Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BF0042

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
09-09-2008
Zaaknummer
07/00242
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ook ten aanzien van deze overige opstallen en grond staat vast dat zij tot het moment van staking tot het ondernemingsvermogen behoorden en niet in gebruik waren voor woondoeleinden. Opmerking verdient hierbij dat de tijdelijke woonruimte die in het voorste deel van de varkensstal B was aangebracht reeds tot het privé-vermogen was gerekend, en dus niet behoort tot de hiervoor bedoelde overige opstallen. Gelet op het in 4.1. genoemde arrest van de Hoge Raad is er daarom geen reden om bij de waardering van het complex de waardedrukkende factor voor zelfbewoning ook toe te passen op de aan deze overige opstallen en grond toe te rekenen waarde. Het antwoord op de vraag of die overige opstallen en grond direct en in volle omvang in gebruik genomen kunnen worden door derden, of anderszins splitsbaar zijn van het woonhuis, is in dit verband van geen belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/56.16 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 07/00242

Uitspraak van de derde meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Z,

hierna te noemen: de Inspecteur,

en het incidenteel hoger beroep van

X, wonende te Y,

hierna te noemen: belanghebbende

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 19 april 2007, nummer 05/1090, in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.871 en een aanslag premie ziekenfondswet, berekend naar een premie-inkomen van € 12.590. Op het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift heeft de Inspecteur bij uitspaken op bezwaar deze aanlagen gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de hiervoor genoemde uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Bij de thans bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.047, de aanslag in de premie ziekenfondswet tot een naar een premie-inkomen van € 7.766, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.610, de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) aangewezen als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende dient te vergoeden en gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 37,- aan hem vergoedt.

1.3. Tegen deze uitspraak van de Rechtbank heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en bij het verweerschrift incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4. De Inspecteur heeft een conclusie van repliek ingediend en daarbij gereageerd op het incidentele hoger beroep. Belanghebbende heeft, ofschoon daartoe in de gelegenheid gesteld, geen conclusie van dupliek ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 28 maart 2008 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.7. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.8. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1. Belanghebbende exploiteerde in maatschapsverband met zijn echtgenote een varkensfokkerij alsmede een tuinbouwbedrijf, voornamelijk bestaande uit aspergeteelt. De indeling van het perceel is, naar partijen ter zitting voor de Rechtbank hebben omschreven, ongeveer als volgt:

(noordzijde)

Met de letters in de tekening zijn aangeduid:

A: oude varkensstallen

B: varkensstal met tijdelijke woonruimte

C: varkensstal

D: aspergeschuur

E: varkensstal

F: achterhuis

G: woonhuis

H: toegangsweg tot het perceel.

De grond die in gebruik is voor de aspergeteelt ligt aan de noordkant van het perceel; aan de oostkant ligt verpachte grond.

2.2. Per 31 december 2001 is de varkensfokkerij gestaakt. Het tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende behorende aandeel in de varkensstallen (A, B, C, E), het aan het woonhuis aangebouwde achterhuis (F) en de bij de stallen en het achterhuis behorende 6000 m2 grond heeft belanghebbende per die datum overgebracht naar het privévermogen. Tot het ondernemingsvermogen bleef behoren de grond waarop asperges werden geteeld en een schuur (D) die ten behoeve van die teelt werd gebruikt met 500 m2 grond. De woning (G) plus de daarbij behorende grond (1.900 m2) is van meet af aan tot het privévermogen gerekend.

2.3. Aan de naar het privévermogen overgebrachte onroerende zaken hebben partijen de volgende waarden bij vrije verkoop (waarde in het economische verkeer, WEV) toegekend: ƒ 22.000 voor de varkensstallen, ƒ 50.000 voor het achterhuis en ƒ 129.000 (6000/6500 maal ƒ140.000) voor 6.500 m2 ondergrond/erf

(ƒ 21,50 per m2).

2.4. Belanghebbende is geboren op 9 september 1962 en was derhalve op 31 december 2001 39 jaar.

2.5. Belanghebbende heeft in zijn aangifte op de waarden van de naar het privévermogen overgebrachte onroerende zaken een aftrek van 35% toegepast wegens "waarde bewoond". Tot de stukken behoort een taxatierapport van A Makelaardij te B van 12 december 2001 waarin onder meer is opgemerkt: "De gebouwen met 6500m2 zijn niet apart verkoop- of verhuurbaar.". De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag de aftrek wegens "waarde bewoond" gecorrigeerd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende ter zake van de verkoop van grond bij akte van 29 juni 1987 een uitdeling van winst heeft ontvangen van Beheer.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag in ontkennende zin. De Inspecteur is een tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun stellingen in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de gedingstukken in hoger beroep, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, samengevat weergegeven, toegevoegd:

3.2.1 Belanghebbende:

In de door de Inspecteur voorgedragen pleitnota zie ik geen nieuwe discussiepunten staan. Ik zal mijn eerder ingenomen standpunten hier niet herhalen. De Inspecteur zegt dat het woongenot objectief beoordeeld moet worden. Dat mag zo zijn, maar die beoordeling is lastig. Woongenot heeft van zichzelf een subjectief element.

Het achterhuis is tot het stakingsmoment als stal voor zeugen gebruikt. Het achterhuis is waarschijnlijk ouder dan het woonhuis.

