Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BF0371

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-07-2008
Datum publicatie
31-12-2008
Zaaknummer
HD 103.004.867
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft - voordat wordt toegekomen aan de verdere beoordeling van de vordering - behoefte aan voorlichting door een of meer deskundige(n) ten aanzien van de hierboven omschreven geschilpunten, te weten:

A.1 hebben tussen 1 april 2002 en 1 augustus 2005 nog verzakkingen in het woonwagencentrum, in het bijzonder aan de standplaats van [appellant], plaatsgevonden?

A.2 zo ja, waarin is de oorzaak van de verzakkingen gelegen?

A.3 zo ja, in hoeverre hebben de verzakkingen bijgedragen aan het ontstaan van de door ZNEB op 6 oktober 2006 geconstateerde schade aan de woonwagen?

B. in hoeverre hebben de werkzaamheden aan de fundering van de bergingen bijgedragen aan het ontstaan van deze schade?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. NJ

zaaknr. HD 103.004.867

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 1 juli 2008,

gewezen in de zaak van:

[Appellant],

wonende te [...], gemeente [...],

hierna: "[appellant]",

appellant bij exploot van dagvaarding van 19 maart 2007,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

GEMEENTE MOERDIJK,

zetelend te Zevenbergen, hierna: de "gemeente",

geïntimeerde bij voormeld exploot,

procureur: mr. J.P.F.W. van Eijck,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom gewezen vonnissen van 22 februari 2006, 17 mei 2006 en 20 december 2006 tussen [appellant] als eiser en de gemeente als gedaagde.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnissen met zaak/rolnummer 364529 CV 05-4581.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven, met producties, heeft [appellant] drie grieven aangevoerd tegen de vonnissen waarvan beroep. Hij heeft geconcludeerd dat het hof deze vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, de in hoger beroep gewijzigde vordering van [appellant] zal toewijzen, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten in beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord, met producties, heeft de gemeente bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging en voorts de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in beide instanties.

2.3. [appellant] heeft afgezien van het nemen van een akte.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van hoger beroep

Hiervoor wordt verwezen naar de grieven en de daarop gegeven toelichting, zoals vermeld in de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. De (rechtsvoorganger van de) gemeente verhuurt sedert 1976 aan [appellant] een standplaats, plaatselijk bekend [adres], op het woonwagencentrum gelegen aan de [adres] (thans geheten: Noordhoek). [appellant] heeft op de standplaats een woonwagen met een aanbouw (hierna: de "woonwagen") geplaatst.

4.1.2. [appellant] heeft bij brief van 24 april 2001 de gemeente aansprakelijk gesteld voor immateriële schade en voor materiële schade aan de woonwagen als gevolg van verzakking van de standplaats.

4.1.3. In opdracht van [appellant] heeft [directeur], directeur van [directeur] Chalet- en wagenbouw bv (hierna: "[directeur]") op 4 september 2001 de woonwagen geïnspec-teerd en op 6 september 2001 een schaderapport (kenmerk: R01023\AD\AL) uitgebracht, met voor zover hier van belang de volgende inhoud:

Betreft: Opname schade woonwagen. Opgenomen d.d. 04-09-01.

Geachte heer [appellant],

In vervolg op mijn inspectiebezoek aan uw woonwagen d.d. 4 september jl., doen wij u hierbij onze bevindingen met een bijbehorend kostenplaatje (richtprijzen) toekomen m.b.t. herstel van de schade aan uw woonwagen.

Volgens uw opgave is al vele jaren de standplaats c.q. ondergrond waarop uw woonwagen met aanbouw is geplaatst onderhevig aan verzakking, waardoor uw woonwagen schade heeft opgelopen.

Diverse verzakkingen zijn in het straatwerk geconstateerd, waarbij rechts van uw woonwagen/aanbouw in zeer ernstige mate. Hier is zelfs een groot gat ontstaan waarbij zand is weggespoeld onder de bestrating. Oorzaak is ons niet bekend en deskundigheid m.b.t. grondzaken hebben wij niet in huis.

Gelet op de ernstige situatie adviseren wij u om een deskundige op dit gebied in te schakelen.

(...)

