Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BF8472

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
13-10-2008
Zaaknummer
20-003998-07
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM9128, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BM9128
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van de enkele omstandigheid dat de kleding van het slachtoffer niet overeenkomstig de richtlijnen voor forensisch-technisch opsporings-onderzoek is veiliggesteld, is niet aannemelijk geworden dat er mogelijk sprake is geweest van contaminatie van DNA-sporen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat op de kledingstukken slechts twee DNA-profielen gevonden zijn; een profiel overeenkomend met het DNA-profiel van het slachtoffer en een profiel overeenkomend met het DNA-profiel van verdachte. Van een DNA-profiel op genoemde kleding dat niet overeenkomt met één van deze twee profielen, is geen sprake. Gelet hierop valt niet te zien hoe in dit geval van contaminatie van sporen sprake zou zijn. Nu er DNA-sporen die overeenkomen met het DNA-profiel van verdachte zijn aangetroffen op zowel het T-shirt, de BH als het slipje van het slachtoffer, acht het hof het niet aannemelijk dat louter als gevolg van een gebrek (forensisch-technisch bezien) in het veiligstellen van de kleding het DNA-profiel van verdachte op die kleding zou zijn terechtgekomen.

Voorts is door de verdediging aangevoerd dat de biologische sporen niet op deugdelijke wijze zijn veiliggesteld en bewaard omdat door moeder van het slachtoffer de kledingstukken uit de wasmand (vochtige ruimte) zijn gehaald.

Het hof overweegt hieromtrent dat blijkens de door de raadsman overgelegde stukken de genoemde eisen gesteld worden aan het veiligstellen en bewaren van biologische sporen om zorg te dragen dat het DNA niet wordt afgebroken of de kwaliteit ervan afneemt door deze invloeden. Van een dusdanige afname van kwaliteit is het hof, gelet op de resultaten van het DNA-onderzoek, niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-003998-07

Uitspraak : 27 augustus 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 oktober 2007 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-835248-06 en 01-820151-07, tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

thans verblijvende in Huis van Bewaring [Naam HvB].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats][pleegplaats], [adres], toegewezen tot een bedrag van EUR 2580,--. De voeging duurt in hoger beroep van rechtswege voort voor zover de vordering is toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep - binnen de grenzen van haar vordering in eerste aanleg - opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De vordering van de benadeelde partij strekt in hoger beroep derhalve tot betaling van EUR 8580,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats][pleegplaats], [adres], geheel toegewezen. De vordering duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte zal veroordelen ten aanzien van het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-835248-06 primair en het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-820151-07 onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde.

Primair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren waarvan 1 jaar geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geheel zal toewijzen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal heeft subsidiair gevorderd dat het hof, indien het hof tot de conclusie mocht komen dat de primair gevorderde straf wettelijk niet mogelijk is in verband met het bepaalde in artikel 14a (oud) van het Wetboek van Strafrecht, de zaken zal splitsen.

In het geval van een dergelijke splitsing heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-835248-06 primair ten laste gelegde zal veroordelen tot gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zijn geheel zal toewijzen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, alsmede dat het hof ter zake van het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-820151-07 onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde verdachte zal veroordelen tot gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zijn geheel zal toewijzen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-835248-06 ten laste gelegd:

dat hij op of omstreeks 09 oktober 2005 te [pleegplaats] door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam

van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte zijn tong in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en/of zijn vinger(s) en/of (een deel van) zijn penis in de vagina van voornoemde [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- voornoemde [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] in een sloot heeft geduwd en/of getrokken en/of geslingerd en/of

- op het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] is gaan zitten en/of liggen en/of

- zijn hand op de mond van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of gedrukt (gehouden) en/of

- tegen voornoemde [slachtoffer 1] (meermalen) heeft gezegd dat hij een mes bij zich had en

dat zij zich rustig moest houden omdat hij haar anders zou steken en/of dat hij een mes op haar keel zou zetten als zij aangifte zou gaan doen en/of een mes op haar keel zou zetten als zij haar GSM zou opnemen en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] (meermalen) met zijn vuist, althans met zijn hand in haar gezicht heeft geslagen en/of

- de rits en de knoop van de broek van [slachtoffer 1] (met kracht) heeft losgemaakt en/of

- de broek en onderbroek/string van [slachtoffer 1] (hardhandig) omlaag heeft getrokken en/of

