Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BF0453

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-08-2008
Datum publicatie
03-10-2008
Zaaknummer
HD 103.004.453
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging testament niet mogelijk o.g.v. misbruik van omstandigheden. Restrictieve uitleg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. SKS

zaaknr. HD 103.004.453

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 26 augustus 2008,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats], Spanje,

appellant,

procureur: mr. J.E. Benner,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. B. du Fossé,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 29 januari 2008 onder rolnr. C0601545/BR op het hoger beroep van de door de rechtbank Breda op 19 juli 2006 en 11 oktober 2006 onder zaaknr. 159595/ HA ZA 06-740 gewezen vonnissen.

6. Het tussenarrest van 29 januari 2008

Bij genoemd arrest is de zaak naar de rol verwezen voor akte uitlating productie aan de zijde van [appellant] en is iedere verdere beslissing aangehouden.

7. Het verdere verloop van de procedure

[appellant] heeft een akte productie genomen waarop [geïntimeerde] in een antwoordakte heeft gereageerd. Partijen hebben vervolgens de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

8. De verdere beoordeling

8.1. Bij akte productie, hierna: akte, wijst [appellant] op een arrest van de Hoge Raad (HR 2 november 2007, LJN: BA8445). Hieruit blijkt, zo stelt [appellant], dat de Hoge Raad de bescherming van het slachtoffer/de erflater en de vernietiging van het testament onder artikel 3:44 B.W. en in casu artikel 4:43 B.W. plaatst naast de handhaving van een restrictieve uitleg van de kring van beroepsbeoefenaren als bedoeld in artikel 4:59 lid 1 B.W. De conclusie van [appellant] luidt als volgt: "In deze zaak [appellant]/[geïntimeerde] is uitvoerig gesteld en ook bewezen dat [geïntimeerde] met [een agent] en zijn vrouw onbehoorlijk heeft gehandeld door het geestelijk overwicht van het team onder leiding van [de agent] -waar zowel zijn vrouw als [geïntimeerde] onderdeel van uitmaakten - grovelijk te misbruiken om de geestelijke en lichamelijke afhankelijkheid van erflaatster middels ongeoorloofde beïnvloeding zodanig aan te wenden dat erflaatster het willoos werktuig werd van [geïntimeerde], [zijn vrouw] en [de derde] en dat zij daar op ongeoorloofde wijze voordeel uit hebben getrokken en dat de erflaatster op onjuiste beweegredenen heeft geoordeeld. [de agent] is na onderzoek prompt geschorst en ontslagen uit de politie en er bestaan vier gelijksoortige gevallen. (...) Op deze gronden moet het testament worden vernietigd."

8.2. Bij antwoordakte heeft [geïntimeerde] betwist dat er sprake zou zijn geweest van een afhankelijkheidsrelatie tussen erflaatster en haarzelf. Er was sprake van een vriendschap. Voorts persisteert [geïntimeerde] bij hetgeen door haar in de memorie van antwoord is gesteld.

8.3.1. De grieven van [appellant] hebben ten doel het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen, zodat de grieven gezamenlijk zullen worden besproken.

8.3.2. [appellant] heeft in hoger beroep zijn eis vermeerderd en geconcludeerd tot vernietiging van de uiterste wilsbeschikking van erflaatster wegens onjuiste beweegredenen. Ter beoordeling van het hof ligt derhalve voor de vordering tot vernietiging van de uiterste wilsbeschikking van erflaatster, primair op grond van artikel 4:59 B.W. subsidiair op grond van artikel 4:43 lid 2 B.W.

8.4. Vordering op grond van artikel 4:59 B.W.

8.4.1. Kort samengevat komt het standpunt van [appellant] er op neer dat de hulpverlening door [geïntimeerde], [de agent en [de vrouw] een hulpverlening is, die mantelzorg is genoemd door henzelf en de huisarts. De aard, omvang en uitvoering van die mantelzorg door deze beroepsmatige (vrijwillige) hulpverleners hield een volledige geestelijke en lichamelijke verzorging in. Erflaatster was daarvan volledig afhankelijk en is aan de ziekte waarvoor zij werd verzorgd overleden. Deze betrokkenheid bij erflaatster is een beroepsuitoefening, zoals bedoeld in artikel 4:59 lid 1 B.W. [appellant] benadrukt dat bedoelde personen werkzaam waren in een team dat beroepsmatige verpleeg- en zorghulp verleende. Hij biedt uitdrukkelijk bewijs aan van zijn stellingen.

