Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BF9937

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-08-2008
Datum publicatie
16-10-2008
Zaaknummer
07/00029
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ5002, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende exploiteert een landbouwonderneming. Tot het ondernemingsvermogen behoort een woning met een ondergrond van 500 m2. Vanwege de slechte staat van de woning besluit belanghebbende een nieuwe woning te bouwen. Daarvoor boekt hij 1000 m2 weiland van het agrarisch bouwblok naar zijn privé-vermogen. Na voltooiing van de bouw van de nieuwe woning wordt de oude woning gesloopt; de ondergrond blijft tot het ondernemingsvermogen behoren. Nu de onttrokken grond niet meer in het kader van de uitoefening van het landbouwbedrijf wordt aangewend is de landbouwvrijstelling volgens het hof niet van toepassing. Dat belanghebbende reeds over de oorspronkelijke woning op het bedrijfsperceel beschikt, doet daar niet aan af, nu deze tot het ondernemingsvermogen blijft behoren. Voorts mocht belanghebbende volgens het hof niet vertrouwen op het opgestelde taxatierapport nu belanghebbende wist of moet hebben geweten dat de taxateurs daarbij van een onjuist uitgangspunt zijn uitgegaan. Ook kan belanghebbende zich niet met succes beroepen op het Besluit van 8 maart 2006, BNB 2006/197, nu de keuze om de nieuwe woning tot het privé-vermogen te rekenen in volgende jaren heeft geleid tot onherroepelijke fiscale gevolgen.

(Hoger beroep ongegrond.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-2175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 07/00029

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y, hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda

(hierna: de Rechtbank) van 27 november 2006, kenmerk 05/4907 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 79.335, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.271.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.151.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 105. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 22 mei 2008 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. De Inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende exploiteert een landbouwonderneming in de vorm van een éénmanszaak op het adres A-straat 1 te Y. Tot het ondernemingsvermogen behoorde een woning met ondergrond (hierna: oorspronkelijke woning) gelegen bij het bedrijf. De ondergrond van de oorspronkelijke woning heeft een omvang van 500 m2.

2.2. Belanghebbende besluit vanwege de slechte staat van de oorspronkelijke woning tot de bouw van een nieuwe woning. In verband hiermee heeft belanghebbende in 2001 een gedeelte groot 1000 m2 van het agrarisch bouwblok overgeboekt naar zijn privé-vermogen. Het agrarisch bouwblok is dat gedeelte van de grond waarop bebouwing met een woning en/of bedrijfsgebouwen is toegestaan.

2.3. De ondergrond van de nieuwe woning was ten tijde van overgang naar privé binnen de onderneming in gebruik als weiland. Daarvoor hebben op dit stuk grond kippenschuren gestaan.

2.4. Na de bouw van de nieuwe woning is de oorspronkelijke woning in 2002 gesloopt. De ondergrond van de oorspronkelijke woning blijft aangewend binnen de onderneming van belanghebbende en is tot het ondernemingsvermogen blijven behoren.

2.5. In september 2001 sluiten belanghebbende en de Inspecteur een overeenkomst tot gezamenlijke taxatie. Als reden voor de taxatie wordt genoemd: "Overbrenging 1000 m2 van het agrarisch bouwblok naar privé ivm bouw woning.". Verder is in de overeenkomst vermeld: "Er is geen sprake van een woning nu. Er wordt grond overgebracht naar privé t.b.v. bebouwing in de toekomst.". Als aard van de onroerende zaak is vermeld: "bouwland".

2.6. In het op 25 september 2001 naar aanleiding van voorgenoemde overeenkomst opgemaakt taxatierapport wordt de waarde in het economisch verkeer (WEV) van de grond per 31 december 2001 (hierna: peildatum) door de taxateurs gezamenlijk getaxeerd op fl. 100.000 (€ 45.378). De waarde in het economisch verkeer bij agrarische bestemming (WEVAB) van deze grond per peildatum wordt eveneens gezamenlijk getaxeerd op fl. 100.000 (€ 45.378). In het taxatierapport wordt onder het kopje "indeling en omschrijving" de grond omschreven als "Het perceel betreft circa 1000 m2 ondergrond voor een nieuw te bouwen woning.".

2.7. In een op 19 november 2004 door de Belastingdienst opgemaakt taxatierapport worden de WEV en de WEVAB van de grond als agrarisch erf (geen bebouwing) per peildatum geschat op € 9.000.