Schade/gebreken aan uw woonwagen/aanbouw:

- Dakbedekking is al vele malen gerepareerd en goten zijn ca. 3 jaren geleden vervangen, toch blijft u last houden van daklekkage i.v.m. scheurvorming dakbedekking op diverse plaatsen en op overgang woonwagen/aanbouw.

Daklekkage geconstateerd in woonkamer, slaapkamer en aanbouw i.v.m. opgezwollen plafondplaten.

- Het dakbeschot is waarschijnlijk door houtrot aangetast en zal op diverse plaatsen, misschien wel het gehele oppervlak vervangen dienen te worden i.v.m. dakbedekking.

- Plafond aangetast door vocht n.a.v. lekkage.

- Verzakking woonwagen/aanbouw:

Deze staan niet meer waterpas, woonwagen en aanbouw staan niet (meer) strak tegen elkaar.

Woonwagen en aanbouw zal geheel nagesteld moeten worden i.c.m. extra stutwerk, met name bij de aanbouw.

- Klemmende ramen e.d.:

Door nastellen woonwagen kan dit mogelijk weer hersteld worden, echter garantie kan niet worden verstrekt. I.v.m. dit gegeven kunnen ramen en/of deuren weer sluitend gemaakt worden met schaafwerk.

- Onderafzetting;

Door verzakking wordt druk uitgeoefend op de onderafzetting waardoor deze buigt en bij ex-treme belasting wegklapt, i.c.m. stelwerkzaamheden kan dit weer hersteld worden.

- Door vocht/lekkage laat ook behang los en vertoont verkleuringen/vochtkringen.

(...).

[directeur] raamt de kosten van herstel van deze schade-posten op een bedrag van NLG 50.456,- incl btw.

4.1.4. Bij brief op 15 maart 2002 verzonden brief heeft de gemeente voor zover hier van belang het volgende aan [appellant] bericht:

Middels uw brief van 24 april 2001 heeft u de gemeente Moerdijk aansprakelijk gesteld voor de materiële en immateriële schade. Deze zou u hebben geleden als gevolg van het feit dat ontvangen subsidie niet zou zijn aangewend voor het onderhoud van het woonwagenkamp, alwaar u een standplaats huurt. In de telefonische gesprekken die op de brief van 24 april 2001 volgden deelde u ons mede dat u de gemeente met name aansprakelijk stelt voor de schade die als gevolg van verzakkingen van het terrein aan uw woonwagen zou zijn ontstaan.

(...)

Voor wat betreft de schade aan uw woonwagen als gevolg van verzakkingen delen wij u mede dat uit de onderzoeken is gebleken dat hier verschillende oorzaken aan ten grondslag kunnen liggen, namelijk:

1. De onderhoudsstaat van de woonwagen is matig, waardoor eventuele spanning tussen de woonwagen en de aanbouw niet kon worden opgevangen.

2. De woonwagen is niet frequent genoeg gesteld.

3. Uw woonwagen staat op verhard en de aanbouw van uw woonwagen op onverharde ondergrond, hetgeen ernstige bouwtechnische consequenties kan hebben.

4. Het hemelwater wordt vanaf de woonwagen rechtstreeks op de standplaats geloosd, hetgeen tot het wegsijpelen van zand heeft kunnen leiden.

5. Door de gemeente zijn eind 1996 bosschages op de dijk verwijderd, waardoor de stabiliteit van de dijk zou kunnen zijn verminderd.

Slechts één van de bovengenoemde schadeoorzaken zou voor risico komen van de gemeente. De overige oorzaken kunnen ons niet worden toegerekend.

Het verbaast ons overigens dat u in de periode van 6 maart 1997 tot aan de telefoongesprekken na de aansprakelijkheidstelleing van 24 april 2001 geen melding heeft gemaakt van verzakking, terwijl het naar uw mening thans erg slecht gesteld is met de onderhoudssituatie van uw woonwagen. Door de familie [...] is op 19 februari 2001 wel van verzakking van hun vak melding gemaakt. Echter toen in opdracht van de gemeente een aannemer op 25 april 2001 de grond met zand wilde aanvullen, hebben de bewoners van het kamp de toegang tot het terrein geweigerd.

