Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BF3737

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-08-2008
Datum publicatie
30-09-2008
Zaaknummer
20-003435-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

289/45 Sr. De verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer slechts zwaar lichamelijk letsel wilde toebrengen en daarom doelbewust gekozen had voor een wijze van schieten die het slachtoffer niet dodelijk zou verwonden, acht het hof ongeloofwaardig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-003435-07

Uitspraak : 12 augustus 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 6 september 2007 in de strafzaak met parketnummer 02-811432-07 tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1961],

thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde (poging tot moord) zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- aan de verdachte zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 2.250,-- subsidiair 41 dagen hechtenis;

- de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van EUR 2.250,00;

- zal beslissen op de in beslag genomen voorwerpen conform de beslissing van de rechtbank.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 01 mei 2007 te Etten-Leur ter uitvoering van het door hem, verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, een vuurwapen op (het hoofd van) die [slachtoffer] heeft gericht en (vervolgens) met dat vuurwapen in het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 01 mei 2007 te Etten-Leur aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een complexe breuk van de jukboog), heeft toegebracht, door opzettelijk een vuurwapen op (het hoofd van) die [slachtoffer] te richten en (vervolgens) met dat vuurwapen in het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] te schieten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 01 mei 2007 te Etten-Leur ter uitvoering van het door hem, verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer] heeft gericht en vervolgens met dat vuurwapen in het gezicht van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Het hof stelt het volgende vast:

- verdachte heeft verklaard met een geweer een kogel te hebben geschoten in het gezicht van [slachtoffer],

- de loop alsmede de kolf van het geweer waren afgezaagd,

- het geweer was, blijkens de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, niet voorzien van richtmiddelen,

- de kogel heeft bij [slachtoffer] een inschot veroorzaakt rechts naast de neus en een uitschot achter het rechteroor,

- blijkens het rapport van het NFI zijn er geen aanwijzingen dat verdachte op [slachtoffer] heeft geschoten vanaf een afstand van minder dan een meter,

- verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij, nadat hij had geschoten, naar beneden is gegaan en het geweer opnieuw heeft geladen met een patroon. Hij is vervolgens weer naar boven gegaan, waarna hij [slachtoffer] over het dak achterna is gegaan, toen deze uit de woning vluchtte,

- [getuige] heeft verklaard dat verdachte, toen hij hem vroeg wat er aan de hand was, heel kalm antwoordde “Ik schiet hem kapot”. Verdachte zou dit vervolgens nogmaals hebben gezegd.

Op grond van voornoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte opzet had op het doden van [slachtoffer].

De verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer] slechts zwaar lichamelijk letsel wilde toebrengen en daarom doelbewust gekozen had voor een wijze van schieten die het slachtoffer niet dodelijk zou verwonden, acht het hof ongeloofwaardig. Verdachte heeft geschoten met het geweer los in de hand, aangezien de kolf ontbrak, terwijl de loop was afgezaagd en het geweer niet was voorzien van richtmiddelen. Gelet daarop was het naar het oordeel van het hof voor verdachte niet mogelijk exact te bepalen waar [slachtoffer] zou worden geraakt. Voorts zou de noodzaak ontbreken het geweer te herladen nadat verdachte op [slachtoffer] had geschoten en de kogel bij [slachtoffer] letsel had toegebracht, als de verklaring van verdachte juist zou zijn. Ten slotte acht het hof die verklaring ongeloofwaardig gelet op de uitlatingen van verdachte zoals die zijn gehoord door [getuige].

Uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep alsmede de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie op 6 mei 2007 is het hof voorts het volgende gebleken:

- verdachte heeft op 29 april 2007 het vuurwapen en patronen opgehaald in Breda, waarna hij het wapen verstopte in de bijkeuken van de woning van [slachtoffer]. De patronen liet hij in zijn broekzak zitten,

- op 30 april 2007 kreeg verdachte ruzie met [slachtoffer], hetgeen hem deed besluiten om de volgende ochtend op [slachtoffer] te schieten,

- nadat verdachte op 1 mei 2007 opstond, heeft hij twee patronen uit zijn broekzak gehaald. Vervolgens heeft hij in de bijkeuken het vuurwapen gepakt en deze met een patroon geladen,

- verdachte ging weer naar boven en liep naar de slaapkamer van [slachtoffer],

- verdachte heeft vervolgens het wapen op het slachtoffer gericht en geschoten.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat uit het geheel van de gedragingen van verdachte niet anders kan worden afgeleid dan dat verdachte met voorbedachte raad en dus niet in een opwelling heeft gehandeld.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 45, eerste lid, juncto artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van het de verdachte betreffend rapport, d.d. 12 mei 2008, opgemaakt door drs. A.F.J.M. Zwegers, GZ-psycholoog, voor zover inhoudende dat de verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens dan wel een persoonlijkheidsstoornis. Het rapport houdt voorts als oordeel van de deskundige in dat als gevolg van die stoornis de feiten hem in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Het hof volgt deze conclusies zoals verwoord in het rapport van de deskundige en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing. Op grond daarvan is het hof van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

In verband met de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat het hier gaat om een gewelddadig feit waardoor de rechtsorde wordt geschokt en dat in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg brengt;

- de omstandigheid dat slachtoffers als gevolg van een feit als het bewezen verklaarde feit – naast de lichamelijk gevolgen – nog langdurig last kunnen hebben van nadelige psychische gevolgen, zoals gevoelens van angst en onveiligheid.

- de betrekkelijk geringe ernst van het door het slachtoffer opgelopen lichamelijk letsel.

In verband met de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 april 2008, waaruit blijkt dat hij niet eerder ter zake soortgelijke feiten door een strafrechter is veroordeeld;

- het hem betreffend voorlichtingsrapport van Justitiële Verslavingszorg Limburg d.d. 15 mei 2008;

- het hiervoor genoemde deskundigenrapport, alsmede op de hiervoor vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [slachtoffer], wonende [adres] te [woonplaats], als gevolg van het bewezen verklaarde feit schade heeft geleden, die het hof begroot op een bedrag van EUR 2.250,00.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van EUR 2.250,00 te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer], wonende [adres] te [woonplaats], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend tot een bedrag van EUR 2.925,02, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is door de eerste rechter toegewezen tot een bedrag van EUR 2.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering duurt, voor zover deze is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het bedrag van EUR 2.000,00.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 250,00. De vordering dient ook in zoverre te worden toegewezen.

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

De proceskosten van de benadeelde partij worden ten laste van de verdachte gebracht, doch tot op heden begroot op nihil.

Beslag

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven vuurwapen, een zwart Unique automatic .22 long rifle, met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven stuk methadon is een middel als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet. Op grond van het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet zal dit voorwerp daarom aan het verkeer worden onttrokken.

De na te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu deze bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf werden aangetroffen en deze aan verdachte toebehorende voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Ten aanzien van de kleding van verdachte die in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36d, 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 13a van de Opiumwet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Poging tot moord.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer], wonende te [adres] [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 2.250,00 (tweeduizend tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 41 (eenenveertig) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 2.250,00 (tweeduizend tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- een vuurwapen unique, kleur zwart, automatic.22 long rifle;

- een stuk methadon, kleur wit;

- een mes, kleur zilver, lemmet 8 cm, totale lengte 15 cm;

- een zakmes, kleur bruin;

- twee patronen, kleur koper, .22;

- een ploertendoder, kleur zwart;

- een patroon, kleur koper, 9mm;

- een vlindermes, kleur zilver;

- een stuk munitie, kleur goud, .22.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten de in beslag genomen kleding van verdachte.

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. W. van Nierop en mr. S.B.M. Voorhoeve,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 12 augustus 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. S.B.M. Voorhoeve is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.