- een tampon uit de vagina van voornoemde [slachtoffer 1] heeft getrokken en/of

- hardhandig de benen van voornoemde [slachtoffer 1] uit elkaar heeft geduwd

en/of (aldus) voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat hij op of omstreeks 09 oktober 2005 te [pleegplaats], door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten van de borsten en/of het onderlichaam van die [slachtoffer 1] en/of het in de mond van die [slachtoffer 1] brengen van zijn verdachtes tong en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het;

- (onverhoeds) vastpakken van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- in een sloot duwen en/of trekken en/of slingeren van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- op het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] gaan zitten en/of liggen en/of

- duwen van zijn hand op de mond van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- tegen voornoemde [slachtoffer 1] (meermalen) zeggen dat hij een mes bij zich had en dat

zij zich rustig moest houden omdat hij haar anders zou steken en/of dat hij een mes op haar keel zou zetten als zij aangifte zou gaan doen en/of een mes op haar keel zou zetten als zij haar GSM zou opnemen en/of

- met zijn verdachtes vuist, althans met zijn hand (meermalen) slaan van

voornoemde [slachtoffer 1] in haar gezicht.

Aan verdachte is bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-820151-07 ten laste gelegd:

1.

dat hij op of omstreeks 14 september 2006 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een of meer autopapier(en) en/of een of meer autosleutel(s) (behorende bij een personenauto merk [auto], type [type], kenteken [kenteken]) en/of een frontje voor een autoradio-cd-speler en/of een of meer siera(a)d(en) (waaronder een horloge en/of een doublé gouden ketting) en/of vijftig, althans een of meer compactdisc(s) en/of twee, althans een telefoon(s) en/of een telefoonoplader en/of een koffiezetapparaat (Senseo) en/of twee, althans een elektrische tandenborstel(s) en/of twee, althans een portemonnee(s) en/of een videorecorder en/of drie, althans een of meer (Delfts blauwe) va(a)(s)(zen) en/of een (antieke Zaanse) klok en/of een wekkerradio, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door met een (zwaar) voorwerp een (onder)ruit van

een deur in te slaan en/of te gooien;

2.

dat hij op of omstreeks 14 september 2006 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van een parkeerplaats (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een personenauto (merk [auto], type [type] met het kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een of meer bij voornoemde personenauto behorende sleutels welke hij, verdachte, onrechtmatig in zijn bezit had en/of waarvan hij, verdachte, onrechtmatig gebruik maakte;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat hij in of omstreeks de periode van 14 september 2006 tot en met 15 september 2006

te [pleegplaats], in elk geval in Nederland, een personenauto (merk [auto], type [type]

met kenteken [kenteken]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van

die personenauto wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een)

door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

In deze weergave van de tenlastelegging zijn de door de eerste rechter aangebrachte verbeteringen begrepen. Voor zover in de tenlastelegging nog taal- en/of schrijffouten resteren, zijn deze door het hof verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-835248-06 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

dat hij op 9 oktober 2005 te [pleegplaats] door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte zijn tong in de

mond van die [slachtoffer 1] gebracht en zijn vinger(s) in de vagina van voornoemde [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte

- voornoemde [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en

- voornoemde [slachtoffer 1] in een sloot heeft geduwd of getrokken of geslingerd en

- op het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] is gaan zitten en/of liggen en

- zijn hand op de mond van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of gedrukt (gehouden)

en

- tegen voornoemde [slachtoffer 1] (meermalen) heeft gezegd dat hij een mes bij zich had en

dat zij zich rustig moest houden omdat hij haar anders zou steken en dat hij een mes op haar keel zou zetten als zij aangifte zou gaan doen en

- voornoemde [slachtoffer 1] (meermalen) met zijn vuist in haar gezicht heeft geslagen en

- de rits en de knoop van de broek van [slachtoffer 1] (met kracht) heeft losgemaakt en

- de broek en onderbroek/string van [slachtoffer 1] (hardhandig) omlaag heeft getrokken en

- een tampon uit de vagina van voornoemde [slachtoffer 1] heeft getrokken

en (aldus) voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-820151-07 onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

1.

dat hij op of omstreeks 14 september 2006 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen autopapieren en een autosleutel (behorende bij een personenauto merk [auto], type [type], kenteken [kenteken]) en een frontje voor een autoradio-cd-speler en sieraden (waaronder een horloge en een doublé gouden ketting) en vijftig compactdiscs en twee telefoons en een telefoonoplader en een koffiezetapparaat (Senseo) en twee elektrische tandenborstels en twee portemonnees en een videorecorder en drie (Delfts blauwe) vazen en een (antieke Zaanse) klok en een wekkerradio, toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, te weten door met een voorwerp een (onder)ruit van een deur in te slaan of te gooien;

