Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BF0359

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
31-12-2008
Zaaknummer
HD 103.002.148
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

\Fortis heeft een notitie d.d. 19 februari 2003 van ir. [adviseur 3] van Adviesbureau [onderzoeker] in het geding gebracht (prod. 11 conclusie van repliek), waarin is vermeld dat niet uit te sluiten is dat het dak ook zou zijn ingestort indien het met niet scharnierende gordingen zou zijn uitgevoerd. In zoverre is hetgeen [geïntimeerde] daarover heeft opgemerkt, weergegeven in 8.9.1., juist. Ir. [adviseur 3] heeft echter tevens aangegeven dat bij het constructief ontwerp voor de draagconstructie van de hal op basis van NEN 6702 een berekening had moeten worden gemaakt voor belasting door regenwater, waarbij aangegeven moet worden op welke manier het noodafvoersysteem zou moeten worden aangebracht. Een dergelijke berekening heeft ir. [adviseur 3] niet aangetroffen. Uit de door dit adviesbureau gemaakte berekening blijkt dat de constructie met het aangebrachte noodafvoersysteem niet aan NEN 3215 en dus niet aan art. 8.7.1. van NEN 6702 voldoet, waarbij ir. [adviseur 3] aangeeft dat NEN 6702 een onderdeel van de wetgeving volgens het bouwbesluit is. Dit brengt hem tot de conclusie dat de constructie niet aan de vigerende voorschriften voldeed.

8.10.1. [geïntimeerde] acht de stelling dat de kennelijke afwezigheid van de NEN 6702-berekening als ontwerpfout wordt getypeerd te algemeen. Zij stelt dat niet vaststaat dat de betreffende berekening ertoe zou hebben geleid dat het ontwerp of het aanbrengen van de hemelwaterafvoeren anders zoud zijn geweest, dat een dakconstructie uiteindelijk toch kan bezwijken door welhaast onbeperkte wateraccumulatie bij onvoldoende capaciteit van de (nood)hemelwaterafvoeren en dat er bovendien geen plicht bestaat een dergelijke berekening ten behoeve van een ander, zoals in casu [installatiebedrijf], te vervaardigen.

Het hof verwerpt die verweren. De betreffende berekening is kennelijk juist bedoeld om de constructie van het dak en de belasting door regenwater op elkaar af te doen stemmen en daaraan het ontwerp van het hemelwater- en noodafvoersysteem te koppelen. Indien die berekening zou zijn gemaakt ligt het voor de hand dat de hemelwaterafvoer correct zou zijn ontworpen en aangebracht, in die zin dat een te grote waterbelasting in verhouding tot de draagkracht van het dak zou zijn voorkomen. Het enkele feit dat de vervaardiging van de dakconstructie en die van het afvoersysteem niet in één hand waren betekent niet dat de aannemer van de verplichting tot het maken van zo'n berekening is ontslagen, omdat immers ook in dat geval de draagconstructie en de hemelwaterafvoer op elkaar dienen te worden afgestemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. CB

zaaknr. HD 103.002.148

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 10 juni 2008,

gewezen in de zaak van:

de naamloze vennootschap

FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

appellante procureur: aanvankelijk mr. J.E. Lenglet,

thans : mr. J.E. Benner,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AANNEMINGSBEDRIJF [GEÏNTIMEERDE] B.V.,

gevestigd te [...],

geïntimeerde,

procureur: mr. B.M. Stroetinga,

als vervolg op het door het hof onder rolnr. C0500944 gewezen incidenteel arrest van 29 mei 2007 in het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder nummer 86929/HA ZA 02-1904 gewezen vonnis van 27 april 2005.

5. Het incidenteel arrest van 29 mei 2007

Bij genoemd arrest is de incidentele vordering van [geïntimeerde] om haar toestemming te verlenen om [het staalbouwbedrijf] B.V. in vrijwaring op te roepen afgewezen en is iedere verdere beslissing aangehouden.

6. Het verdere verloop van de procedure

Na genoemd arrest hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd in de hoofdzaak.