8.4.2. [geïntimeerde] betwist de stellingen van [appellant]. Naar haar mening mist artikel 4:59 B.W. toepassing en zij verwijst daarbij, onder meer, naar het arrest van dit hof van 17 april 2007 (LJN: BA5737) gewezen in de door [appellant] jegens [de agent] en [zijn vrouw], hierna: [agent] c.s., aanhangig gemaakte procedure.

8.4.3. Het hof stelt vast dat de primaire vordering van [appellant] en het daaraan ten grondslag gelegde feitencomplex in onderhavige kwestie gelijk zijn aan de vordering met onderliggend feitencomplex in de hiervoor onder rov. 8.4.2 genoemde procedure die heeft geleid tot het aldaar genoemde arrest van dit hof.

8.4.4. Het hof heeft in voornoemd arrest bepaald dat artikel 4:59 lid 1 B.W. restrictief dient te worden uitgelegd. Als beroepsbeoefenaar in de zin van dat artikel kunnen slechts worden aangemerkt de in artikel 3 van de Wet BIG bedoelde beroepsbeoefenaren. Evenals ten aanzien van [agent] c.s., heeft ten aanzien van [geïntimeerde], naar het oordeel van het hof, te gelden dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld om zijn stelling dat [geïntimeerde] een beroepsbeoefenaar in de zin van artikel 4:59 lid 1 B.W. is te kunnen onderbouwen. Integendeel, [appellant] geeft in zijn memorie van grieven (toelichting op grief 5) zelf aan dat, indien voornoemd artikel uitsluitend voor gediplomeerde verpleegkundigen is geschreven, het vonnis van de rechtbank juist is. Zoals hiervoor reeds overwogen, is het hof van oordeel dat artikel 4:59 lid 1 B.W., naast de andere in artikel 3 van de Wet BIG genoemde beroepsbeoefenaren, uitsluitend ziet op gediplomeerde verpleegkundigen. Of deze verpleegkundigen hun werkzaamheden vrijwillig of tegen betaling verrichten is daarbij irrelevant.

8.4.5. Voorts heeft het hof in voornoemd arrest omschreven wie als geestelijk verzorger in de zin van artikel 4:59 lid 1 B.W. dient te worden aangemerkt. Evenals ten aanzien [de agent] c.s., heeft ten aanzien van [geïntimeerde], naar het oordeel van het hof, te gelden dat [appellant] onvoldoende heeft aangevoerd om zijn stelling dat [de agent] c.s. als geestelijk verzorger in de zin van artikel 4:59 lid 1 B.W. dient te worden aangemerkt, bij betwisting door [geïntimeerde], te kunnen onderbouwen.

8.4.6. Voor zover [appellant] in hoger beroep zijn stelling handhaaft dat [geïntimeerde] (met [de agent] c.s.) onder de werking van artikel 4:59 lid 2 B.W. valt (zie punt 2 en punt 5 van de inleidende dagvaarding) heeft, naar het oordeel van het hof, te gelden dat gesteld noch gebleken is dat erflaatster ten tijde van het maken van haar uiterste wilsbeschikking in een instelling bestemd voor de verzorging of verpleging van bejaarden of geestelijk gestoorden opgenomen was, zodat bedoeld lid 2 in onderhavige kwestie niet van toepassing kan zijn (zie ook rov. 4.3.8 van voornoemd arrest van 17 april 2007).

8.4.7. Vorenstaande leidt tot de conclusie dat de primaire vordering van [appellant] door de rechtbank terecht en op juiste gronden is afgewezen en de grieven van [appellant] in zoverre falen. Hetgeen [appellant] in hoger beroep nog heeft aangevoerd met betrekking tot de brief van de politie van 21 december 2006 en het tweede onderzoek naar het handelen van [de agent], leidt niet tot een ander oordeel. Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellant] op dit punt, nu hij hier geen belang bij kan hebben. Het bewijsaanbod van [appellant] wordt ook voor het overige gepasseerd omdat het door [appellant] gestelde onvoldoende is om tot toewijzing van zijn vordering te kunnen leiden.