2.

dat hij op of omstreeks 14 september 2006 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van een parkeerplaats (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een personenauto (merk [auto], type [type] met het kenteken [kenteken]), toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bij voornoemde personenauto behorende sleutel welke hij, verdachte, onrechtmatig in zijn bezit had en waarvan hij, verdachte, onrechtmatig gebruik maakte.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Door de verdediging is met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 01-835248-06 ten laste gelegde aangevoerd, dat het sporenmateriaal en de daarop gegrondveste onderzoeksresultaten niet gebezigd mogen worden tot bewijs. Hiertoe is door de raadsman aangevoerd dat de kleding van het slachtoffer niet op de juiste wijze is veiliggesteld waardoor er contaminatie van sporen mogelijk zal kunnen zijn.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor het hof is vast komen te staan dat het slachtoffer de kleding die zij droeg ten tijde van het onder parketnummer 01-835248-06 ten laste gelegde en hiervoor bewezen verklaarde, thuis in de wastrommel heeft gedaan. De ter plaatse aanwezige verbalisanten hebben aan de moeder van het slachtoffer naar de kleding gevraagd en zij heeft de kleding, waaronder het witte T-shirt, de BH en de slip, uit de wastrommel gehaald en in een (vuilnis)zak gestopt. De moeder van het slachtoffer heeft tijdens deze handeling een bloeddruppel op het witte T-shirt en bloedvegen aan de binnenkant van de BH gezien. De verbalisanten hebben vervolgens deze zak met kleding overgedragen aan de Technische Recherche welke een bemonstering heeft genomen van de bloedvlek op het T-shirt [[nummer]]#1 en een bemonstering van het bloed aan de binnenzijde van de BH [[nummer]]#1. Deze bemonsteringen en de slip van het slachtoffer heeft de Technische Recherche aangeboden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) voor DNA-profielvaststelling. De bemonstering van het bloed op het T-shirt [[nummer]]#1 en de bemonstering van het bloed aan de binnenzijde van de BH [[nummer]]#1 zijn door het NFI veiliggesteld evenals de door hen afgenomen bemonstering van twee bloedsporen van het slipje [[nummer]]#1 en [[nummer]] #2. De DNA-profielen van de bemonsteringen van het T-shirt en de BH komen met elkaar overeen en zijn afkomstig van een onbekende man. De bemonsteringen van het slipje leverden een mengprofiel op. De deskundige [deskundige], vaste gerechtelijk deskundige DNA onderzoek bij het NFI, heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat dit mengprofiel voor hem een schoolvoorbeeld is van een mengprofiel van twee mensen. Dit mengprofiel bevatte DNA-kenmerken van het slachtoffer en de onbekende man wiens hoofdprofiel was bepaald via het T-shirt. Volgens de verklaring van [deskundige] is de kans dat een willekeurig gekozen persoon eveneens matcht met dit DNA-mengprofiel bijzonder klein. Het hoofdprofiel van de onbekende man [[nummer]]#1 is opgenomen in de Nederlandse databank voor strafzaken.

Omdat tegen verdachte ernstige bezwaren waren gerezen met betrekking tot een inbraak, werd op 20 september 2006 door de officier van justitie bevolen dat van verdachte celmateriaal zou worden afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek. Van verdachte is een referentiemonster wangslijmvlies [[nummer]] afgenomen waaruit door het NFI een DNA-profiel is verkregen dat op 23 oktober 2006 is opgenomen in de Nederlandse databank voor strafzaken en vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking is een overeenkomend DNA-profiel gevonden. Het referentiemonster van de verdachte [[nummer]] en het overeenkomend DNA-profiel zijn bij het NFI geregistreerd onder profielcluster [nummer]. Naast het referentiemonster maakt het spoor met DNA-identiteitszegel: [[nummer]]#1 deel uit van het profielcluster. Het sporenmateriaal uit het profielcluster kan afkomstig zijn van verdachte. De kans dat een willekeurig gekozen individu hetzelfde DNA-profiel bezit als dat van het spoor met DNA-identiteitszegel [[nummer]]#1 is minder dan één op één miljard. De deskundige [deskundige] verklaarde ten overstaan van de rechter-commissaris dat er in casu sprake was van een full match tussen het referentieprofiel van verdachte [[nummer]] en het hoofdprofiel van de onbekende man [[nummer]]#1.