7. De gronden van het hoger beroep

Met de grieven is het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voorgelegd. Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

8. De beoordeling

8.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

In 1996 heeft [geïntimeerde] als aannemer voor Beter Bed te Uden een distributiecentrum gebouwd. De oplevering geschiedde eind 1996. Op 6 juni 1998 is een deel van het dak van dit distributiecentrum ingestort, waarbij schade is ontstaan. Beter Bed was voor een deel van deze schade verzekerd. Fortis neemt voor 12,5% deel aan deze verzekering en is de leidende verzekeraar van de polis. Door de verzekeraars is in totaal € 934.932,73 aan Beter Bed uitgekeerd.

8.1.1. Naar de oorzaak van de dakinstorting is een onderzoek ingesteld door Adviesbureau ir. [onderzoeker]. te Rijswijk en door Advies- en Ingenieursbureau [...] te Eindhoven. Deze bureaus hebben een rapport uitgebracht op 26 juni 1998 respectievelijk 27 juni 1998.

De conclusie van ir. [adviseur 1] van het adviesbureau [onderzoeker] luidt:

De dak instortingen zijn ontstaan door hevige regenval in combinatie met een wateraccumulatie gevoelige dakconstructie.

De dakconstructie is wateraccumulatie gevoelig doordat de sterkte en stijfheid van het dak onvoldoende is om het water zo hoog te laten stijgen dat de noodafvoeren in de vorm van brievenbussen voldoende afvoercapaciteit hebben, deze bevinden zich op ˜ 60 mm hoogte.

De capaciteit van het reguliere afvoersysteem is te klein. Bij een waterhoogte van 60 mm is de afvoercapaciteit 40% van de rekenkundig benodigde capaciteit.

In de gordingen bevinden zich koppelingen, deze zijn berekend als scharnieren. De uitvoering met 4 bouten geeft de koppeling rotatiestijfheid, waardoor de koppeling belast wordt op buiging. Door de geringe momentcapaciteit bezwijkt de koppeling reeds als er zich door accumulatie 2 tot 4 m³ water op de gording verzameld heeft. Uit de observatie blijkt dat de koppelingen inderdaad bezweken zijn.

De stijfheid van de gording in het geval de koppelingen worden geschematiseerd als scharnieren is veel kleiner dan de stijfheid van een ligger zonder scharnieren. De wateraccumulatie gevoeligheid van een dergelijke ligger is groot.

De stijghoogte van het water is bij een gording zonder scharnieren voldoende om de noodafvoeren in werking te laten treden, echter rekenkundig nog niet groot genoeg om te zorgen voor voldoende afvoercapaciteit. De stijghoogte van het water wordt nog vergroot indien de zakking ter plaatse van het steunpunt op het spant minder is.

De conclusie van ing. [adviseur 2] van bureau [ingenieur] luidt:

De instorting is het gevolg van een optredend belastingsgeval door water waartegen de constructie niet bestand is. Het optredend belastingsgeval is veroorzaakt door onvoldoende afvoercapaciteit van de noodafvoer.

8.1.2. Fortis is op grond van art. 284 WvK gesubrogeerd in de rechten van Beter Bed op [geïntimeerde], voor zover zij de schade van Beter Bed heeft vergoed. Fortis is bij het nemen van regres gebonden aan het Bindend Besluit Regres 1984 (hierna BBR).

Art. 2 van het BBR houdt onder meer het volgende in:

De leden zullen hun verhaalsrecht jegens rechtspersonen en bedrijfsmatig en/of beroepsmatig handelende natuurlijke personen niet verder uitoefenen dan tot een bedrag van f 1.000.000,- per schadegebeurtenis (...)

Het recht van verhaal jegens de in dit lid bedoelde natuurlijke personen en rechtspersonen zal alleen uitgeoefend worden bij onzorgvuldigheid van de schadeveroorzaker.

(...)

In de toelichting op het BBR 1984 is hieromtrent vermeld:

Het nemen van regres wordt wel afhankelijk gesteld van onzorgvuldigheid aan de zijde van de schadeveroorzaker. Dit sluit verhaal zuiver op grond van contractuele aansprakelijkheid en risicoaansprakelijkheid uit en past in het preventiebevorderend karakter van de regeling.

