Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BF0039

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-07-2008
Datum publicatie
09-09-2008
Zaaknummer
07/00108
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BK4517, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BK4517
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In zoverre het hoger beroep zich tegen deze oordelen richt, faalt het. Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het perceel zelfstandig, dat wil zeggen los van de woning van belanghebbende en zijn echtgenote, in het economische verkeer rendabel kan worden gemaakt zonder dat daarmee het woongenot, anders dan in ondergeschikte mate, wordt beperkt. Er is derhalve geen reden om bij de waardering van het perceel een waardedruk wegens zelfbewoning in aanmerking te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1929
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 07/00108

Uitspraak van de derde meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de heer X te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 18 januari 2007, kenmerk AWB 06/2384, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.388.

1.2. Het tegen deze aanslag gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur ongegrond verklaard.

1.3. Vervolgens heeft belanghebbende tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38.

Bij de bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.387, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten en de Staat veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 105.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 6 december 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Belanghebbende en de Inspecteur hebben beiden ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent de pleitnota's tot de stukken van het geding.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende dreef in het onderhavige jaar tezamen met zijn echtgenote, in de vorm van een maatschap, een varkensfokkerij. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben deze onderneming op 31 december 2003 gestaakt.

2.2. Tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende en zijn echtgenote behoorde in 2003 een L-vormig perceel grond van 4.440 m2 (hierna: het perceel). Het perceel grenst met het ene uiteinde ("de lange poot van de L") aan de achterzijde van het perceel waarop de woning van belanghebbende en zijn echtgenote staat, en met het andere uiteinde ("de korte poot van de L") aan de openbare weg. Het perceel heeft een agrarische bestemming. Op 31 december 2003 was het perceel in gebruik bij een buurman van belanghebbende, die er gewassen op teelde.

2.3. Het perceel is bij de staking overgegaan naar het privé-vermogen van belanghebbende en zijn echtgenote. De waarde in het economische verkeer van het perceel in vrije staat (WEV) beliep ten tijde van de staking € 136.000. Bij agrarische bestemming beliep deze waarde (WEVAB) € 45.000.

2.4. Belanghebbende heeft in zijn aangifte de door hem bij de overgang van het perceel naar zijn privé-vermogen behaalde winst berekend op de helft van (0,65 x € 136.000 -/- 0,65 x

€ 45.000 =) € 59.150, derhalve op € 29.575. Belanghebbende heeft daarbij, met toepassing van het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 16 mei 2001, nr. CPP2001/1381M, BNB 2001/367, de waarde van de grond wegens "duurzame zelfbewoning" slechts voor 65% in aanmerking genomen.

2.5. De Inspecteur heeft zich bij de aanslagregeling op het standpunt gesteld dat er geen reden is voor het in aanmerking nemen van een waardedrukkende factor wegens zelfbewoning en dat daarom de door belanghebbende bij de overgang van het perceel naar zijn privé-vermogen behaalde winst moet worden berekend op de helft van (€ 136.000 -/- € 45.000 =) € 91.000, derhalve op € 45.500. Hiervan uitgaande heeft hij de aangifte met € 15.926 gecorrigeerd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Mag belanghebbende bij de waardering van het perceel een waardedruk wegens zelfbewoning in aanmerking nemen?

II. Zo vraag I ontkennend moet worden beantwoord: is de waarde van het perceel ten tijde van de staking € 136.000 (WEV) of € 45.000 (WEVAB)?

Belanghebbende beantwoordt vraag I bevestigend, de Inspecteur ontkennend. Voor de beantwoording van vraag II is belanghebbende van mening, dat de waarde in het economische verkeer ten tijde van staking gelijk is aan de waarde in het economische verkeer met agrarische bestemming, namelijk € 45.000. De Inspecteur is van oordeel dat de waarde in het economische verkeer ten tijde van staking € 136.000 bedraagt.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende:

Het perceel kan niet zonder de woning rendabel worden gemaakt in het economische verkeer. De WEV is gelijk aan de WEVAB. Die beliep destijds € 45.000.

De Inspecteur:

Dat de WEVAB van het perceel destijds € 45.000 beliep, is juist.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van - naar het Hof verstaat - primair € 19.887 (zijnde € 49.462 [aangegeven belastbaar inkomen] minus € 29.575 [belaste winst nihil] is € 19.887) en subsidiair € 49.462. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Vraag I

4.1. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur mede met de door hem overgelegde luchtfoto en kadastrale kaart voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het perceel op het moment van staking direct en in volle omvang in gebruik genomen kan worden door derden, aangezien het op voldoende afstand van de woning van belanghebbende en zijn echtgenote is gelegen, niet ten behoeve van deze woning in gebruik is en gezien de ligging goed bereikbaar is vanaf de openbare weg. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de Rechtbank het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

4.2. In zoverre het hoger beroep zich tegen deze oordelen richt, faalt het. Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het perceel zelfstandig, dat wil zeggen los van de woning van belanghebbende en zijn echtgenote, in het economische verkeer rendabel kan worden gemaakt zonder dat daarmee het woongenot, anders dan in ondergeschikte mate, wordt beperkt. Er is derhalve geen reden om bij de waardering van het perceel een waardedruk wegens zelfbewoning in aanmerking te nemen.

4.3. Vraag I moet ontkennend worden beantwoord.

Vraag II

4.4. Uitgaande van de in 4.1 vermelde oordelen heeft de Rechtbank de Inspecteur in het gelijk gesteld en vervolgens het belastbare inkomen uit werk en woning - overeenkomstig het (nadere) standpunt van de Inspecteur - vastgesteld op € 65.387. In dit bedrag is een correctie van (€ 45.500 -/- € 29.575 =) € 15.925 begrepen ter zake van de door belanghebbende bij de overgang van het perceel naar zijn privé-vermogen behaalde winst.

4.5. In hoger beroep heeft belanghebbende op pagina 2, tweede alinea van zijn motivering van het hoger beroepschrift gesteld dat in het onderhavige geval de waarde in het economische verkeer ten tijde van staking niet hoger is dan de waarde in het economische verkeer met agrarische bestemming. Naar partijen tijdens het onderzoek ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard is niet in geschil dat het perceel een agrarische bestemming heeft en dat de waarde van het perceel in dat geval ten tijde van de staking € 45.000 beliep. De Inspecteur, op wie de bewijslast rust, heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat bij de overgang van het perceel naar het privé-vermogen van belanghebbende en zijn echtgenote aan het perceel een hogere waarde kan worden toegekend dan € 45.000. Hieruit volgt dan dat de te belasten boekwinst nihil bedraagt.

4.6. Uit het in 4.5 overwogene volgt dat de onderhavige aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Het belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende moet worden verminderd tot € 19.887. Het hoger beroep van belanghebbende is derhalve gegrond.

5. Griffierecht

De Inspecteur dient aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 105,-- te vergoeden.

6. Proceskosten

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Daarbij wordt uitgegaan van twee samenhangende zaken waarin belanghebbenden geheel of gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld. Dit betreft de onderhavige zaak, kenmerk 07/00108 en de zaak ten name van de echtgenote van belanghebbende, kenmerk 07/00109.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 322,- (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 966.

Het Hof zal in deze zaak en in de hiervóór genoemde zaak een proceskostenvergoeding toekennen van € 483.

7. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten;

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.887;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 105,-- vergoedt;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 483,--, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op: 2 juli 2008 door N. van Beelen, voorzitter, P. Fortuin en D.G. Barmento, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.