Rekening houdend met het bovenstaande zijn wij van mening dat het enige dat u ons zou tegen kunnen werpen is, dat wij na verwijdering van de bosscha-ges deze niet hebben herbeplant. Echter dat door de verwijdering van de bosschages de stabiliteit van de dijk is aangetast, is uit het onderzoek niet vast komen staan. De andere oorzaken komen niet voor risico van de gemeente. Ofschoon wij van mening zijn dat, indien u in een eerder stadium van de verzakking bij ons melding had gemaakt, wij maatregelen hadden kunnen treffen om schade aan uw woonwagen te voorkomen, zijn wij desalniettemin bereid om coulance-halve en tegen finale kwijting een vergoeding van € 8.168,04 (ƒ 18.000,-) aan u toe te kennen.

(...)

[appellant] heeft dit aanbod op 27 maart 2002 aanvaard en de gemeente heeft het bedrag van € 8.168,04 aan hem betaald.

4.1.5. De kantonrechter heeft op 11 oktober 2002 - in het kader van een door de gemeente tegen [appellant] aanhangig gemaakte andere procedure ter zake van achterstallige huur en kosten waterverbruik - de plaatselijke gesteldheid van de standplaats van [appellant] opgenomen. Het proces-verbaal van descente houdt voor zover hier van belang de volgende verklaringen van partijen in:

[appellant]:

De bestrating is weggezakt en er zijn diepe gaten ontstaan. Wordt steeds gerepareerd, maar gaten ontstaan steeds opnieuw op verscheidene plaatsen. Ik heb er uit voorzorg een plaat overheen gelegd om ongelukken te voorkomen.

Kantonrechter:

Wat is de oorzaak? Ongedierte?

[appellant]:

Klopt, o.a. mollen graven gangen waardoor grond verzakt.

Gemeente (dhr. [...]):

De bestrating wordt door ons regelmatig hersteld. van dit gat wisten wij nog niets.

(...)

4.1.6. Bij brief van zijn raadsman mr. R. Hörchner van 3 maart 2005 heeft [appellant] voor zover thans belang het volgende aan de gemeente bericht:

Namens cliënt, de heer [appellant] sr., wonende aan de [adres] stel ik de gemeente Moerdijk hierbij aansprakelijk voor de schade aan de woonwagen en onderafzetting van cliënt.

Sedert vele jaren wordt de woonwagen met toebehoren geteisterd door verzakkingen van de van de gemeente gehuurde standplaats. Zoals u bekend is en ook eerder door de gemeente is toegegeven, is het woonwagenkamp immers bouwkundig verkeerd aangelegd. Het woonwagenkamp en de daarvan deel uitmakende standplaatsen zijn zonder genoegzame fundering langs de rand van [dijk] aangebracht. Het hoogteverschil tussen de dijk en de naastgelegen akkers is dusdanig dat dit, in samenhang be-ziend met de samenstelling van de grond, de ver-zakkingen tot gevolg heeft, terwijl de gemeente dit ook redelijkerwijs had kunnen weten bij de aanleg.

Schade-expert [directeur] heeft op 6 juli 2004 een expertiserapport opgesteld, waaruit blijkt dat de schade aan de woonwagen van cliënt inmiddels € 8.925,- bedraagt. Een kopie van dit rapport is bijgesloten. Tevens treft u bijgaand aan kopieën van de foto's, waaruit blijkt dat de keuken is ontzet, de onderafzetting is beschadigd. Moeilijker om te fotograferen, maar nog steeds bij de woonwagen zelf waarneembaar, is het feit dat deuren en ramen niet meer behoorlijk sluiten.

(...)

4.1.7. Het (aanvullend) schaderapport van [directeur] van 6 juli 2004 (kenmerk: R04028\R01023\AD\AL) houdt voorzover hier van belang het volgende in:

Betreft: prijsopgave nog niet herstelde schade

Geachte heer [appellant],

Op uw telefonisch verzoek en de door u opgestuurde foto's bevestigen wij u hierbij de besproken schade die tot op heden nog niet gerepareerd/hersteld en/of vervangen is.