In de Contourennota afstand regres staat vermeld onder

6 HET REGRESNEMEN OP BEDRIJVEN

(...)

a. Aansprakelijkheid:

Teneinde een duidelijk verband te leggen tussen preventie en regres, zal de uitoefening van het regresrecht op bedrijven beperkt worden tot die gevallen, waarin er sprake is van schade te wijten aan onzorgvuldigheid van de regresdebiteur, waaronder diens aansprakelijkheid voor werknemers of voor anderen van wie zij zich bedient bijv. onderaannemers. Op deze wijze worden regresrechten, die uitsluitend zijn gebaseerd op contractuele bepalingen, zonder dat er sprake is van onzorgvuldigheid bij de schadeveroorzaker, niet geëffectueerd. (...) Ook zal de brandverzekeraar zijn regresrecht niet uitoefenen indien de regresaktie uitsluitend op risicoaansprakelijkheid berust. Hierbij dient gewezen te worden op het feit dat zich een schade kan voordoen, waarbij een wettelijke bepaling, gebaseerd op risico-aansprakelijkheid, in het geding is. Indien in een dergelijk geval niettemin onzorgvuldigheid kan worden aangetoond, zal het regresrecht wel uitgeoefend worden.

8.1.3. [geïntimeerde] heeft bij de uitvoering van de aannemingsovereenkomst gebruik gemaakt van de diensten van [het staalbouwbedrijf]B.V. (verder te noemen: [het staalbouwbedrijf]), die zij als onderaannemer heeft ingeschakeld. [het staalbouwbedrijf] was belast met het ontwerpen en vervaardigen van de staalconstructie voor het dak van het distributiecentrum.

Beter Bed heeft ten aanzien van de post "elektra en water" rechtstreeks gecontracteerd met het installatiebedrijf [...] (verder te noemen: [het installatiebedrijf]) te Uden. Tussen [geïntimeerde] en [het installatiebedrijf] bestond geen contractuele band.

8.2. Fortis heeft [geïntimeerde], mede namens de andere verzekeraars, aangesproken tot vergoeding van het door de verzekeraars aan Beter Bed uitgekeerde bedrag ter zake van de geleden schade als gevolg van de instorting van het dak. Omdat [geïntimeerde] niet bereid was deze schade te vergoeden heeft Fortis bij dagvaarding van 15 oktober 2002 een procedure jegens haar aanhangig gemaakt. Na vermeerdering van eis vorderde Fortis betaling van 12,5% van € 453.780,22 (f 1.000.000,-), te weten € 56.722,53, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf 6 juni 1998, dan wel een latere datum, en betaling van € 8.298,31 aan buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

8.2.1. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 9 overwogen dat het BBR zo moet worden uitgelegd, dat van onzorgvuldig handelen van de regresdebiteur zelf sprake moet zijn, wil de regreszoekende partij kans van slagen hebben. In alle andere gevallen zal de regreszoekende verzekeraar zich direct moeten verhalen op de veroorzaker zelf van de schade, omdat het BBR de route via art 6:76 BW (aansprakelijkheid ook zonder eigen schuld) verspert, aldus de rechtbank. De rechtbank overwoog in rechtsoverweging 10 voorts dat, nog afgezien van het feit dat het dakontwerp blijkbaar door [het staalbouwbedrijf] is verzorgd, in dit verband geen eigen schuld van [geïntimeerde] valt te construeren en dat, voor zover er fouten bij het ontwerp of de uitvoering van de hemelwaterafvoeren op het dak zijn gemaakt, dit onderdeel van het werk is uitgevoerd door installatiebureau [installatiebedrijf], en dat ook in dat verband geen verwijten aan [geïntimeerde] te maken zijn. Tot slot overwoog de rechtbank dat de algehele coördinatie van de werkzaamheden in handen is geweest van een architect die terzake eigen verantwoordelijkheid draagt. Op grond van dit alles heeft de rechtbank de vordering van Fortis afgewezen en Fortis veroordeeld in de proceskosten, welke veroordeling bij herstelvonnis van 29 juni 2005 uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

8.3. De grieven 1 t/m 3 zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat ingevolge art. 2 BBR regres op de regresdebiteur slechts mogelijk is indien deze zelf onzorgvuldig heeft gehandeld. Volgens Fortis kan regres worden genomen op [geïntimeerde] voor schade veroorzaakt door onzorgvuldig handelen van haar onderaannemer.

