Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BF0370

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
31-12-2008
Zaaknummer
HD 103.004.385
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoals hiervoor aangegeven, moet ervan worden uitgegaan dat Prism als rechtspersoon is blijven bestaan, zodat in zoverre het verwijt van [appellant] geen doel treft. Ook wanneer het voornemen bestaat in een bepaalde rechtspersoon geen activiteiten meer te ontwikkelen, zoals afgeleid zou kunnen worden uit het (later ongedaan gemaakte) uitschrijven uit het handelsregister en het gestelde opzeggen van telefoonabonnementen en bankrekeningen, betekent dat nog niet dat die rechtspersoon of de bestuurder daarvan jegens derden onrechtmatig handelt door procedures voort te zetten of rechten in stand te houden. Tussen [appellant] en Prism is in 1997 (via de trustee van The Lixnaw Trust) een relatie ontstaan, die vervolgens tot problemen heeft geleid waardoor [appellant] en Prism over en weer tegen elkaar procedures aanhangig hebben gemaakt. Deze hebben er toe geleid dat Prism in ieder geval op dit moment een opeisbare vordering op [appellant] heeft, vanwege de verbeurde dwangsommen, terwijl het omgekeerde niet is komen vast te staan. Ook indien Prism alleen in verband hiermee door [geïntimeerde] in stand wordt gehouden, kan dat jegens [appellant] niet als onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] worden aangemerkt. Het ligt immers voor de hand dat [geïntimeerde] als bestuurder van Prism de belangen van deze rechtspersoon dient veilig te stellen. Wanneer [appellant] daardoor wordt gehinderd in de exploitatie van zijn concept is dat op zichzelf genomen nog geen reden voor [geïntimeerde] om anders te handelen. Ook voor het overige treft het derde verwijt van [appellant] geen doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. CB

rolnr. HD 103.004.385

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 10 juni 2008,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [...],

appellant bij exploot van dagvaarding

van 11 augustus 2006,

procureur: mr. J.J. Geuze,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [...],

[...] (Verenigd Koninkrijk),

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 17 mei 2006 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 134964/HA ZA 04-1207)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] is van dit vonnis tijdig in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van drie producties met bijlagen zeven grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog toewijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.2 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] onder overlegging van twee producties de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.

2.3 Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank onder 3.2 een aantal feiten vastgesteld. Met grief I komt [appellant] op tegen deze vaststelling door middel van een verwijzing naar bladzijde 1 tot en met 26 van de memorie van antwoord in incidenteel appel die hij heeft genomen in een procedure die bij het gerechtshof Amsterdam aanhangig is tussen hemzelf en Prism Education Research Ltd. (verder: Prism) (prod. III mvg). Nu [appellant] niet concreet heeft aangegeven op welke punten en waarom hij bezwaren heeft tegen de weergave van de feiten door de rechtbank en op welke punten een processtuk uit een andere zaak rechtstreeks van belang is voor de vaststelling van de feiten in de onderhavige procedure, gaat het hof in dit verband aan dat stuk voorbij. Deze grief leidt niet tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, zodat grief I wordt verworpen.

4.2 Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende.

a) [appellant] is de bedenker van het concept "The Four Keys to Dental Practice Succes", een methode voor praktijkvoering van tandartsen.

b) Op 10 april 1997 heeft [appellant] een overeenkomst gesloten met Hemery Trustees Ltd. als trustee van The Lixnaw Trust, waarbij de in die overeenkomst vermelde rechten op het concept door [appellant] werden overgedragen tegenover onder meer de verplichting om aan hem levenslang jaarlijks een bedrag van £ 28.500,= uit te keren.

c) Op 4 juni 1997 zijn bedoelde rechten, geografisch beperkt tot onder meer Nederland, overgedragen aan Prism. Deze rechtspersoon exploiteert een onderneming die zich bezighoudt met het geven van trainingen en seminars aan tandartsen in Nederland op het terrein van praktijkmanagement.

d) [geïntimeerde] is bestuurder van Prism.

e) Aanvankelijk werkte Prism samen met [appellant], maar tussen hen (en andere betrokken partijen) is een geschil ontstaan dat heeft geleid tot een kort geding. Bij vonnis van 5 oktober 1999 heeft de president van de rechtbank Utrecht (onder meer) [appellant] op verbeurte van een dwangsom verboden om in Nederland gebruik te maken van het concept (prod. 2 inl. dagv.).