Dit betreft:

- Onderafzetting € 3.650,-

- Keuken ontzet, nastellen (...) € 1.000,-

- Woonwagen + aanbouw nastellen € 1.900,-

- Openslaande delen afschaven

en 1x schilderen € 950,-

€ 7.500,-

BTW 19% € 1.425,-

Totaal € 8.925,-

=========

Voor overige zaken verwijzen wij u naar de inhoud van het reeds eerder uitgebrachte rapport R01023 d.d. 06-09-2001.

4.1.8. Bij brief van 8 april 2005 heeft de gemeente voor zover hier van belang het volgende geantwoord:

Naar aanleiding van de van u ontvangen aansprakelijkstelling heb ik informatie bij de vakafdeling opgevraagd. Uit deze informatie blijkt het volgende.

Uw cliënt, de heer [appellant] sr., heeft in het verleden reeds eerder de gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade aan zijn woonwagen, veroorzaakt door verzakkingen van de dijk. De hoogte van de aansprakelijkheidstelling was gebaseerd op een rapport van [directeur] d.d. 6 september 2001 met kenmerk R01023/AD/AL. Aan de hand van deze aansprakelijkstelling heeft de gemeente diverse onderzoeken laten uitvoeren. Uit de onderzoeken is gebleken dat de verzakkingen grotendeels voor rekening van uw cliënt komen. Desalniettemin heeft de gemeente besloten uw cliënt coulancehalve en tegen finale kwijting een bedrag ad € 8.186,04 toe te kennen. Dit is door uw cliënt geaccepteerd. Volledigheidshalve verwijs ik u naar het schrijven van de gemeente d.d. 11 maart 2002, verzonden 15 maart 2002.

Vervolgens heeft uw cliënt in een gerechtelijke procedure over de aanwezige huurachterstand bij de kantonrechter te Bergen op Zoom opnieuw de schade aan de woonwagen ter sprake gebracht.(...)

Uit de rapportages vanaf 2002 tot op heden is gebleken dat uw cliënt nimmer enige onderhoudsklacht heeft ingediend bij de gemeente. Ik ga er dan ook vanuit dat er geen klachten zijn. Daarnaast is gebleken dat uw cliënt iedere medewerking weigert bij het plaatsen van een damwand door de gemeente. De eventuele gevolgen hiervan blijven dan ook voor eigen risico van uw cliënt.

Gezien bovenstaande wijs ik de door u verstuurde aansprakelijkstelling af en zal ik niet overgaan tot het vergoeden van de door u geclaimde schade, zeker niet nu het door u overgelegde rapport inhoudelijk hetzelfde is en gebaseerd is op het rapport van [directeur] van 6 september 2001. Uw cliënt wenst dezelfde schade dus twee maal te verhalen bij de gemeente.

4.1.9. Bij brief van 23 mei 2005 heeft de gemeente de bewoners van het woonwagencentrum aan de [dijk] voor zover hier van belang als volgt geïnformeerd over de voorgenomen werkzaamheden ten behoeve van de verbetering van de woonsituatie:

Mede naar aanleiding van de door de bewoners gemaakte opmerkingen inzake het plaatsen van een damwand heeft de gemeente besloten in plaats van een damwand te slaan het talud van de dijk ter plaatse te versterken door middel van het verbre-den van de dijk en daarmede het verflauwen van de hellingshoek. Door voor deze oplossing te kiezen wordt hetzelfde doel bereikt, nl. het versterken van het dijklichaam. Tevens zullen er de noodzake-lijke maatregelen getroffen worden om de afwatering ter plaatse in goede banen te leiden. De uitvoering van de werkzaamheden zal inhouden dat er zand en grond aan de dijk toegevoegd zullen gaan worden. De werkzaamheden zullen vanuit de achter-zijde worden uitgevoerd. De uitvoering van de werkzaamheden zal slechts geringe hinder voor de bewoners met zich meebrengen.

(...)

4.1.10. Bij brief van 27 juli 2005 heeft de gemeente de bewoners van het woonwagencentrum aan de [dijk] voor zover hier van belang als volgt geïnformeerd:

Onderwerp: opknappen woonwagencentrum

Beste bewoners,

De kantonrechter heeft de gemeente opgedragen een aantal noodzakelijke verbeteringen aan uw woonwagencentrum aan te brengen. De gemeente wil het volgende op korte termijn gaan doen:

- het talud verstevigen;

- nieuwe bergingen bouwen;

- per standplaats aansluitingen realiseren voor elektra, gas en water;

- de bestrating opknappen.