Grief 4 wordt aangevoerd voor het geval het hof de eerste drie grieven verwerpt en houdt in dat [geïntimeerde] zelf onzorgvuldig heeft gehandeld.

8.3.1. [geïntimeerde] heeft zich ten aanzien van de eerste drie grieven gerefereerd aan het oordeel van het hof. Zij houdt er dan ook rekening mee dat ingevolge het BBR op haar regres mogelijk is indien zou blijken dat zij zelf niet onzorgvuldig heeft gehandeld maar haar onderaannemer [het staalbouwbedrijf] wel. Wel herhaalt [geïntimeerde] haar standpunt dat regres op haar is uitgesloten indien ook aan [het staalbouwbedrijf] geen onzorgvuldig handelen kan worden verweten: regres op [geïntimeerde] is volgens haar uitgesloten in het geval zij in het geheel niet verantwoordelijk is voor het - onzorgvuldig - handelen van derden, welk handelen tot schade heeft geleid.

8.4. Met betrekking tot de uitleg van het BBR overweegt het hof het volgende. Krachtens art. 2 BBR mag de verzekeraar alleen regres uitoefenen bij onzorgvuldigheid van de schadeveroorzaker. In de toelichting bij dit artikel is vermeld dat verhaal zuiver op grond van contractuele aansprakelijkheid en risicoaansprakelijkheid is uitgesloten, waarbij is aangegeven dat dit past binnen het preventiebevorderend karakter van de regeling. Het hof begrijpt art. 2 BBR aldus, dat een voorwaarde voor het nemen van regres is dat de schade te wijten is aan een handelen of nalaten door de schadeveroorzaker dat kan worden aangemerkt als onzorgvuldig gedrag. Door bij onzorgvuldig gedrag regres mogelijk te maken wordt ernaar gestreefd dergelijk gedrag in de toekomst te voorkomen. In geval van aansprakelijkheid die uitsluitend is gebaseerd op een contract of een wetsbepaling die een risicoaansprakelijkheid tot stand brengt - zoals bijvoorbeeld mogelijk is bij aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken - waarin onzorgvuldig gedrag geen voorwaarde voor aansprakelijkheid is, is regres in beginsel niet mogelijk. Dan heeft regres immers niet de beoogde preventieve werking. Deze uitleg brengt mee dat in het kader van het BBR voor verhaal wel sprake moet zijn van onzorgvuldig gedrag, maar dat niet noodzakelijk is dat degene die wordt aangesproken zelf onzorgvuldig heeft gehandeld. Een en ander is ook in overeenstemming met de Contourennota afstand regres, waarin de aansprakelijkheid voor werknemers en onderaannemers uitdrukkelijk wordt genoemd en waarin voorts is vermeld dat het regresrecht ook in geval van risicoaansprakelijkheid kan worden uitgeoefend indien in een dergelijk geval niettemin onzorgvuldig gedrag kan worden aangetoond.

8.5. Het vorenstaande betekent dat het hof de door de rechtbank aan het BBR gegeven uitleg niet deelt. Grief 1 slaagt, zodat de grieven 2 en 3 geen behandeling behoeven.

8.6. Fortis mag derhalve regres zoeken op [geïntimeerde] in het geval dat [geïntimeerde] zelf onzorgvuldig heeft gehandeld alsmede in het geval van onzorgvuldig gedrag van iemand voor wie [geïntimeerde] op grond van art. 6:76 BW aansprakelijk is. Het hof dient thans te onderzoeken of een van die situaties zich voordoet.

8.7. Op grond van de door Fortis overgelegde rapporten gaat het hof ervan uit dat het instorten van het dak is veroorzaakt door hevige regenval in combinatie met een daarvoor gevoelige dakconstructie. Partijen zijn het erover eens dat de capaciteit van de reguliere hemelwaterafvoeren te gering was en dat de noodafvoeren te hoog waren geplaatst. Zij verschillen van mening over de vraag of ook de constructie van het dak onvoldoende was.

