Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BF0449

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
31-12-2008
Zaaknummer
HD 103.005.868
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoals [bedrijf 1] bij het pleidooi in hoger beroep heeft bevestigd ligt aan haar thans nog resterende vordering (alleen) ten grondslag de stelling dat [bedrijf 2] jegens [bedrijf 1] onrechtmatig handelt door geen parkeerplaatsen op het eigen terrein te realiseren, waardoor [bedrijf 1] frequent overlast ondervindt van verkeerd en voor haar poort geparkeerde auto's. [bedrijf 2] heeft allereerst betwist dat er sprake is van de gestelde parkeeroverlast en het bewijs van deze stelling is door [bedrijf 1] vooralsnog niet geleverd. [bedrijf 1] heeft in algemene termen bewijs aangeboden, maar voor bewijslevering is in een kort geding als dit geen plaats. Dat betekent dat niet vaststaat dat sprake is van parkeeroverlast. Daar komt bij dat evenmin vast staat dat eventuele parkeeroverlast aan [bedrijf 2] kan worden toegerekend en dat op [bedrijf 2] op dit moment enigerlei verplichting rust om daarvoor maatregelen te nemen. Dat betekent dat [bedrijf 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [bedrijf 2] ten aanzien van de parkeeroverlast jegens [bedrijf 1] onrechtmatig handelt en evenmin dat daarin enige grondslag is te vinden voor toewijzing van de vordering zoals deze is ingesteld. Dat brengt mee dat de vordering reeds om deze reden afgewezen dient te worden. De overige onderwerpen die partijen in verband met deze vordering aan de orde hebben gesteld behoeven bij deze stand van zaken geen verdere behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. CB

rolnr. HD 103.005.868

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 10 juni 2008,

gewezen in de zaak van:

1. [BEDRIJF 1],

gevestigd te [plaats], gemeente [gemeente],

en haar vennoten

2. [appellant sub 2],

wonende te [...], gemeente [...],

3. [appellante sub 3],

wonende te [...], gemeente [...],

4. [appellant sub 4,

wonende te [...], gemeente [...],

5. [appellant sub 5],

wonende te [...], gemeente [...],

appellanten bij exploot van dagvaarding

van 23 november 2007,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

1. [BEDRIJF 2],

gevestigd te [plaats], gemeente [gemeente],

en haar vennoten

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [...], gemeente [...],

3. [geintimeerde sub 3],

wonende te [...], gemeente [...],

geïntimeerden bij gemeld exploot,

procureur: mr. H.B.J. de Boer,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnis in kort geding van 2 november 2007 tussen appellanten - [bedrijf 1] - als eisers en geïntimeerden - [bedrijf 2] - als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 165109/KG ZA 07- 629)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [bedrijf 1] is van dit vonnis tijdig in hoger beroep gekomen. Bij appeldagvaarding heeft [bedrijf 1] twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog toewijzing van de vorderingen van [bedrijf 1] inzake de parkeerplaatsen en de zondagsopenstellingen, met veroordeling van [bedrijf 2] in de kosten van beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.

2.2 Bij memorie van antwoord heeft [bedrijf 2] de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [bedrijf 1] in de kosten van beide instanties.

2.3 Partijen hebben daarna hun standpunten door hun raadslieden aan de hand van pleitnota's doen bepleiten, [bedrijf 1] door mr. P.A.M. van Hoef en [bedrijf 2] door mr. R.J. Verweij. Aan de pleitnota van mr. Van Hoef zijn vijf producties (nrs. 5 t/m 9) gehecht, aan de pleitnota van mr. Verweij één productie. Over en weer is tegen het overleggen van deze producties geen bezwaar gemaakt.

2.4 Ten slotte hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de appeldagvaarding.

4. De beoordeling

4.1 In het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter onder 2. een aantal feiten vastgesteld. Deze vaststelling is niet bestreden zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Kortheidshalve verwijst het hof naar deze weergave van de feiten.

4.2 Het gaat in deze zaak, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, om het volgende.

a) [bedrijf 1] drijft een onderneming in handel en reparatie van historische voertuigen. Het bedrijfspand van [bedrijf 1] is gevestigd op een [adres]. Enkele vennoten van [bedrijf 1] hebben daar tevens hun woning.

b) Naast het pand van [bedrijf 1] is het bedrijfspand van [bedrijf 2] gevestigd. [bedrijf 2] houdt zich bezig met de verkoop van onder meer tenten, caravans en kampeerbenodigdheden.

c) In de afgelopen jaren heeft [bedrijf 1] tegen [bedrijf 2] verschillende procedures, voornamelijk bestuursrechtelijk van aard, gevoerd. Deze hadden met name betrekking op het aanbrengen van een verdiepingsvloer zonder bouwvergunning door [bedrijf 2] en op het verlenen van een vrijstelling voor het uitoefenen van de detailhandel door de gemeente.

d) Over het vrijstellingsbesluit is thans nog een bestuursrechtelijke procedure gaande.