Talud

Het is hoog tijd dat het talud verstevigd wordt. Deze werkzaamheden voert de gemeente op 22 augus-tus aanstaande uit. Ik hoop uiteraard op uw medewerking. Het is prettig werken als alle neuzen dezelfde kant op wijzen. Ik benadruk echter dat met of zonder medewerking de klus op de aangekondigde datum wordt uitgevoerd.

(...)

4.1.11. De zoon van [appellant], Th. [appellant], die een woonwagen op een standplaats in het woonwagencentrum (plaatselijk bekend [adres]) bewoont, heeft eind augustus 2005 de uitvoering van de verbreding van het talud belemmerd door het plaatsen van een hek met prikkeldraad op een gedeelte van het talud.

4.1.12. De voorzieningenrechter van de rechtbank Breda heeft op vordering van de gemeente bij vonnis in kort geding van 23 september 2005 [appellant] bevolen het hek met prikkeldraad van het talud te verwijderen en heeft hem verboden de gemeente te belemmeren in de uitvoering van de werkzaamheden aan het talud, alles op straffe van verbeur-te van een dwangsom.

4.1.13. [appellant] heeft het hek verwijderd en de gemeente heeft de werkzaamheden aan het talud voltooid. Op 20 januari 2006 heeft de gemeente heiwerkzaamheden ver-richt als fundering voor de nieuwe bergingen. In het voor-jaar van 2006 is het woonwagencentrum opnieuw bestraat.

4.1.14. [appellant] heeft bij exploot van dagvaarding van 1 augustus 2005 gevorderd dat de gemeente wordt veroor-deeld aan hem een bedrag van € 12.925,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2005 te betalen ter zake van vergoeding van schade aan zijn woonwagen. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 22 februari 2006 [appellant] in de gelegenheid gesteld de in het tijdvak van 1 april 2002 tot 1 augustus 2005 ontstane nieuwe schade aan zijn woonwagen toe te lichten.

4.1.15. Bij tussenvonnis van 17 mei 2006 heeft de kantonrechter [appellant] toegelaten tot bewijslevering van de gestelde nieuwe schade. De kantonrechter heeft op 6 september 2006 [appellant] en zijn zoon Th. [appellant] als getuigen gehoord.

4.1.16. In opdracht van [appellant] heeft Zuid-Nederlands Expertisebureau BV (hierna: "ZNEB") op 25 oktober 2006 een expertiserapport uitgebracht waarin de kosten van herstel van de bij de opname op 6 oktober 2006 geconstateerde schade aan de woonwagen worden geraamd op een bedrag van € 3.900,- incl btw. [appellant] heeft vervolgens zijn eis verminderd tot dit bedrag van € 3.900,-.

4.1.17. Bij eindvonnis van 20 december 2006 heeft de kantonrechter beslist dat [appellant] niet is geslaagd in het bewijs van de gestelde nieuwe schade en heeft zij de vorderingen van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.1.18. [appellant] kan zich niet met de vonnissen van 22 februari 2006, 17 mei 2006 en 20 december 2006 ver-enigen en komt daarvan in hoger beroep.

Eiswijziging

4.2. [appellant] heeft in de memorie van grieven de grond-slag van zijn vordering uitgebreid met schade welke is ontstaan tussen 1 augustus 2005 en 6 oktober 2006 (de datum waarop ZNEB de schade aan de woonwagen heeft opge-nomen) als gevolg van het onderheien op 20 januari 2006 van de nieuwe bergingen op het woonwagencentrum. De gemeente heeft bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging.

4.3. Het hof is van oordeel dat de wijziging van de grondslag van de eis bij memorie van grieven niet in strijd is met een goede procesorde. De gemeente is daar-door niet onredelijk in haar verdediging geschaad. Het leidt ook niet tot een onredelijke vertraging van het geding. Het bezwaar van de gemeente wordt ongegrond verklaard.

