Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BE9501

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-08-2008
Datum publicatie
01-09-2008
Zaaknummer
20-007062-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel gegrond.

Bij betaling van de schadevergoeding aan de Staat op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is de door het CJIB in de eerste aanschrijving gestelde betalingstermijn met slechts 2 dagen overschreden. Niettemin worden de wettelijke verhogingen ex artikel 24b Sr toegepast en een dwangbevel uitgevaardigd.

Het hof acht deze opstelling onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

OV-nummer: 000660-08

Parketnummer: 20-007062-05

Uitspraakdatum: 15 augustus 2008

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch

raadkamer

Beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op het op 22 april 2008 ter griffie van

dit hof ingekomen bezwaarschrift van:

[klaagster],

geboren te [geboorteplaats] op [1965],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna ook te noemen: “de veroordeelde”,

houdende verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel overeenkomstig artikel 575 van het Wetboek van Strafvordering.

Onderzoek van de zaak

Het bezwaarschrift is op 1 augustus 2008 door de raadkamer van dit hof in het openbaar behandeld.

De veroordeelde is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet bij de behandeling van het bezwaarschrift verschenen.

Het hof heeft kennis genomen van de conclusie van de advocaat-generaal.

De conclusie van de advocaat-generaal strekt ertoe het verzet gegrond te verklaren.

Procesgang

Bij arrest van dit hof van 17 februari 2006, parketnummer 20-007062-05, is de veroordeelde onder meer veroordeeld tot betaling van schadevergoeding als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 (tien) dagen.

Het arrest is op 22 mei 2007 onherroepelijk geworden door verwerping van het daartegen ingestelde cassatieberoep door de Hoge Raad der Nederlanden.

Het arrest is vervolgens ter executie overgedragen aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna ook: het CJIB). Op 1 september 2007 zond het CJIB de veroordeelde

een eerste aanschrijving tot betaling van het schadevergoedingsbedrag ad EUR 500,00.

Op 3 oktober 2007 is door de veroordeelde een bedrag van EUR 500,00 overgemaakt op de rekening van het CJIB.

Omdat het schadevergoedingsbedrag niet tijdig was voldaan, is op 20 oktober 2007 een eerste aanmaning aan de veroordeelde verzonden, waarbij het schadevergoedingsbedrag op de voet van artikel 24b lid 1 Wetboek van Strafrecht van rechtswege is verhoogd met EUR 15,00.

Aangezien op de vervaldatum het verhoogde bedrag niet volledig was voldaan, werd op de voet van artikel 24b lid 2 Wetboek van Strafrecht het nog verschuldigde gedeelte van het bedrag verder verhoogd met een vijfde, met een minimum van EUR 30,00. De veroordeelde is hiervan in kennis gesteld door een tweede aanmaning die op 14 december 2007 aan haar is verzonden.

Omdat de veroordeelde nalatig bleef de wettelijke verhogingen volledig te voldoen, is op

3 april 2008 door de deurwaarder een dwangbevel uitgevaardigd voor een bedrag van

EUR 300,19. Tegen de tenuitvoerlegging van dit dwangbevel heeft de veroordeelde verzet gedaan bij het onderhavige bezwaarschrift.

Beoordeling

Het bezwaarschrift is tijdig ingediend.

Gezien het gestelde in het bezwaarschrift van de veroordeelde, in samenhang bezien met de inhoud van het door het CJIB bij brief van 24 juli 2008 daarop verstrekte commentaar en het daarbij overgelegde zaakoverzicht, had de veroordeelde het schadevergoedingsbedrag ad EUR 500,00 uiterlijk op 1 oktober 2007 moeten voldoen.

De veroordeelde heeft in het bezwaarschrift gesteld dat zij het schadevergoedingsbedrag

ad EUR 500,00 eerst op 3 oktober 2007 in zijn geheel heeft overgemaakt op rekening-nummer 116107 van het CJIB. De juistheid van deze stelling kan worden aangenomen aan de hand van het als bijlage aan het bezwaarschrift gehechte betaalbewijs. Als vaststaand moet derhalve worden aangenomen dat de veroordeelde de door het CJIB in de eerste aanschrijving gestelde betalingstermijn met twee dagen heeft overschreden.

Blijkens het door het CJIB overgelegde zaakoverzicht bedroeg het door de veroordeelde verschuldigde bedrag per 20 oktober 2007 EUR 515,00, zijnde kennelijk de hoofdsom ad EUR 500,00 vermeerderd met de eerste wettelijke verhoging ad EUR 15,00. Naar het oordeel van het hof moet het er voor gehouden worden dat de door de veroordeelde reeds op 3 oktober 2007 verrichte betaling ad EUR 500,00 op 20 oktober 2007 nog niet als zodanig in het geautomatiseerde systeem van het CJIB was verwerkt.

Voor zover het gevolg hiervan was dat de verschuldigde hoofdsom van rechtswege werd verhoogd met EUR 15,00 en de veroordeelde op 20 oktober 2007 werd aangemaand tot betaling van het in totaal verschuldigde, is het hof van oordeel dat deze verhoging en aanmaning niet terecht zijn, omdat de veroordeelde de verschuldigde hoofdsom reeds had voldaan, zij het met een geringe overschrijding van de betalingstermijn.

Voor zover bedoelde aanmaning en eerste wettelijke verhoging van het verschuldigde zijn gebaseerd op de niet tijdige betaling van de verschuldigde hoofdsom - zoals op grond van het door het CJIB verstrekte commentaar op het bezwaarschrift van de veroordeelde het geval lijkt te zijn - is het hof van oordeel dat het in gang zetten van het incassotraject een onredelijk zware maatregel is in verhouding tot de uiterste geringe overschrijding van de betalingstermijn.

Het vorenstaande brengt mee dat de tweede verhoging van het verschuldigde met een bedrag van EUR 30,00 eveneens onterecht respectievelijk onredelijk is. Hetzelfde geldt ten slotte voor het uitvaardigen van het dwangbevel, dat - exclusief de daarmee gemoeide kosten - slechts ziet op de voldoening van bedoelde wettelijke verhogingen tot een totaalbedrag van EUR 45,00.

Slotsom

Het verzet van de veroordeelde tegen de tenuitvoerlegging van het op 3 april 2008 tegen haar uitgevaardigde dwangbevel moet gegrond worden verklaard. Dit leidt voorts tot de tevens hierna te melden beslissing.

B E S L I S S I N G :

Het hof:

verklaart het verzet van de veroordeelde tegen de tenuitvoerlegging van het op 3 april 2008 uitgevaardigde dwangbevel gegrond;

vernietigt bedoeld dwangbevel.

Aldus beslist door mr. N.J.L.M. Tuijn, voorzitter,

mr. J.A. van Zon en mr. F. van Beuge, raadsheren,

in tegenwoordigheid van dhr. J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2008.

De griffier, De voorzitter,