f) Trustee van The Lixnaw Trust is thans CB Trustees Ltd. Op 1 december 1999 heeft [appellant] met CB Trustees Ltd. een overeenkomst gesloten waarbij alle rechten op "The Four Keys to Dental Practice Success" terug zijn overgedragen aan [appellant] en CB Trustees Ltd. is ontslagen van de verplichting om hem jaarlijks £ 28.500,= te betalen.

g) Op 2 december 1999 heeft [appellant] de overeenkomst van 4 juni 1997, hiervoor vermeld onder c), per 4 juni 2000 opgezegd.

h) [appellant] heeft tegen onder meer Prism een kort geding aanhangig gemaakt om een verbod te verkrijgen, kort gezegd, op het gebruik van "The Four Keys to Dental Practice Success" en een verbod om ten laste van [appellant] een beroep te doen op het vonnis van 5 oktober 1999. Deze vorderingen zijn door de president van de rechtbank Utrecht bij vonnis van 17 augustus 2000 afgewezen. Dit vonnis is door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 23 januari 2003 bekrachtigd (prod. 5 inl. dagv.)

i) Prism heeft tegen [appellant] (en [aangeklaagde]) een bodemprocedure aanhangig gemaakt inzake het verbeuren van dwangsommen ingevolge het vonnis van 5 oktober 1999. Bij vonnis van 24 augustus 2005 heeft de rechtbank Utrecht onder meer voor recht verklaard dat [aangeklaagde] en [appellant] als gevolg van overtredingen van het vonnis in kort geding van 5 oktober 1999 hoofdelijk een bedrag van € 340.335,16 [ƒ 750.000,=] aan dwangsommen aan Prism hebben verbeurd (prod. I mvg). Tegen dit vonnis is [appellant] bij het gerechtshof Amsterdam in hoger beroep gekomen; dit is de procedure die hiervoor onder 4.1 is aangeduid.

j) [appellant] heeft voor de Bailiff of the Royal Court te Guernsey met betrekking tot de rechten op "The Four Keys to Dental Practice Succes" een procedure aanhangig gemaakt tegen onder meer Hemery Trustees Ltd., CB Trustees Ltd. en Prism. Bij uitspraak van 10 oktober 2003 is ten aanzien van Prism onder meer bepaald dat alle bedoelde rechten met onmiddellijke ingang zullen berusten bij [appellant] (prod. 8 inl. dagv.).

k) De inschrijving van Prism in het Britse handelsregister is begin 2004 doorgehaald geweest, maar op verzoek van [geïntimeerde] en Prism later dat jaar hersteld alsof deze niet was doorgehaald.

4.3 In de onderhavige procedure vordert [appellant], kort gezegd, een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van de daardoor geleden schade, op te maken bij staat. Aan deze vorderingen legt [appellant] ten grondslag een aantal verwijten aan [geïntimeerde] als bestuurder van Prism in verband met de kwesties rond de exploitatie van het concept "The Four Keys to Dental Practice Success". [geïntimeerde] heeft de vorderingen gemotiveerd weersproken. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

4.4 De rechtbank heeft zich bevoegd geacht om van de vorderingen kennis te nemen en daarop Nederlands recht toe te passen (r.o. 3.3). Tegen deze uitgangspunten zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof in navolging van partijen en de rechtbank daarvan zal uitgaan.

4.5 Bij de verwijten die [appellant] aan het adres van [geïntimeerde] richt, gaat het steeds om handelen van [geïntimeerde] in diens hoedanigheid van bestuurder van Prism en niet om enige gedraging van [geïntimeerde] los van die hoedanigheid. Bij de overeenkomsten die in deze aangelegenheid van belang zijn, is steeds Prism partij en niet (tevens) [geïntimeerde]. Hetzelfde geldt voor de procedures die zijn gevoerd of nog aanhangig zijn. Voor aansprakelijkheid van [geïntimeerde] als bestuurder van Prism voor handelen of nalaten van deze rechtspersoon is vereist dat hij heeft gehandeld op een wijze die als oorzaak van de door [appellant] gestelde schade kan gelden en tevens dat dat handelen hem persoonlijk in ernstige mate kan worden verweten. Tegen deze achtergrond zal het hof de stellingen behandelen die [appellant] aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd.