De grieven

4.4. De inleidende dagvaarding is uitgebracht ná 1 augustus 2003 zodat ingevolge het bepaalde in artikel 205 Overgangswet Nieuw burgerlijk wetboek het huidige huurrecht van toepassing is op de vordering, ook voor zover deze vordering schade betreft welke vóór 1 augustus 2003 is ontstaan.

4.5. De kantonrechter heeft de vordering tot schadever-goeding afgewezen op de grond dat [appellant] er niet in is geslaagd aan te tonen dat hij in de periode van 1 april 2002 tot augustus 2005 de door hem gestelde (nieuwe) schade heeft geleden aan zijn woonwagen, te weten:

- lekkage aan het nieuw gelegde dak en krom trekken van

het boeiboord;

- verzakken van de nieuw geplaatste keuken;

- schade aan de onderafzetting.

De kantonrechter heeft geen beslissing gegeven omtrent de oorzaak van de verzakking en de aansprakelijkheid van de gemeente.

4.6. Met grief 1 bestrijdt [appellant] dat de kantonrechter hem met het bewijs van het causaal verband tussen de verzakkingen van de standplaats en het ontstaan van de schade aan de woonwagen heeft belast.

4.7. De grief heeft een subsidiair karakter aangezien de kantonrechter niet is toegekomen aan een beslissing omtrent het causaal verband en de vordering heeft afgewezen op de grond dat het ontstaan van nieuwe schade niet is aangetoond. Het hof komt pas toe aan een beoordeling van het causaal verband als een van de andere grieven slaagt.

4.8. Met zijn grief 2 komt [appellant] op tegen de beslissing van de kantonrechter de schade welke ná 1 augustus 2005 als gevolg van heiwerkzaamheden is ontstaan buiten beschouwing te laten.

4.9. De grief wordt verworpen wegens gebrek aan belang aangezien na de eisvermeerdering in hoger beroep ook de schade welke als gevolg van heiwerkzaamheden mocht zijn ontstaan in het tijdvak van 1 augustus 2005 tot 6 oktober 2006 aan de orde is.

4.10. Met zijn grief 3 bestrijdt [appellant] de beslissing van de kantonrechter dat hij het ontstaan ná 1 april 2002 van nieuwe schade aan de woonwagen niet heeft aangetoond.

4.11. De grief slaagt. Het door [appellant] overgelegde expertiserapport van ZNEB toont - vooralsnog, behoudens door de gemeente te leveren tegenbewijs - genoegzaam aan dat er op 6 oktober 2006 sprake was van:

- verzakkingen en/of onderspoeling van de ondergrond

van de standplaats;

- schade aan de onderafzetting van de woonwagen;

- deformatie van de woonwagen als gevolg van zakking/

zetting in de ondergrond, te weten deformatie van

ramen, deuren en inbouwkeuken, alsmede van de boei-

lijsten rondom het dak.

4.12. Naar het oordeel van het hof is op grond van dit rapport voorts het vermoeden gerechtvaardigd dat er sprake is van nieuwe (dat wil zeggen ná 1 april 2002) ontstane schade. Bij dit voorlopig oordeel neemt het hof in aanmerking dat in het rapport van ZNEB wordt geconstateerd: a) dat er sprake is van schade aan een nieuw aan-gebrachte dakbedekking; b) dat als niet althans onvoldoende gemotiveerd bestreden vast staat dat de keuken (waaraan schade wordt geconstateerd) ná 1 april 2002 is geplaatst; en c) dat de expertise van ZNEB steun vindt in het aanvullend schaderapport van [directeur] d.d. 6 juli 2004. De gemeente kan desnodig tegenbewijs leveren tegen dit vermoeden.

De vordering

4.13. Het slagen van de grief brengt mee dat de vordering van [appellant] tot vergoeding van de schade aan zijn woonwagen in hoger beroep opnieuw beoordeeld dient te worden. Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep zullen daarbij de door de gemeente in eerste aanleg gevoerde verweren betrokken moeten worden. Tevens komt daarbij (de bewijslast ten aanzien van) het causale verband (grief 1) aan de orde. Ten slotte zal de gemeente desnodig worden toegelaten tot tegenbewijs tegen de hier-voor gegeven voorlopige oordelen ten aanzien van het bewijs van de schade.