8.5. Vordering op grond van artikel 4:43 lid 2 B.W.

8.5.1. Artikel 4:43 lid 2 B.W. bepaalt dat een uiterste wilsbeschikking, gemaakt onder invloed van een onjuiste beweegreden, vernietigbaar is, wanneer de door de erflater ten onrechte veronderstelde omstandigheid die zijn beweegreden tot de beschikking is geweest, in de uiterste wil zelf is aangeduid en de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij van de onjuistheid dier veronderstelling had kennis gedragen.

8.5.2. Het hof stelt vast dat in het testament van erflaatster geen beweegreden is opgenomen. Nu dit één van de vereisten is om tot vernietiging van een uiterste wilsbeschikking op grond van bedoeld artikel te komen, brengt dit met zich dat vernietiging van de uiterste wilsbeschikking van erflaatster op grond van artikel 4:43 lid 2 B.W. niet mogelijk is. De stellingen van [appellant] met betrekking tot het onbehoorlijk handelen van [geïntimeerde] en [de agent] c.s., zoals verwoord in de akte, en zijn bewijsaanbod op dit punt behoeven derhalve geen bespreking nu hij hier geen belang bij kan hebben.

8.5.3. [appellant] heeft zich nog beroepen op de inhoud van het arrest van de Hoge Raad van 2 november 2007 (LJN: BA8445). In dat arrest heeft de Hoge Raad, aldus [appellant], de bescherming van een afhankelijk persoon en de vernietiging van het testament (en derhalve ook van erflaatster) geplaatst onder artikel 3:44 B.W. en in casu artikel 4:43 B.W. naast handhaving van een restrictieve uitleg van de kring beroepsbeoefenaren. Een beroep op voornoemd arrest kan [appellant] niet baten, nu het berust op een verkeerde lezing van dat arrest. In die ter beoordeling van de Hoge Raad voorliggende kwestie ging het immers (mede) om een vordering tot vernietiging van een schenking op grond van misbruik van omstandigheden. In het geval van misbruik van omstandigheden is vernietiging van een schenking op grond van artikel 3:44 lid 1 B.W. mogelijk. [appellant] pleit, zo begrijpt het hof, voor analogische toepassing van de bescherming van een erflater in geval een uiterste wilsbeschikking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Dié grond voor vernietiging van een uiterste wilsbeschikking wordt evenwel nadrukkelijk uitgesloten door artikel 4:43 lid 1 B.W. Voor de door [appellant] voorgestane analogische toepassing zijn, naar het oordeel van het hof, geen aanknopingspunten te vinden in het systeem van de wet noch in de parlementaire geschiedenis. Integendeel, uit de memorie van antwoord (zie Parl. Gesch. Vaststellingswet Erfrecht, Van der Burght c.s., p. 270) blijkt voor een uitdrukkelijke keus op dit punt:

"Het zwaarst weegt voor ondergetekende als argument voor weglating van misbruik in het onderhavige lid 2 de tweede motivering van de toelichting nl. dat van een dergelijke vernietigingsgrond een toevloed van processen te vrezen zou zijn. (...) Om de toelichting-Meijers blz. 322 hierover te citeren: ,,... degenen die door een testament in hun verwachtingen zijn teleurgesteld, menen bijna steeds dat de bevoordeelden een onoirbare invloed hebben uitgeoefend om de erflater tot het maken van zijn uiterste wil te bewegen." Hieraan valt nog toe te voegen dat aantasting in processen ook vergemakkelijkt zou worden, doordat de beslissende getuige, de erflater zelf, er niet meer is om een en ander te weerleggen. Ondergetekende acht het om deze redenen ongewenst om misbruik van omstandigheden te aanvaarden als vernietigingsgrond van uiterste wilsbeschikkingen."

8.6. Vorenstaande brengt met zich dat ook de subsidiaire vordering van [appellant] dient te worden afgewezen. De grieven van [appellant] falen derhalve tevens voor het overige.

8.7. [appellant] zal als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten aan de zijde van [geïntimeerde], onder instandlating van de kostenveroordeling in eerste aanleg, waar [appellant] ook als de in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden.

9. De uitspraak:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 19 juli 2006;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Breda van 11 oktober 2006;

wijst de in hoger beroep vermeerderde vordering af;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 296,-- aan verschotten en € 2.235,-- aan salaris procureur;

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van Gink en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 26 augustus 2008.