4.6 Het eerste verwijt van [appellant] is dat [geïntimeerde] via de rechtspersoon Prism inbreuk heeft gemaakt op de intellectuele eigendomsrechten van [appellant] op "The Four Keys to Dental Practice Success" en [appellant] ervan heeft weerhouden zijn rechten daarop te exploiteren door hem te houden aan een in kort geding opgelegd verbod terwijl de bodemrechter anders oordeelt (zie mvg punt 75).

4.7 De enige door partijen vermelde procedure waarin uitspraak is gedaan over de rechten van [appellant] op de exploitatie van "The Four Keys of Dental Practice Success" in Nederland, is de procedure in Guernsey geweest. Het hof verwijst naar het standpunt van [appellant], zoals dat onder meer blijkt uit de memorie van grieven punt 19, 72, 81, 84-86, 93-94, en 106. Anders dan [appellant] verdedigt, betreft de uitspraak die in Guernsey is gedaan - althans wat het dictum betreft - kennelijk de situatie vanaf het moment van die uitspraak, dat wil zeggen vanaf 10 oktober 2003. Het dictum luidt immers, met weglating van elementen die de leesbaarheid verminderen:

"Declared that [appellant] is entitled to repudiate the assignment of copyright dated 4 June 1997 and that all rights to and in the work are vested forthwith in [appellant]". Anders gezegd: een declaratoire uitspraak dat [appellant] terecht de overeenkomst ontbond/vernietigde, doch kennelijk niet met terugwerkende kracht, want de declaratoire uitspraak dat [appellant] (weer) rechthebbende was gold "forthwith" (dus met onmiddellijke ingang).

Door [appellant] is niets naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat op enig eerder tijdstip dan 10 oktober 2003 reeds (in rechte) was vastgesteld dat de rechten bij [appellant] waren teruggekeerd en dat Prism mitsdien aan eerdere overeenkomsten geen rechten meer kon ontlenen.

4.8 In het standpunt van [appellant] ligt besloten, dat volgens hem feitelijk die rechten door de opzegging van 2 december 1999 per 4 juni 2000 bij hem waren teruggekeerd. Die kwestie is onderwerp geweest van de kort-gedingprocedure welke heeft geresulteerd in het vonnis van 17 augustus 2000 en het arrest van 23 januari 2003, doch daarin niet beslist. [geïntimeerde] stelt zich in dit verband op het standpunt, dat nu de bewuste rechten reeds aan Prism waren overgedragen, deze niet - op 1 of 2 december 1999 - aan [appellant] terug konden worden overgedragen. In de thans aan de orde zijnde procedure heeft [appellant] zich beperkt tot de uiterst summiere opmerking (inl. dagv. punt 5) dat de rechten in december 1999 aan [appellant] zijn geretourneerd en dat de overeenkomst met Prism is opgezegd per juni 2000. In de conclusie van antwoord punt 21 heeft [geïntimeerde] dit even summier betwist. Voorts heeft [appellant] in de memorie van grieven (punt 15-16) betoogd dat de opzegging en retouroverdracht door Prism waren erkend, maar volgens [geïntimeerde] werd slechts erkend dat men op de hoogte was van de opzegging (mva punt 6), zonder in te stemmen met de door [appellant] daaraan verbonden rechtsgevolgen.

4.9 Tegen de achtergrond van de tekst van artikel 3 (Grant of Rights) van de overeenkomst van 10 april 1997, heeft [appellant] naar het oordeel van het hof daarmede in de huidige procedure onvoldoende concrete en voor bewijs vatbare feiten gesteld waaruit volgt dat als gevolg van de rechtshandelingen van 1 en 2 december 1999, de rechten op het werk inderdaad per 4 juni 2000 waren teruggekeerd tot [appellant].

