Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BF1765

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
22-09-2008
Zaaknummer
06/00412
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

en aanzien van belanghebbendes standpunt dat de Rechtbank het Besluit niet correct heeft toegepast, omdat deze geen punten heeft toegekend voor de werkzaamheden verricht door de door belanghebbende ingeschakelde beroepsgemachtigde in verband met het door belanghebbende ingediende beroepschrift en de conclusie van repliek, overweegt het Hof als volgt. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 december 1996, nr. 31.413, onder meer gepubliceerd in BNB 1997/57, is het puntentarief van het Besluit op deze werkzaamheden niet van toepassing. Hiervoor dient de ingeschakelde beroepsgemachtigde ook zelf de in bijlage van het Besluit onder A genoemde proceshandelingen te hebben verricht. Derhalve acht het Hof, mede gelet op het feit dat de Inspecteur tijdens het onderzoek ter zitting heeft verklaard niet te betwisten dat het beroepschrift en de conclusie van repliek in eerste aanleg met hulp van een door belanghebbende ingeschakelde beroepsgemachtigde zijn opgesteld, met toepassing van het bepaalde in artikel 2, lid 3 van het Besluit een vergoeding aan belanghebbende van kosten verband houdende met aan hem door een derde, beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor zover deze aan belanghebbende persoonlijk zijn gedeclareerd, op zijn plaats. Het Hof stelt deze kosten in goede justitie vast op € 1.000,=.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 06/00412

Uitspraak van de eerste meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y (België)

hierna: belanghebbende

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 25 augustus 2006, nummer AWB 05/4072, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 21 april 2005 is aan belanghebbende opgelegd een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen, aanslagnummer 0000000.0000/0.0000. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak tijdig in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar alsmede de naheffingsaanslag vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten en de Staat gelast het griffierecht te vergoeden.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 211,=. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft tegen vorenbedoelde uitspraak van de Rechtbank eveneens hoger beroep ingesteld. Deze zaak is bij het Hof bekend onder kenmerk 06/00410. Bij brief van 21 maart 2007 heeft de Inspecteur het hoger beroep ingetrokken.

1.4. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht.(hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 14 maart 2008 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.7. De Inspecteur heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van een kennisgeving van de intrekking van het hoger beroep in de zaak met kenmerk 06/00410 met dagtekening 21 maart 2007.

1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is verzonden.

1.9. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Bij uitspraak van 15 september 2005 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen onderhavige aanslag ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft hiertegen bij schrijven met dagtekening 25 oktober 2005, ontvangen door de Rechtbank op 27 oktober 2005, beroep ingediend. Bij schrijven van 10 april 2006, ontvangen door de Rechtbank op 18 april 2006, heeft belanghebbende schriftelijk gerepliceerd als bedoeld in artikel 8:43 van de Awb.

2.2. Tijdens het onderzoek ter zitting voor de Rechtbank heeft belanghebbende zich laten bijstaan door een beroepsgemachtigde.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de aan belanghebbende door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding naar een juist bedrag is vastgesteld.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de proceskosten, en het vaststellen van de aan belanghebbende toegekende proceskostenvergoeding door de Rechtbank op de door deze daadwerkelijk gemaakte kosten, door belanghebbende gesteld op een bedrag tussen € 8.000 en € 9.000. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende stelt dat het enkele feit dat sprake is van schending van EG-recht een bijzondere omstandigheid oplevert in de zin van artikel 2 lid 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), alsmede dat de in het Besluit opgenomen forfaitaire normering voor vergoeding van proceskosten een ongeoorloofde beperking van de toegang tot het gemeenschapsrecht vormt. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2005, nr. 35.729, onder meer gepubliceerd in BNB 2005/374, falen deze stellingen.

4.2. Voorts ziet het Hof evenmin reden om op andere door belanghebbende aangevoerde gronden overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, lid 3 van het Besluit over te gaan tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank werkelijk gemaakte proceskosten.