2.8. In de fiscale jaarrapportage over het jaar 2001 van belanghebbende is in de winst en verliesrekening een bijzondere bate van € 45.138 onder de noemer "boekwinst op grond" verantwoord. Op bladzijde twaalf van dit rapport is als toelichting op deze boekwinst opgenomen: "Boekwinst op landbouwgrond (onbelast; WEV is WEVAB)". In de aangifte is deze winst niet opgenomen.

2.9. Bij het vaststellen van de aanslag is door de Inspecteur ter zake van het overbrengen van de grond naar het privé-vermogen een belastbare winst van € 41.294 (fl. 100.000 -/- fl. 9.000) in aanmerking genomen. Belanghebbende is tegen deze aanslag in bezwaar gekomen.

2.10. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de belastbare winst ter zake van het overbrengen van de grond verminderd naar € 36.378 (fl. 100.000 -/- fl. 19.833,39; fl. 19.833,39 = € 9.000).

2.11. Tussen partijen is niet in geschil dat op de in aanmerking genomen winst van € 36.378 alsnog een bedrag van € 120 taxatiekosten in aftrek dient te komen.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Wordt met betrekking tot het overbrengen van 1000 m2 grond in 2001 naar het privé-vermogen belastbare winst gerealiseerd?

2. Zo ja, wat is de hoogte van deze winst?

3. Is alsnog een beroep op de regeling zoals opgenomen in het Besluit van 8 maart 2006, BNB 2006/197 (hierna: het Besluit) mogelijk waardoor de winst op de ondergrond van de woning alsnog geheel wordt vrijgesteld?

Belanghebbende is van mening dat de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord. Hij beroept zich hierbij tevens op het vertrouwensbeginsel. Bij een positieve beantwoording van de eerste vraag is belanghebbende van mening dat een belastbare winst van € 17.758 in aanmerking dient te worden genomen. Tot slot is belanghebbende van mening dat een beroep op het Besluit hem niet mag worden onthouden.

De Inspecteur is van mening dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord en dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. De winst bedraagt volgens de Inspecteur € 36.258 (€ 36.378 -/- € 120). De Inspecteur is verder van mening dat geen beroep op het Besluit mogelijk is.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

In 2001 is de nieuwe woning gebouwd op het bouwblok. Voorwaarde was dat de oude woning zou worden gesloopt. Er is geen sprake van bestemmingswijziging. Er zou ook sprake moeten zijn van een stukje coulance. Als ik niet gekozen had voor privé-vermogen, wat de belastingdienst juist graag wil, dan had ik van het Besluit gebruik kunnen maken. Nu krijg ik geen herkansing. Uit de taxatie volgt dat er geen belastingclaim is. Als dat wel het geval was geweest hadden we het niet gedaan. Bij vergelijkbare gevallen is ook geen claim gelegd als het agrarisch gebruik overheersend was. Dat laatste is hier ook het geval.

Wat betreft de prijs per m2 bij mijn stelling inzake de hoogte van de boekwinst ben ik uitgegaan van een hogere waarde dan de bij de WOZ gehanteerde waarde van € 24,71 omdat dat wat dienstbaar aan het bedrijf is, een hogere waarde krijgt. Ik heb geen afzonderlijke taxatie op laten maken. Achteraf had ik de woning in het bedrijfsvermogen moeten laten zitten. Dan had ik het in 2005 onbelast naar privé kunnen overbrengen.

De Inspecteur

Er gaat een stuk grond naar privé. Dat kun je niet zoals belanghebbende stelt compenseren. Het overbrengen van cultuurgrond is anders dan het overbrengen van ondergrond voor een woning. Het beleid van de belastingdienst is niet gericht op overbrenging van woningen naar het privé-vermogen. Er is gewoon sprake van keuzevermogen. Ik ben verder niet gebonden aan uitlatingen van de taxateur. Alsnog een keuze op basis van het Besluit is niet mogelijk. Aanslagen over de jaren daarna staan immers onherroepelijk vast.

3.3. Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur en vermindering van de aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.729. Belanghebbende concludeert subsidiair tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur en vermindering van de aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.651.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.1. Artikel 3.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bepaalt dat de winst ter zake van waardeveranderingen van gronden voor zover die waardeverandering is toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economisch verkeer bij voortzetting van de aanwending van de grond in het kader van een landbouwbedrijf is vrijgesteld. Deze vrijstelling is niet van toepassing op de waardeverandering die ontstaat bij onttrekking van grond ten behoeve van de bouw van een woning. Deze grond wordt immers voortaan niet meer in het kader van de uitoefening van het landbouwbedrijf aangewend.