4.3 In dit kort geding vorderde [bedrijf 1] in eerste aanleg, samengevat:

1. [bedrijf 2] te gebieden de tussenvloer af te breken;

2. [bedrijf 2] te gebieden 37 goed toegankelijke, goed aangeduide, gemarkeerde parkeerplaatsen op het eigen terrein te maken;

3. [bedrijf 2] te verbieden op koopzondagen geopend te zijn,

een en ander op straffe van dwangsommen.

[bedrijf 2] heeft de vorderingen gemotiveerd bestreden.

4.4 In het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat ten aanzien van de kwesties waarop de onderdelen 2. en 3. van de vordering betrekking hebben een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat en om die reden het gevorderde afgewezen. Ten aanzien van onderdeel 1. van de vordering heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een situatie die jegens [bedrijf 1] als onrechtmatig zou moeten worden aangemerkt en daarom ook dit onderdeel afgewezen.

4.5 Tegen dit laatste oordeel komt [bedrijf 1] in dit hoger beroep niet op, zodat onderdeel 1. van de vordering niet langer aan de orde is. Hetzelfde geldt voor onderdeel 3. van de vordering aangezien [bedrijf 1] dit bij de aanvang van het pleidooi heeft ingetrokken. Resteert derhalve onderdeel 2. inzake de parkeerplaatsen.

4.6 [bedrijf 1] stelt zich hierbij op het standpunt dat [bedrijf 2] jegens haar onrechtmatig handelt door onvoldoende parkeerplaatsen op het eigen terrein te realiseren, terwijl daarvoor wel de mogelijkheid bestaat. Doordat [bedrijf 2] zich in strijd met de vigerende bestemmingsplannen is gaan ontwikkelen tot een detailhandel is de toestroom van bezoekers aanzienlijk toegenomen. Doordat auto's van bezoekers voor de poort van [bedrijf 1] worden geparkeerd en de toegang tot de laad- en losplaats van [bedrijf 1] blokkeren, ondervindt [bedrijf 1] overlast van de huidige bedrijfsvoering van [bedrijf 2]. Deze overlast zou voorkomen kunnen worden wanneer [bedrijf 2] op het eigen terrein een aantal parkeerplaatsen zou realiseren dat in overeenstemming is met de aard van het bedrijf en met de daarbij behorende norm van het parkeerbeleid van de gemeente. Dit komt uit, aldus [bedrijf 1], op ongeveer 37 parkeerplaatsen.

4.7 [bedrijf 2] stelt dat het hier om een bestuursrechtelijk kwestie gaat waarin voor de civiele rechter geen taak is weggelegd. [bedrijf 2] betwist verder dat sprake is van de gestelde overlast. Zij wijst erop dat uit brieven van de gemeente blijkt dat ter plaatse voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is. [bedrijf 2] merkt verder op dat er voor de gemeente geen aanleiding bestaat nadere parkeereisen te stellen en dat er voor [bedrijf 1] een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan wanneer zij zich met de opstelling van de gemeente niet kan verenigen. Ook is [bedrijf 2] van mening dat een kort geding zich niet leent voor een vordering als thans aan de orde is.

4.8 Het hof overweegt hierover het volgende. Zoals [bedrijf 1] bij het pleidooi in hoger beroep heeft bevestigd ligt aan haar thans nog resterende vordering (alleen) ten grondslag de stelling dat [bedrijf 2] jegens [bedrijf 1] onrechtmatig handelt door geen parkeerplaatsen op het eigen terrein te realiseren, waardoor [bedrijf 1] frequent overlast ondervindt van verkeerd en voor haar poort geparkeerde auto's. [bedrijf 2] heeft allereerst betwist dat er sprake is van de gestelde parkeeroverlast en het bewijs van deze stelling is door [bedrijf 1] vooralsnog niet geleverd. [bedrijf 1] heeft in algemene termen bewijs aangeboden, maar voor bewijslevering is in een kort geding als dit geen plaats. Dat betekent dat niet vaststaat dat sprake is van parkeeroverlast. Daar komt bij dat evenmin vast staat dat eventuele parkeeroverlast aan [bedrijf 2] kan worden toegerekend en dat op [bedrijf 2] op dit moment enigerlei verplichting rust om daarvoor maatregelen te nemen. Dat betekent dat [bedrijf 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [bedrijf 2] ten aanzien van de parkeeroverlast jegens [bedrijf 1] onrechtmatig handelt en evenmin dat daarin enige grondslag is te vinden voor toewijzing van de vordering zoals deze is ingesteld. Dat brengt mee dat de vordering reeds om deze reden afgewezen dient te worden. De overige onderwerpen die partijen in verband met deze vordering aan de orde hebben gesteld behoeven bij deze stand van zaken geen verdere behandeling.

4.9 Op grond van deze overwegingen komt het hof ten aanzien van onderdeel 2. van de vordering tot dezelfde slotsom als de voorzieningenrechter. Het vonnis, voor zover in hoger beroep aan de orde, zal worden bekrachtigd met veroordeling van [bedrijf 1] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis voor zover daarvan beroep;

veroordeelt [bedrijf 1] in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [bedrijf 2] begroot op € 300,= aan verschotten en op € 2.682,= aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Meulenbroek, Hofkes en Van Erp en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 10 juni 2008.