8.8. Fortis heeft in eerste aanleg haar vordering op [geïntimeerde] gebaseerd op art. 7A:1645 BW. Volgens haar is de instorting van een deel van het dak te beschouwen als het geheel of gedeeltelijk verloren gaan van het gebouw. De oorzaak ervan is gelegen in een gebrek in de samenstelling van het gebouw.

Fortis heeft gesteld dat aan onzorgvuldig gedrag van [geïntimeerde], dan wel haar onderaannemer [het staalbouwbedrijf], te wijten is dat de constructie van het dak en de constructie van de hemelwaterafvoer onjuist waren. Daarnaast verwijt Fortis [geïntimeerde] dat zij de bouw onvoldoende gecoördineerd heeft, doordat zij niet heeft gezorgd voor afstemming tussen de constructie van het dak en de constructie van de hemelwaterafvoer. Dit levert volgens Fortis onzorgvuldigheid van [geïntimeerde] zelf op.

8.9 [geïntimeerde] meent dat Fortis onvoldoende heeft gesteld voor toepasselijkheid van art. 7A:1645 BW. Volgens [geïntimeerde] is dé oorzaak van de schade in dit geval de gebrekkigheid van de hemelwaterafvoeren, welke niet voldeden aan de normen van NEN 3215, welke norm was voorgeschreven: de reguliere afvoer had onvoldoende capaciteit en de noodafvoer was te hoog geplaatst. Deze hemelwaterafvoeren zijn volgens [geïntimeerde] ontworpen en geconstrueerd door [installatiebedrijf], aan wie Beter Bed de post "elektra en water" rechtstreeks heeft opgedragen. Voor onzorgvuldigheid van [installatiebedrijf] is [geïntimeerde] niet aansprakelijk, zo stelt zij, omdat tussen haar en [installatiebedrijf] geen contractuele band bestond. [geïntimeerde] betwist dat zij een taak had aangaande de coördinatie tussen de constructie van het dak en de constructie van de hemelwaterafvoeren, Beter Bed heeft ervoor gekozen de hemelwaterafvoeren uit te besteden aan [installatiebedrijf], die zonder overleg of waarschuwing zijn opdracht uitvoerde. [geïntimeerde] was niet gehouden het werk van [installatiebedrijf] te controleren of goed te keuren, zo stelt zij.

8.9.1. Volgens [geïntimeerde] kan in het midden blijven of de door haar onderaannemer [het staalbouwbedrijf] ontworpen en vervaardigde staalconstructie van het dak onjuist was uitgevoerd, omdat zij aan het rapport van Adviesbureau [onderzoeker] ontleent dat het al dan niet scharnierend zijn van de staalconstructie niet doorslaggevend is geweest voor het optreden van de schade. Ook indien die constructie niet scharnierend zou zijn uitgevoerd zou nog steeds sprake zijn geweest van onvoldoende afvoercapaciteit, zodat ook in dat geval het dak zou zijn bezweken.

8.9.2. [geïntimeerde] heeft ook nog een beroep gedaan op eigen schuld van Beter Bed. Voor zover processueel vereist stelt [geïntimeerde] dat het ontwerp van het bouwwerk ondeugdelijk was en dat namens Beter Bed onvoldoende toezicht op de bouw is gehouden, terwijl bij een juist toezicht de onderhavige gebreken aan het werk ontdekt hadden kunnen worden.