Naar het oordeel van het hof is, op grond van de enkele omstandigheid dat voornoemde kleding van het slachtoffer niet overeenkomstig de richtlijnen voor forensisch-technisch opsporings-onderzoek is veiliggesteld, niet aannemelijk geworden dat er mogelijk sprake is geweest van contaminatie van DNA-sporen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat op voornoemde kledingstukken slechts twee DNA-profielen gevonden zijn; een profiel overeenkomend met het DNA-profiel van het slachtoffer en een profiel overeenkomend met het DNA-profiel van verdachte. Van een DNA-profiel op genoemde kleding dat niet overeenkomt met één van deze twee profielen, is geen sprake. Gelet hierop valt niet te zien hoe in dit geval van contaminatie van sporen sprake zou zijn. Nu er DNA-sporen die overeenkomen met het DNA-profiel van verdachte zijn aangetroffen op zowel het T-shirt, de BH als het slipje van het slachtoffer, acht het hof het niet aannemelijk dat louter als gevolg van een gebrek (forensisch-technisch bezien) in het veiligstellen van de kleding het DNA-profiel van verdachte op die kleding zou zijn terechtgekomen.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Voorts is door de verdediging aangevoerd dat de biologische sporen niet op deugdelijke wijze zijn veiliggesteld en bewaard. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat, zoals dit blijkt uit de door de raadsman overgelegde delen uit de map ‘De essenties van forensisch DNA-onderzoek’ onder het kopje ‘Eisen voor veiligstellen en bewaren van biologische sporen’, biologische sporen in een droge omgeving bewaard dienen te worden omdat DNA kwetsbaar is en zeer gevoelig voor vocht, warmte en direct zonlicht. In onderhavige zaak is zulks niet gebeurd omdat door moeder de kledingstukken uit de wasmand (vochtige ruimte) zijn gehaald.

Het hof overweegt hieromtrent dat blijkens de door de raadsman overgelegde stukken de genoemde eisen gesteld worden aan het veiligstellen en bewaren van biologische sporen om zorg te dragen dat het DNA niet wordt afgebroken of de kwaliteit ervan afneemt door deze invloeden. Van een dusdanige afname van de kwaliteit van het DNA is het hof, gelet op de resultaten van het DNA-onderzoek, niet gebleken.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Voorts heeft verdachte aangevoerd dat er mogelijk sprake van is dat een onbekende derde bloed van hem, verdachte, op zijn hand(en) heeft gehad en op deze manier DNA-profiel van verdachte op de kleding van het slachtoffer heeft overgebracht.

Voor dit scenario biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt. Bovendien maakt de omstandigheid, dat noch op het wit/grijs wollen jasje van het slachtoffer noch elders op de bovenkleding enig bloedspoor aanwezig was, dit scenario onaannemelijk. Het hof laat dan nog daar, dat niet aannemelijk is geworden op welke wijze het bloed van verdachte op de hand(en) van een onbekende derde persoon terechtgekomen zou moeten zijn.

Het hof verwerpt mitsdien het door verdachte geschetste alternatief scenario.

Verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nog aangevoerd dat spoor 14, het bloed op de binnenzijde van de BH, en spoor 15, de biologische sporen op de slip, beide zijn aangeduid als DNA zegel 208 (zie doorgenummerde dossierpagina 36).

Hierdoor lijkt het, volgens verdachte, te gaan om dezelfde bemonstering terwijl later in het dossier gesteld wordt dat de slip is voorzien van het DNA zegel [nummer].

