanghebbende de auto niet voor privé-doeleinden gebruikt.

2.9. De Inspecteur heeft ingevolge het bepaalde in artikel 3.145, lid 1 van de Wet IB 2001 het privé-gebruik van de auto vastgesteld op 25% van € 29.677 is € 7.419 voor 2002 en op 25% van € 31.340 is € 7.835 voor 2003 en dienovereenkomstig de aanslagen opgelegd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht wegens privégebruik van de auto de forfaitaire bijtelling als bedoeld in artikel 3.145, lid 1, van de Wet IB 2001 heeft toegepast. De hoogte van de bijtelling als zodanig is, naar het Hof verstaat, tussen partijen niet in geschil.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij

hieraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de aanslagen over het jaar 2002 en 2003 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 15.192 en € 5.274. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

4.1. Indien, zoals in de onderhavige zaak, door de werkgever aan de belastingplichtige ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt op grond van artikel 3.145, lid 1, Wet IB 2001, het voordeel op jaarbasis gesteld op ten minste 25% van de waarde van deze auto en wordt de auto in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld, tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

4.2. Op belanghebbende rust de bewijslast te doen blijken - dat wil zeggen overtuigend aan te tonen - dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Het Hof ziet zich voor de vraag gesteld of belanghebbende met al het door hem aangevoerde, middels de overgelegde rittenregistratie en middels de overgelegde overige bescheiden, geslaagd is in dit in artikel 3.145 Wet IB 2001 van hem te verlangen bewijs.

4.3. Het Hof stelt ten aanzien van de rittenregistraties vast dat:

- opvolgende begin- en eindstanden op verschillende dagen niet aansluiten;

- zeer grote afwijkingen bestaan in gereden kilometers bij verschillende ritten van en naar Tsjechië, zoals bijvoorbeeld:

Datum Reis Aangegeven kilometers Verschil

14-04-02

SHM – Baroch Dobra, Pilzen 1559

12-06-02

TJT Dobra, Pilzen - SHM 2559 1000

16-12-02

heen SHM - TJT via Klatovy, Ostrava 1898

16-12-02

terug TJT Klatovy, Ostrava – SHM 1689 209

08-03-03

heen SHM – TJT Ostrava via Praag, Klatovy Sumperk 1621

30-05-03

heen SHM – TJT Ostrava, Praag 1782 161

12-03-03

heen TJT Praag, Klatovy Ostrava, Sumperk 1765

05-06-03

heen TJT Ostrava via Klat – SHM 2256 491

25-06-03

heen SHM – TJT Ostrava 1531

29-06-03

terug TJT – SHM 1281 250

- indien wordt afgeweken van de gebruikelijke route de gevolgde route (omrijkilometers en gemiste afslagen) niet is opgenomen.

Het Hof concludeert hieruit dat belanghebbende er niet in is geslaagd het op grond van artikel 3.145 van de Wet IB 2001, vereiste bewijs te leveren dat in de onderhavige jaren met de auto op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gereden. Hetgeen belanghebbende in beroep aanvoert omtrent de onvolkomenheden in de administratie is te algemeen en ontoereikend om daaraan de vereiste bewijskracht toe te kennen.

4.4. De door belanghebbende overgelegde, en door hem ondertekende verklaring van de B.V. alsmede verklaringen van belanghebbendes echtgenote en dochter, betrekking hebbende op het gebruik van de auto, zijn naar het oordeel van het Hof niet van voldoende gewicht om tot een andere conclusie te komen.

4.5. Indien belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de Inspecteur in strijd met artikel 10, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gehandeld doordat de onderhavige aanslagen en bezwaarschriften zijn behandeld door één en de zelfde ambtenaar, verwerpt het Hof deze grief. Gelet op de geloofwaardige verklaring van de Inspecteur ter zitting, wordt de behandeling van zowel de aangifte als het daarop volgende bezwaarschrift zodanig administratief en organisatorisch gescheiden dat aan het voormelde wettelijke vereiste wordt voldaan; ook in het onderhavige geval is aan dit vereiste volgens de Inspecteur voldaan. Hetgeen belanghebbende daartoe heeft aangevoerd, acht het Hof onvoldoende om schending van voormeld artikel aanwezig te achten.

4.6. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur en dient de uitspraak van de Rechtbank te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op: 22 augustus 2008 door J.W.J. Huige, voorzitter, P. Fortuin en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier.

De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.