4.1.2. Het feit dat belanghebbende ten tijde van het overbrengen van de grond naar zijn privé-vermogen reeds over de oorspronkelijke woning op het bedrijfsperceel beschikt, doet aan het voorgaande niet af. De oorspronkelijke woning en ondergrond blijven immers tot het ondernemingsvermogen behoren. Van een herschikking of ruil, zodat geen bestemmingswijzigingswinst ontstaat, is daarom geen sprake. Dit is niet anders nu een nieuwe woning alleen mag worden gebouwd onder de voorwaarde dat de oorspronkelijke woning moet worden gesloopt.

4.1.3. Belanghebbende is van mening dat hij mocht vertrouwen op het door deskundigen opgestelde taxatierapport en dat er geen reden was om te twijfelen aan de juistheid van dit rapport. In dit rapport is de waarde van het perceel op basis van de WEV, leeg op te leveren, geschat op fl. 100.000

(€ 45.378), en hebben de taxateurs verklaard dat de WEV gelijk is aan de WEVAB. Onder het kopje "indeling en omschrijving" van dit rapport wordt de grond omschreven als "ondergrond voor een nieuw te bouwen woning".

4.1.4. Dit standpunt van belanghebbende is onjuist nu, naar partijen bekend en niet in geschil, de grond in gebruik was als weiland. Het Hof is dan ook van oordeel dat belanghebbende en zijn gemachtigde wisten of moeten hebben geweten dat de taxateurs van een onjuist uitgangspunt zijn uitgegaan. Ook de fiscale consequenties hiervan (lagere WEVAB, hogere belastbare winst) heeft belanghebbende, aan wie de kennis en de wetenschap van zijn adviseur worden toegerekend, geweten of moeten hebben geweten. Van een in rechte te honoreren, door het taxatierapport, opgewekt vertrouwen kan dan geen sprake zijn. Verder is gesteld noch gebleken dat belanghebbende door zijn keus voor overdracht van de grond naar zijn privé-vermogen enige schade - anders dan het verschuldigd worden van de belasting - heeft geleden. Het beroep van belanghebbende op het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2006, BNB 2007/151 inzake het niet kunnen toerekenen van de kennis van de gemachtigde aan belanghebbende kan niet slagen. Het gaat in onderhavige geval niet om vergrijpboeten als bedoeld in de artikelen 67d en volgende van de Algemene wet inzake rijksbelastingen alsmede de betekenis daarbij van het EVRM, zodat toerekening mogelijk is.

4.2. De stelling van belanghebbende dat de bij de berekening van de bestemmingswijzigingswinst in aanmerking te nemen WEVAB van de 1000 m2 naar privé-vermogen over te brengen grond € 27.500 is, waardoor de belastbare winst € 17.758 bedraagt, wordt noch met behulp van een taxatierapport noch met andere stukken onderbouwd. Belanghebbende verwijst uitsluitend naar de W.O.Z.-waarde per 1 januari 2003 welke naar zijn zeggen € 24,71 per m2 voor 4.250 m2 bedraagt. De Inspecteur heeft hiertegen onweersproken gesteld dat het door hem overgelegde taxatierapport waaruit een WEVAB voor de grond van € 9.000 volgt, kan worden gestaafd met gezamenlijke taxaties in de regio alsmede met een verkoopakte. Gelet op het vorenoverwogene, komt naar het oordeel van het Hof aan de voormelde verwijzing door belanghebbende, onvoldoende bewijskracht toe tegenover het taxatierapport dat de Inspecteur heeft ingebracht.

4.3. Het Hof is van oordeel dat een beroep op het Besluit, zoals door belanghebbende gesteld, niet mogelijk is. Belanghebbende heeft in 2001 de keuze gemaakt de grond voor de nieuwe woning tot het privé-vermogen te rekenen. Deze keuze heeft in volgende jaren geleid tot onherroepelijke fiscale gevolgen zodat belanghebbende niet meer op deze keuze kan terugkomen. De in het Besluit genoemde situaties en regeling zijn alleen daarom al niet op belanghebbende van toepassing.

4.4. Gelet op het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur. Het hoger beroep van belanghebbende dient ongegrond te worden verklaard en de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.5. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.6. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond,

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op: 14 augustus 2008 door J.W.J. Huige, voorzitter, P. Fortuin en J.G. Verseput, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.