Naar het oordeel van het Hof is in de procedure voor de Rechtbank geen sprake geweest van een door de Inspecteur ingenomen en in rechte gehandhaafd standpunt, waarvan tevoren duidelijk was dat deze geen stand zou houden. Evenmin acht het Hof de handelwijze van de Inspecteur in de bezwaarfase dermate onzorgvuldig dat op grond hiervan zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 2, lid 3 van het Besluit.

4.3. De door de Rechtbank in goede justitie toegekende vergoeding ten bedrage van € 200 betrekking hebbende op de door belanghebbende in verband met het bijwonen van het onderzoek ter zitting voor de Rechtbank gemaakte reis- en verletkosten acht het Hof redelijk en in overeenstemming met het Besluit.

4.4. Ten aanzien van de door de Rechtbank toegepaste wegingsfactor voor vaststelling van de forfaitaire proceskostenvergoeding overeenkomstig het bepaalde in het Besluit, is het Hof van oordeel dat, conform het standpunt van de Inspecteur door deze ingenomen tijdens het onderzoek ter zitting, gelet op de zwaarte van de procedure zoals deze voor de Rechtbank is gevoerd, een wegingsfactor van 1,5 in plaats van 1 dient te worden aangehouden.

4.5. Ten aanzien van belanghebbendes standpunt dat de Rechtbank het Besluit niet correct heeft toegepast, omdat deze geen punten heeft toegekend voor de werkzaamheden verricht door de door belanghebbende ingeschakelde beroepsgemachtigde in verband met het door belanghebbende ingediende beroepschrift en de conclusie van repliek, overweegt het Hof als volgt. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 december 1996, nr. 31.413, onder meer gepubliceerd in BNB 1997/57, is het puntentarief van het Besluit op deze werkzaamheden niet van toepassing. Hiervoor dient de ingeschakelde beroepsgemachtigde ook zelf de in bijlage van het Besluit onder A genoemde proceshandelingen te hebben verricht. Derhalve acht het Hof, mede gelet op het feit dat de Inspecteur tijdens het onderzoek ter zitting heeft verklaard niet te betwisten dat het beroepschrift en de conclusie van repliek in eerste aanleg met hulp van een door belanghebbende ingeschakelde beroepsgemachtigde zijn opgesteld, met toepassing van het bepaalde in artikel 2, lid 3 van het Besluit een vergoeding aan belanghebbende van kosten verband houdende met aan hem door een derde, beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor zover deze aan belanghebbende persoonlijk zijn gedeclareerd, op zijn plaats. Het Hof stelt deze kosten in goede justitie vast op € 1.000,=.

4.6. Gelet op het vorenstaande stelt het Hof de aan belanghebbende toe te kennen proceskostenvergoeding voor het beroep voor de Rechtbank, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, vast op 1 punt (verschijnen zitting) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 483, vermeerderd met een bedrag van € 1000, betrekking hebbende op de werkzaamheden verricht door belanghebbendes gemachtigde ten behoeve van het beroepschrift en de conclusie van repliek, en een in goede justitie vastgesteld bedrag van € 200, verband houdende met de reis- en verletkosten van belanghebbende zelf, voor het bijwonen van de zitting, is in totaal € 1.683.

4.7. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag gedeeltelijk aan de zijde van belanghebbende, dient het hoger beroep van belanghebbende gegrond te worden verklaard en dient de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de proceskosten te worden vernietigd.

4.8. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2 punten (beroepschrift, verschijnen zitting) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 966, vermeerderd met een bedrag aan reis- en verletkosten van belanghebbende zelf voor het bijwonen van de zitting in goede justitie bepaald op € 300, is in totaal € 1.266.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de beslissing omtrent de proceskosten,

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 2.949,

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden en

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 211 vergoedt.

Aldus gedaan op: 9 juli 2008 door P. Fortuin, voorzitter, J.W.J. Huige en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van Th.A.J.Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.