8.10. Het hof overweegt het volgende.

Fortis heeft een notitie d.d. 19 februari 2003 van ir. [adviseur 3] van Adviesbureau [onderzoeker] in het geding gebracht (prod. 11 conclusie van repliek), waarin is vermeld dat niet uit te sluiten is dat het dak ook zou zijn ingestort indien het met niet scharnierende gordingen zou zijn uitgevoerd. In zoverre is hetgeen [geïntimeerde] daarover heeft opgemerkt, weergegeven in 8.9.1., juist. Ir. [adviseur 3] heeft echter tevens aangegeven dat bij het constructief ontwerp voor de draagconstructie van de hal op basis van NEN 6702 een berekening had moeten worden gemaakt voor belasting door regenwater, waarbij aangegeven moet worden op welke manier het noodafvoersysteem zou moeten worden aangebracht. Een dergelijke berekening heeft ir. [adviseur 3] niet aangetroffen. Uit de door dit adviesbureau gemaakte berekening blijkt dat de constructie met het aangebrachte noodafvoersysteem niet aan NEN 3215 en dus niet aan art. 8.7.1. van NEN 6702 voldoet, waarbij ir. [adviseur 3] aangeeft dat NEN 6702 een onderdeel van de wetgeving volgens het bouwbesluit is. Dit brengt hem tot de conclusie dat de constructie niet aan de vigerende voorschriften voldeed.

8.10.1. [geïntimeerde] acht de stelling dat de kennelijke afwezigheid van de NEN 6702-berekening als ontwerpfout wordt getypeerd te algemeen. Zij stelt dat niet vaststaat dat de betreffende berekening ertoe zou hebben geleid dat het ontwerp of het aanbrengen van de hemelwaterafvoeren anders zoud zijn geweest, dat een dakconstructie uiteindelijk toch kan bezwijken door welhaast onbeperkte wateraccumulatie bij onvoldoende capaciteit van de (nood)hemelwaterafvoeren en dat er bovendien geen plicht bestaat een dergelijke berekening ten behoeve van een ander, zoals in casu [installatiebedrijf], te vervaardigen.

8.10.2. Het hof verwerpt die verweren. De betreffende berekening is kennelijk juist bedoeld om de constructie van het dak en de belasting door regenwater op elkaar af te doen stemmen en daaraan het ontwerp van het hemelwater- en noodafvoersysteem te koppelen. Indien die berekening zou zijn gemaakt ligt het voor de hand dat de hemelwaterafvoer correct zou zijn ontworpen en aangebracht, in die zin dat een te grote waterbelasting in verhouding tot de draagkracht van het dak zou zijn voorkomen. Het enkele feit dat de vervaardiging van de dakconstructie en die van het afvoersysteem niet in één hand waren betekent niet dat de aannemer van de verplichting tot het maken van zo'n berekening is ontslagen, omdat immers ook in dat geval de draagconstructie en de hemelwaterafvoer op elkaar dienen te worden afgestemd.

8.10.3. Fortis heeft gesteld dat de hemelwaterafvoeren niet zijn ontworpen door [het installatiebedrijf], maar door [het staalbouwbedrijf]. Ter onderbouwing van die stelling heeft zij bij memorie van grieven (prod. 13) een brief overgelegd van ir. [adviseur 1] van adviesbureau [onderzoeker], waarbij tekeningen van [het staalbouwbedrijf] zijn gevoegd, waarop de standleidingen en de noodafvoeren zijn getekend. In de praktijk bleken de standleidingen gelijk aan de getekende. De aanwezige en getekende noodafvoeren zijn wat betreft de hoogte, de drempelhoogte en de gesommeerde breedte per gevel gelijk, zodat de capaciteit ervan gelijk is. Volgens ir. [adviseur 1] blijkt daaruit dat de hemelwaterafvoer is vervaardigd op basis van een ontwerp van [het staalbouwbedrijf].

8.10.4. [geïntimeerde] heeft daarop gereageerd met een citaat van [het staalbouwbedrijf] uit de vrijwaringsprocedure in eerste aanleg, waarin deze verklaart dat niet zij maar [geïntimeerde] verantwoordelijk was voor de hemelwaterafvoeren en dat deze een groter aantal noodafvoeren van een geringere afmeting heeft laten aanbrengen. Daardoor bleef volgens [het staalbouwbedrijf] weliswaar de totale capaciteit van de noodafvoeren gelijk, maar die andere constructie is wel van invloed indien de wateraccumulatie zich concentreert op één afvoer. Het enkele feit dat informatie over de hemelwaterafvoeren op de tekening van [het staalbouwbedrijf] voorkomt sluit volgens [geïntimeerde] voorts niet uit dat deze door een ander, in casu [het installatiebedrijf], zijn ontworpen.