4.10 Dat [appellant] per 4 juni 2000 weer rechthebbende is geworden, is dus niet komen vast te staan. Voorafgaande aan 10 oktober 2003 kon Prism zich dus op de overeenkomst van 4 juni 1997 en de voor haar gunstige vonnissen van 5 oktober 1999 en 17 augustus 2000 beroepen. Welke betekenis ook precies aan de uitspraak in de procedure in Guernsey moet worden toegekend ([geïntimeerde] betwijfelt of het een vonnis betreft), op handelingen in de periode waarin beide vonnissen werden gewezen heeft die uitspraak in ieder geval geen invloed. Door [appellant] zijn verder geen concrete feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie kunnen dragen dat Prism na die datum enige handeling heeft verricht als waarop het verwijt van [appellant] betrekking heeft. Als zodanig kunnen de globale stellingen van [appellant] in zijn memorie van grieven (met name punt 98) in ieder geval naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt. Dat betekent dat het eerste verwijt van [appellant] geen grond heeft: wanneer niet kan worden gezegd dat Prism Education Research Ltd. jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door hem aan genoemde vonnissen te houden, geldt dat ook voor [geïntimeerde] als bestuurder van Prism.

4.11 Het tweede verwijt van [appellant] is dat [geïntimeerde] Prism heeft doen ontbinden terwijl hij wist dat Prism aanzienlijke bedragen aan [appellant] verschuldigd was en aldus welbewust de verhaalsmogelijkheden voor [appellant] heeft weggemaakt.

4.12 Ook indien dit verwijt juist is, kan dit niet tot toewijzing van de vordering van [appellant] leiden. De doorhaling van de inschrijving van Prism in het Britse handelsregister waar [appellant] in dit verband op doelt, is ongedaan gemaakt. Het dient ervoor gehouden te worden dat Prism achteraf gezien ook in 2004 is blijven bestaan en dat er in haar bestaan als rechtspersoon uiteindelijk geen onderbreking is opgetreden. Iets anders is in ieder geval uit de overgelegde producties niet af te leiden. Niet valt in te zien dat door deze gang van zaken een benadeling van [appellant] is opgetreden of dat [appellant] hierdoor enige opeisbare vordering van hem op Prism niet heeft kunnen verhalen. Of aan [geïntimeerde] in dit verband persoonlijk een ernstig verwijt te maken valt, behoeft bij deze stand van zaken geen bespreking.

4.13 Het derde verwijt van [appellant] is dat [geïntimeerde] via een niet (meer) bestaande rechtspersoon tegen [appellant] blijft procederen en de subjectieve rechten van [appellant] blijft schaden. In dit verband vermeldt [appellant] naast de hiervoor genoemde ontbinding het opzeggen van telefoonabonnementen en bankrekeningen van Prism.

4.14 Het hof overweegt hierover het volgende. Zoals hiervoor aangegeven, moet ervan worden uitgegaan dat Prism als rechtspersoon is blijven bestaan, zodat in zoverre het verwijt van [appellant] geen doel treft. Ook wanneer het voornemen bestaat in een bepaalde rechtspersoon geen activiteiten meer te ontwikkelen, zoals afgeleid zou kunnen worden uit het (later ongedaan gemaakte) uitschrijven uit het handelsregister en het gestelde opzeggen van telefoonabonnementen en bankrekeningen, betekent dat nog niet dat die rechtspersoon of de bestuurder daarvan jegens derden onrechtmatig handelt door procedures voort te zetten of rechten in stand te houden. Tussen [appellant] en Prism is in 1997 (via de trustee van The Lixnaw Trust) een relatie ontstaan, die vervolgens tot problemen heeft geleid waardoor [appellant] en Prism over en weer tegen elkaar procedures aanhangig hebben gemaakt. Deze hebben er toe geleid dat Prism in ieder geval op dit moment een opeisbare vordering op [appellant] heeft, vanwege de verbeurde dwangsommen, terwijl het omgekeerde niet is komen vast te staan. Ook indien Prism alleen in verband hiermee door [geïntimeerde] in stand wordt gehouden, kan dat jegens [appellant] niet als onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] worden aangemerkt. Het ligt immers voor de hand dat [geïntimeerde] als bestuurder van Prism de belangen van deze rechtspersoon dient veilig te stellen. Wanneer [appellant] daardoor wordt gehinderd in de exploitatie van zijn concept is dat op zichzelf genomen nog geen reden voor [geïntimeerde] om anders te handelen. Ook voor het overige treft het derde verwijt van [appellant] geen doel.

4.15 Het vierde verwijt van [appellant] is dat [geïntimeerde] Prism de rechten van [appellant] tegen beter weten in niet heeft laten erkennen en in strijd met die rechten heeft doen handelen (mvg punt 51 onder i).