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt vast dat het juist is, dat in het proces-verbaal technisch onderzoek d.d 17 oktober 2005 staat vermeld over de aangetroffen sporen: “14: Bloed op de binnenzijde van de BH. (DNA zegel [nummer])” en “15: Biologische sporen op slip. (DNA zegel [nummer])”. Daarnaast stelt het hof vast dat in de bijlagen van genoemd proces-verbaal, te weten de sporenmodule ([vindplaats]) en de sporenbijlage (behorende bij het proces-verbaal aanvraag DNA-onderzoek sporen [vindplaats]) wordt aangegeven dat de slip voorzien is van het DNA zegel [nummer]. Ook door het NFI wordt aangegeven, dat de biologische sporen op de slip, welke ook in dit rapport worden aangeduid als spoor 15, voorzien zijn van het DNA zegel [nummer] ([vindplaats]). Nu in het genoemd proces-verbaal een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen het bloed op de binnenzijde van de BH en de biologische sporen op de slip, waarbij de aangetroffen sporen [nummer] tot en met [nummer] elk zijn voorzien van een ander DNA zegel en de nummering van deze zegels oplopen van [nummer] tot en met [nummer], concludeert het hof, evenals de advocaat-generaal, dat er derhalve sprake moet zijn van een kennelijke schrijffout op genoemde dossierpagina [nummer]. Het vorengaande wordt tevens bevestigd doordat in zowel de bijlagen van het genoemd proces-verbaal, alsmede in de overige zich in het dossier bevindende stukken de desbetreffende biologische sporen telkens zijn voorzien van DNA zegel [nummer]. Het is dus niet aannemelijk dat het hier om dezelfde bemonstering gaat.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Het hof overweegt overigens, dat verdachte (die geen alibi heeft, nu hij geen herinnering zegt te hebben aan de bewuste nacht) geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven hoe sporen die overeenkomen met zijn DNA-profiel op de kleding (waaronder de onderkleding) van het slachtoffer terecht zijn kunnen komen.

Van de zijde van verdachte is ten slotte nog aangevoerd dat het door het slachtoffer opgegeven signalement van de dader niet overeenkomt met het signalement van verdachte.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel, dat verdachte zeer wel overeenkomt met het door het slachtoffer opgegeven signalement. De enkele omstandigheid dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde 33 jaar oud was, maakt dit niet anders. Het hof neemt in dit verband in aanmerking, dat in het proces-verbaal van bevindingen en de daarbij horende mutaties (mutatienummer [mutatienummer], doorgenummerde pagina’s [paginanummers]) verdachte beschreven wordt als hebbende het uiterlijk van een jonge man en door een getuige in die zaak op 16 februari 2006 als signalement van verdachte wordt opgegeven: een jonge man van circa 18 jaar oud met half lang donker haar en een Marokkaans uiterlijk. Bovendien vertoont verdachte, mede gelet op de door een ex-relatie van verdachte in november 2005 overgelegde foto waarop verdachte staat afgebeeld met een jong meisje (foto III, doorgenummerde dossierpagina [paginanummer]), overeenkomsten met het door het slachtoffer [slachtoffer 1] opgegeven signalement.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Het hof is van oordeel dat de door of namens de verdachte bepleite vrijspraak wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende bewijsmiddelen, te twijfelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-835248-06 primair ten laste gelegde en hiervoor bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-820151-07 onder 1 en onder

2 primair ten laste gelegde en hiervoor bewezen verklaarde is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 311, eerste lid, aanhef en onder 5º van het Wetboek van Strafrecht, in verband met het bepaalde in artikel 310 van dat wetboek.

De feiten worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is rekening gehouden met de volgende omstandigheden:

- de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- dat de bewezen verklaarde verkrachting een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit en de persoonlijke waardigheid van het slachtoffer, waardoor het slachtoffer groot leed heeft ondervonden;

- de jeugdige leeftijd van het slachtoffer van de verkrachting, te weten 16 jaar;

- dat een dergelijke verkrachting tevens ter plaatse een grote onrust zal hebben veroorzaakt.

Met betrekking tot de door de eerste rechter opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt vast dat verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek dat ten behoeve van een op de wenselijkheid of noodzakelijkheid van deze maatregel gericht advies verricht diende te worden.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud en de conclusies van de hierna te noemen over verdachte opgemaakte rapportages, met name de navolgende passages.

1.

Het op 4 september 2007 door [psychiater], psychiater en vast gerechtelijk deskundige en [psycholoog], psycholoog ( onder supervisie van [klinisch psycholoog], klinisch psycholoog en vast gerechtelijk deskundige) bij het [kliniek/instelling], opgemaakt rapport, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

- “Betrokkene heeft zijn medewerking aan het onderzoek geweigerd, waardoor diverse kwesties in het ongewisse blijven en belangrijke vragen niet kunnen worden beantwoord. Ondanks zijn weigering zijn er echter voldoende observaties mogelijk geweest om, in combinatie met een ruime hoeveelheid aan vroegere onderzoeksresultaten en verslagen van observaties, enkele verantwoorde diagnostische uitspraken te kunnen doen.”

- “Terwijl er tijdens de observatieperiode in [kliniek/instelling] voldoende kenmerken van een gebrekkige impulsregulatie in algemene zin worden aangetroffen, zijn er geen specifieke aanwijzingen gevonden voor stoornissen in de seksuele aandrift. Ook ontbreken indicaties voor de aanwezigheid van eventuele seksuele perversies.”