4.14. De vordering betreft vergoeding van gevolgschade aan de woonwagen welke volgens [appellant] is veroorzaakt: a) door het verzakken van de van de gemeente gehuurde standplaats; en/of b) door de heiwerkzaamheden op

20 januari 2006.

4.15. Niet in geschil is dat voor schade aan de woonwagen welke vóór 1 april 2002 is ontstaan in maart 2002 een finale regeling is getroffen en dat de vordering is beperkt tot schade die vanaf 1 april 2002 is ontstaan.

4.16. Naar het oordeel van het hof verschaft een standplaats bestemd voor het plaatsen van een woonwagen (zie artikel 7:236 BW) waarvan de ondergrond verzakt niet het genot dat de huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten. Immers, de huurder mag verwachten dat de standplaats voldoende stabiliteit biedt aan de daarop te plaatsen woonwagen met aanhorigheden. Voor zover de standplaats in het tijdvak vanaf 1 april 2002 (verder) is verzakt is er sprake van een gebrek als bedoeld in artikel 7:204 BW.

4.17. Niet in geschil is dat de gemeente pas in augustus 2005 maatregelen heeft genomen ter voorkoming van het (verder) verzakken van de standplaats, te weten het verbreden en versterken van het talud van de [dijk] ter hoogte van het woonwagencentrum. De gemeente betwist dat zich in het tijdvak van 1 april 2002 tot 1 augustus 2005 opnieuw verzakkingen hebben voorgedaan die hebben geleid tot nieuwe schade aan de woonwagen.

4.18. Artikel 7:206 BW voorziet in een verplichting tot vergoeding door de verhuurder van de door een gebrek ver-oorzaakte schade. Aangezien gesteld noch gebleken is dat er bij het aangaan van de huurovereenkomst in 1976 al sprake is van verzakking van de standplaats, althans dat de gemeente dit wist of behoorde te weten, althans dat de gemeente de afwezigheid van het gebrek aan [appellant] heeft gegarandeerd, is voor aansprakelijkheid van de gemeente op grond van deze bepaling vereist dat het gebrek aan de gemeente valt toe te rekenen.

4.19. In dit verband voert de gemeente het verweer dat de verzakkingen worden veroorzaakt door in de ondergrond van de standplaats verblijvend ongedierte (mollen) zodat het gebrek niet aan de gemeente kan worden toegerekend.

4.20. Ten slotte heeft [appellant] aangevoerd dat de door ZNEB op 6 oktober 2006 geconstateerde schade aan de woonwagen mede veroorzaakt is door de heiwerkzaamheden op 20 januari 2006. De gemeente heeft daartegen voor zover thans nog van belang het verweer gevoerd dat de palen ter fundering van de bergingen niet zijn geheid, maar dat er stalen buizen de grond in zijn getrild of geboord.

4.21. Het hof heeft - voordat wordt toegekomen aan de verdere beoordeling van de vordering - behoefte aan voorlichting door een of meer deskundige(n) ten aanzien van de hierboven omschreven geschilpunten, te weten:

A.1 hebben tussen 1 april 2002 en 1 augustus 2005 nog verzakkingen in het woonwagencentrum, in het bijzonder aan de standplaats van [appellant], plaatsgevonden?

A.2 zo ja, waarin is de oorzaak van de verzakkingen gelegen?

A.3 zo ja, in hoeverre hebben de verzakkingen bijgedragen aan het ontstaan van de door ZNEB op 6 oktober 2006 geconstateerde schade aan de woonwagen?

B. in hoeverre hebben de werkzaamheden aan de fundering van de bergingen bijgedragen aan het ontstaan van deze schade?

4.22. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten omtrent aantal en persoon van de deskundige(n) alsmede over de aan de deskundige te stellen vragen.

4.23. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De uitspraak

Het hof:

stelt partijen in de gelegenheid zich bij akte uit te laten omtrent de in r.o. 4.22 genoemde punten;

verwijst de zaak daartoe naar de rol van 29 juli 2008;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 1 juli 2008.