4.16 Dit verwijt wordt niet ondersteund door de uitkomst van de procedures die in Nederland tussen [appellant] en Prism zijn gevoerd en die vooralsnog alle in het voordeel van Prism zijn uitgevallen. Bij deze stand van zaken valt niet in te zien dat er op de door [appellant] aangegeven grond sprake is van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] jegens [appellant].

4.17 Het vijfde verwijt van [appellant] is dat [geïntimeerde] tegen beter weten de procedure in Guernsey jaren heeft gerekt waardoor al die tijd [appellant] geen gebruik heeft kunnen maken van zijn rechten op "The Four Keys to Dental Practice Success" (mvg punt 51 onder ii).

4.18 Het hof overweegt hierover het volgende. Prism is in maart 2000 in Guernsey door [appellant] in rechte betrokken. Het staat Prism in beginsel vrij om zich tegen een vordering te verweren en om daarbij de processuele positie in te nemen die haar goeddunkt. De wijze waarop een partij een procedure voert kan onder omstandigheden tegenover een wederpartij als onrechtmatig worden aangemerkt wanneer sprake is van misbruik van (proces)recht. Gegeven de vrijheid van handelen die partijen ten opzichte van elkaar hebben, dient slechts onder bijzondere omstandigheden aangenomen te worden dat die situatie zich voordoet. Hetgeen [appellant] in dit verband heeft gesteld biedt evenwel onvoldoende grond om aan te nemen dat zich in dit geval dergelijke bijzondere omstandigheden voordoen. Of aan [geïntimeerde] in dit verband persoonlijk een ernstig verwijt te maken valt, behoeft bij deze stand van zaken geen bespreking.

4.19 [appellant] heeft naast deze vijf verwijten nog een aantal stellingen aangevoerd die volgens hem inhouden dat [geïntimeerde] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld (mvg punt 52-57). Deze stellingen betreffen, samengevat, de wetenschap van [geïntimeerde] met betrekking tot de financiële situatie van Prism, de wetenschap van [geïntimeerde] met betrekking tot de juridische positie van Prism tegenover [appellant], het leeghalen van Prism door [geïntimeerde] waardoor deze rechtspersoon voor [appellant] geen verhaal zou bieden en het onderling verband tussen de verschillende door [appellant] aangevoerde omstandigheden.

4.20 Het hof overweegt hierover het volgende. Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het uitgangspunt dat in deze zaak gehanteerd dient te worden bij de beoordeling van het handelen van [geïntimeerde] (r.o. 4.5) en met betrekking tot de positie van Prism tegenover [appellant] (r.o. 4.6-4.15) volgt dat de hier bedoelde afzonderlijke stellingen van [appellant], ook wanneer deze in onderling verband worden beschouwd, geen grondslag kunnen bieden voor toewijzing van de vordering van [appellant]. Eventuele wetenschap van [geïntimeerde] ten aanzien van de juridische en financiële positie dan wel het juridisch en financieel handelen of nalaten van Prism is ten opzichte van [appellant] niet relevant, wanneer de juistheid van de daaronder liggende stelling van [appellant] dat Prism jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en dat daardoor voor hem schade is opgetreden niet is komen vast te staan. Dat laatste doet zich hier voor nu op basis van de stellingen van [appellant] niet gezegd kan worden dat daarvan sprake is. Voor het overige acht het hof de hier door [appellant] aangehaalde stellingen in het voorgaande reeds voldoende behandeld. Tot toewijzing van de vorderingen van [appellant] kan een en ander niet leiden.

4.21 Ten slotte wijst [appellant] nog op het leerstuk van de selectieve betaling (mvg punt 159). Volgens hem laat [geïntimeerde] wel zichzelf door Prism uitbetalen en kiest hij er bewust voor [appellant] niet te betalen. Deze stelling is door [appellant] niet onderbouwd, zodat ook deze niet tot toewijzing van zijn vorderingen kan leiden.

4.22 Op grond van deze overwegingen komt het hof tot de slotsom dat de vorderingen van [appellant] niet voor toewijzing in aanmerking komen, zodat ook de overige grieven worden verworpen. Het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 296,= aan verschotten en op € 894,= aan salaris procureur;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Meulenbroek en Huijbers-Koopman en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 10 juni 2008.