- “Samengevat luidt onze diagnose, dat er in ieder geval sprake is van een persoonlijkheidsstoornis en van een misbruik van diverse middelen. Het blijft in het ongewisse of andere psychiatrische of organische stoornissen in het geding zijn.

Juist die onduidelijkheid over eventuele aanwezige andere oorzaken voor zijn gedragsproblemen noopt ons tot terughoudendheid bij de beantwoording van de vraagstelling.

Uit het bovenstaande volgt dat wij niet kunnen beoordelen of, op welke wijze en in welke mate de stoornissen hebben doorgewerkt bij de totstandkoming van het delict. Derhalve zijn wij niet in staat een uitspraak te doen over de mate van toerekeningsvatbaarheid. In diezelfde lijn ligt de onmogelijkheid van de beantwoording van de overige in hoofde gestelde vragen.” (Het hof stelt vast dat deze vragen onder meer betrekking hadden op de kans op recidive.)

2.

Het op 6 februari 2007 door drs. [psycholoog], GZ-psycholoog, opgemaakte rapport, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

“Bij betrokkene is sprake van een uitgebreid delict- en detentieverleden. De aanwezigheid van een antisociale persoonlijkheidsstoornis kan daar grotendeels verantwoordelijk voor worden gehouden.

Op grond hiervan mag verwacht worden dat bij niet-behandeling van deze stoornis hij opnieuw zal komen tot het plegen van strafbare feiten.

Of deze verwachting inhoudt dat een nieuw strafbaar feit ook de vorm zal aannemen van een zedendelict is moeilijk te zeggen: het blijkt niet uit zijn delictgeschiedenis en ook is het verband met de stoornis (vooralsnog) niet helder.”

3.

Het op 8 februari 2007 door [psychiater], psychiater, opgemaakte rapport, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

“Er kunnen geen uitspraken worden gedaan over de toerekeningsvatbaarheid of over recidiverisico anders dan dat deze gezien de eerdere veroordelingen en de aanwezige persoonlijkheidspathologie en psychotische kwetsbaarheid hoger is dan in de algemene populatie. Voor recidiverisico voor zedendelicten geldt deze onmogelijkheid om onderbouwde uitspraken te doen nog sterker.”

Uit de bovenstaande rapportages kan het hof onvoldoende afleiden dat een (aanzienlijk) risico bestaat dat verdachte zich in de toekomst wederom schuldig zal maken aan (seksuele) misdrijven, waarbij de veiligheid van anderen, dan wel de algehele veiligheid van personen of goederen in het geding is. Evenmin valt zulks af te leiden uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 juli 2008 betreffende verdachte. Verdachte is niet eerder ter zake van zedendelicten veroordeeld en ook uit de veroordelingen ter zake van andere misdrijven kan het hof niet afleiden dat thans de maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd dient te worden.

Anders dan de eerste rechter ziet het hof derhalve af van het opleggen van die maatregel.

Schadevergoeding

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van verdachtes onder inleidende dagvaarding met het parketnummer 01-835248-06 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Voor het overige is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij [slachtoffer 1] daarom in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] is niet door verdachte betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van verdachtes onder inleidende dagvaarding met het parketnummer 01-820151-07 feit 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 57, 63, 242, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-835248-06 primair en het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-820151-07 onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

- ten aanzien van het ten laste gelegde bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-835248-06:

Verkrachting.

- ten aanzien van het ten laste gelegde bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-820151-07 onder 1:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

- ten aanzien van het ten laste gelegde bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-820151-07 onder 2:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

verklaart verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats][pleegplaats], [adres], toe tot een bedrag van EUR 2.580,00 (tweeduizend vijfhonderdtachtig euro);

veroordeelt verdachte mitsdien om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 2.580,00 (tweeduizend vijfhonderdtachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2005 tot de dag van de algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer 1], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats][pleegplaats], [adres], aan de Staat te betalen een bedrag van EUR 2.580,00 (tweeduizend vijfhonderdtachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2005 tot de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 42 (tweeënveertig) dagen hechtenis;

bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats][pleegplaats], [adres], toe;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 150,00 (honderdvijftig euro);

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats][pleegplaats], [adres], aan de Staat te betalen een bedrag van EUR 150,00 (honderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis;

bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. N.J.L.M. Tuijn, voorzitter,

mr. J.M.W.M. van den Elzen en mr. T.E. van der Spoel,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,

en op 27 augustus 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. T.E. van der Spoel is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.