8.10.5. Dit verweer baat [geïntimeerde] niet. Als de stellingen in het citaat van [het staalbouwbedrijf] worden gevolgd, betekent dat dat de verantwoordelijkheid voor het ontwerp bij [geïntimeerde] ligt, zodat haar zelf onzorgvuldigheid kan worden verweten. Indien de hemelwaterafvoer door [het installatiebedrijf] zou zijn ontworpen heeft [het staalbouwbedrijf] daarvan in elk geval kennis genomen, nu zij deze op haar tekening heeft vermeld. Dat houdt in dat [het staalbouwbedrijf] had behoren te onderzoeken of de draagconstructie van het dak en de capaciteit van de hemelwaterafvoeren op elkaar waren afgestemd en actie had moeten ondernemen indien dat niet het geval was.

8.11. [geïntimeerde] heeft ook gesteld dat volgens [het staalbouwbedrijf] de hoeveelheid neerslag die op het dak was gevallen c.q. geaccumuleerd twee maal zo hoog is geweest dan waarop volgens de voorschriften diende te worden gerekend.

Het hof acht dit verweer van [geïntimeerde] onvoldoende feitelijk onderbouwd. Zij geeft niet aan op welke norm zij doelt, met welke hoeveelheid neerslag volgens die norm rekening moet worden gehouden en evenmin legt zij een rapport over waaruit de daadwerkelijk gevallen neerslag blijkt. Nu [geïntimeerde] derhalve onvoldoende heeft gesteld is er geen aanleiding haar - in algemene termen gedane bewijsaanbod - op dit punt te honoreren.

8.12. Uit het vorenstaande blijkt dat het hof van oordeel is dat in elk geval [het staalbouwbedrijf] in dit geval onzorgvuldig heeft gehandeld, nu het constructief ontwerp van de hal gebreken toont, doordat [het staalbouwbedrijf] de draagkracht van het dak en de capaciteit van de (nood)hemelwaterafvoeren niet op elkaar heeft afgestemd, hetgeen zij wel had behoren te doen. Gezien 8.6. is [geïntimeerde] voor dit onzorgvuldig gedrag aansprakelijk.

8.13. Het beroep op eigen schuld van Beter Bed verwerpt het hof. Niet is uit te sluiten dat de schade mede is veroorzaakt door onzorgvuldig gedrag van anderen, zoals [het installatiebedrijf] of de architect van Beter Bed, maar [geïntimeerde] heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat hier sprake is van omstandigheden die aan Beter Bed moeten worden toegerekend. Het enkele feit dat aansprakelijkheid mogelijk rust op meer personen staat er niet aan in de weg dat Fortis [geïntimeerde] voor het geheel kan aanspreken (rekening houdend met de beperking van het BBR), nu in het geval op ieder van twee of meer personen een verplichting rust tot vergoeding van dezelfde schade, die personen op basis van art 6:102 BW hoofdelijk zijn verbonden.

8.14. [geïntimeerde] heeft aangeboden al haar stellingen te bewijzen, waaronder de stelling dat van enige tekortkoming in de uitvoering van de overeenkomst van aanneming van werk niet is gebleken. In het licht van hetgeen door partijen naar voren is gebracht acht het hof dit bewijsaanbod onvoldoende specifiek, zodat het dit verwerpt. In de omstandigheden van het geval acht het hof het ook niet zinvol dat Fortis het volledige bestek overlegt teneinde na te gaan of partijen een van art. 7A:1645 afwijkende regeling hebben getroffen, terwijl het ook op de weg van [geïntimeerde], immers zelf contractspartij, had gelegen haar stellingen nader te specificeren.

8.15. De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de vordering van Fortis alsnog zal worden toegewezen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties.

9. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het arrest waarvan beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan Fortis van € 56.722,53, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juni 1998;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 8.293,31 aan buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten, welke voor zover aan de zijde van Fortis gevallen worden begroot op € 1.230,18 aan verschotten en € 2.235,- aan salaris van de procureur in eerste aanleg en op € 2.070,60 aan verschotten en € 1.631,- aan salaris van de procureur in hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-van Dijken, Huijbers-Koopman en Hofkes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 10 juni 2008.