Als ervan uitgegaan wordt dat de uitpondwaarde lager is dan de complexwaarde, dan moet aangenomen worden dat de delen niet afzonderlijk verkoopbaar zijn. Mijn stelling dat onderdelen van het object niet los te verkopen zijn, houdt in dat die onderdelen niet voor een goede prijs verkoopbaar zijn. In dit verband is van belang dat de bedrijfsbeëindiging plaatsvond in het kader van de opkoopregeling, waarbij in verband met de sanering van de varkenshouderij, varkensrechten werden opgekocht door de overheid. De uitpondwaardering kan pas worden toegepast als een voorvraag is beantwoord. Die voorvraag luidt: zijn de onderdelen afzonderlijk verkoopbaar of verhuurbaar tegen een reële prijs? De Inspecteur benadert het andersom en dat is mijns inziens onjuist.

3.2.2. De Inspecteur:

De complexwaardering geeft, blijkens het door mij overgelegde taxatierapport, in dit geval een hogere waardering dan de uitpondwaardering. Bij de uitpondwaardering gaat het om een aparte verkoopbaarheid of verhuurbaarheid. Die aparte verkoop- of verhuurbaarheid speelt geen rol bij de complexbenadering. De hoogste van de twee waarderingen geeft de waarde in het economische verkeer. Als de complexbenadering wordt gehanteerd, wordt eerst het geheel gewaardeerd, inclusief de onderdelen die tot het privévermogen behoren. Vervolgens wordt de totale waarde uitgesplitst naar onderdelen, om zo te kunnen vaststellen tegen welke waarde die onderdelen overgaan naar privé. De vraag naar de aparte verkoopbaarheid of verhuurbaarheid speelt bij deze uitsplitsing geen rol meer.

Belanghebbende stelt dat de agrarische bestemming de gebruiksmogelijkheden van de opstallen sterk beperkt. De werkelijkheid is echter dat in het agrarisch gebied opstallen voor allerlei aanverwante doelen worden gebruikt. Te denken valt aan opslag en stalling. Ik handhaaf het bewijsaanbod dat ik bij de Rechtbank heb gedaan met betrekking tot het gedogen van ander gebruik dan strikt agrarisch.

Idealiter zou er gezocht moeten worden naar transacties van vergelijkbare opstallen. De realiteit is echter dat dergelijke transacties niet hebben plaatsgevonden.

Ik ben het ermee eens dat het achterhuis tot het stakingsmoment als stal voor zeugen is gebruikt en dat het achterhuis waarschijnlijk ouder is dan het woonhuis.

3.3. De Inspecteur concludeert naar het Hof begrijpt tot gegrondverklaring van het hoger beroep, ongegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en handhaving van de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende concludeert naar het Hof begrijpt tot ongegrondverklaring van het hoger beroep, gegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.755.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In zijn arrest van 25 april 2008, nr. 43 995, LJN: BD0473, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ingeval een woning behoort tot een complex van onroerende zaken dat als zodanig wordt gewaardeerd, er slechts reden is voor het in aanmerking nemen van min of meer duurzame zelfbewoning bij die tot het complex behorende onroerende zaken die op het moment van staking van de onderneming min of meer duurzaam voor woondoeleinden werden gebruikt.

4.2. Vaststaat dat het achterhuis op het moment van staking tot het ondernemingsvermogen behoorde en in gebruik was als stal voor zeugen. Het achterhuis werd derhalve op dat moment niet voor woondoeleinden gebruikt. Gelet op het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad is er daarom geen reden om bij de waardering van het complex de waardedrukkende factor voor zelfbewoning ook toe te passen op de aan het achterhuis toe te rekenen waarde. Het antwoord op de vraag of het achterhuis direct en in volle omvang in gebruik genomen kunnen worden door derden, of anderszins splitsbaar zijn van het woonhuis, is in dit verband van geen belang.

4.3. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het door de Inspecteur ingestelde principale hoger beroep gegrond is.

4.4. Het incidentele hoger beroep van belanghebbende is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat de overige tot het complex behorende opstallen en de daarbij behorende grond niet in aanmerking komen voor een waardedruk voor zelfbewoning.

4.5. Ook ten aanzien van deze overige opstallen en grond staat vast dat zij tot het moment van staking tot het ondernemingsvermogen behoorden en niet in gebruik waren voor woondoeleinden. Opmerking verdient hierbij dat de tijdelijke woonruimte die in het voorste deel van de varkensstal B was aangebracht reeds tot het privé-vermogen was gerekend, en dus niet behoort tot de hiervoor bedoelde overige opstallen. Gelet op het in 4.1. genoemde arrest van de Hoge Raad is er daarom geen reden om bij de waardering van het complex de waardedrukkende factor voor zelfbewoning ook toe te passen op de aan deze overige opstallen en grond toe te rekenen waarde. Het antwoord op de vraag of die overige opstallen en grond direct en in volle omvang in gebruik genomen kunnen worden door derden, of anderszins splitsbaar zijn van het woonhuis, is in dit verband van geen belang.

4.6. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het incidentele hoger beroep ongegrond is.

4.7. Naar het Hof begrijpt strijden partijen uitsluitend over de vraag op welke onderdelen van het onderhavige complex van onroerende zaken de waardedrukkende factor voor zelfbewoning moet worden toegepast. Nu die vraag geheel in de door de Inspecteur voorgestane zin moet worden beantwoord is kennelijk niet in geschil dat diens uitspraak op bezwaar in stand moet blijven.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor toekenning van een tegemoetkoming in de kosten van de procedure voor de Rechtbank en in hoger beroep.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank en

- verklaart het bij de Rechtbank ingediende beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 27 juni 2008 door R.J. Koopman, voorzitter, N. van Beelen en J.W. Zwemmer, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep

in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.