Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BE9063

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
22-08-2008
Zaaknummer
20-000488-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

244 Sr, 6 EVRM. Veroordeling in zedenzaak. De verdediging heeft niet in enig stadium van het geding de gelegenheid gehad het minderjarige slachtoffer te (doen) ondervragen. Studioverklaring van het slachtoffer niettemin bruikbaar voor het bewijs, omdat aan de verdachte een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot (rechtstreekse) ondervraging van het slachtoffer. Geen strijd met het door art. 6 EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht. Geen twijfel aan betrouwbaarheid van de studioverklaring, mede gelet op deskundigenrapport.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000488-07

Uitspraak: 20 augustus 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 29 januari 2007 in de strafzaak met parketnummer 01-855151-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1952],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De benadeelde partij [slachtoffer], wettelijk vertegenwoordigd door [moeder], heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot betaling van EUR 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Bij het beroepen vonnis is deze vordering toegewezen, behoudens de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van de niet toegewezen wettelijke rente. De voeging duurt, voor zover de vordering is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep. De vordering van de benadeelde partij strekt in hoger beroep derhalve tot betaling van EUR 2.000,00.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, en met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van EUR 2.000,00, zulks met overeenkomstige oplegging van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat hij:

1.

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 24 juni 2006 te Berghem, gemeente Oss, met [slachtoffer] (zijn kleindochter), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte:

- gezegd tegen [slachtoffer]: "Broek naar beneden en benen uit elkaar", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of (daarbij/vervolgens)

- de vagina van die [slachtoffer] betast en/of aangeraakt en/of

- zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of

- zijn penis door die [slachtoffer] laten betasten;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 24 juni 2006 te Berghem, gemeente Oss, met [slachtoffer] (zijn kleindochter), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het meermalen, althans eenmaal:

- zeggen tegen [slachtoffer]: "Broek naar beneden en benen uit elkaar", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of (daarbij/vervolgens)

- betasten en/of aanraken van de vagina van die [slachtoffer] en/of

- duwen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of

- door die [slachtoffer] zijn penis laten betasten;

2.

op of omstreeks 24 november 2006 te Berghem, gemeente Oss, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2] (echtgenote van hem, verdachte)) tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, heeft geslagen en/of gestompt en/of heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

1. primair

op tijdstippen in de periode van 1 juni 2005 tot en met 24 juni 2006 te Berghem, gemeente Oss, met [slachtoffer] (zijn kleindochter), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte:

- gezegd tegen [slachtoffer]: "Broek naar beneden en benen uit elkaar", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- de vagina van die [slachtoffer] betast en/of aangeraakt en/of

- zijn, verdachtes, vinger in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of

- zijn penis door die [slachtoffer] laten betasten;

2.

op 24 november 2006 te Berghem, gemeente Oss, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2] (echtgenote van hem, verdachte)) tegen het hoofd heeft gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders onder 1 primair of onder 2 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Daartoe is ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde primair aangevoerd dat de studioverklaring van [slachtoffer] niet tot het bewijs mag worden gebruikt, aangezien verdachte niet in enig stadium van het geding in de gelegenheid is geweest om deze getuige te (doen) ondervragen, er onvoldoende steunbewijs voorhanden is en de verdediging onvoldoende compensatie is geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot (rechtstreekse) ondervraging van het slachtoffer. Gebruikmaking van de studioverklaring van het slachtoffer zou daarom in strijd zijn met het door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht om getuigen à charge te (doen) ondervragen.

Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat de studioverklaring van het slachtoffer onvoldoende betrouwbaar is om deze tot het bewijs te kunnen bezigen.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijken – voor zover voor de beoordeling van deze verweren relevant – de volgende feiten en omstandigheden.

(i) Op 2 augustus 2006 werd [slachtoffer] als getuige gehoord in een daarvoor speciaal ingerichte, kindvriendelijke verhoorstudio in het politiebureau te Eindhoven. Zowel de verhorende verbalisant, als de verbalisante die was belast met de regie van het verhoor was door het Instituut voor Criminaliteitsbeheersing en Recherchekunde (ICR) gecertificeerd voor het horen van jonge getuigen. Het studioverhoor vond plaats conform het landelijk studioprotocol.

(ii) In het dossier bevindt zich een “verbatim”-verslag van dit studioverhoor, zijnde een nagenoeg geheel letterlijk uitgewerkt verslag van dat verhoor.

(iii) In het dossier bevindt zich voorts een DVD met een audiovisuele opname van het gehele

studioverhoor.

(iv) Ter terechtzitting van 25 januari 2008 heeft het hof op verzoek van de raadsman de benoeming bevolen van de deskundige dr. I. Candel, werkzaam als onderzoeker en rechtspsycholoog bij de vakgroep Experimentele Psychologie van de Universiteit van Maastricht, ter beoordeling van de video-opnamen van voornoemd studioverhoor en teneinde die deskundige daaromtrent te laten rapporteren. In dit verband heeft de raadsman ingestemd met invulling van zijn verzoek aan de hand van een vragenschema, zoals nader verwoord in het proces-verbaal van genoemde terechtzitting, waarmee de deskundige een op videobeelden vastgelegd verhoor van een minderjarige getuige kan beoordelen. Op verzoek van de raadsman is in één van de vragen van dat vragenschema een precisering aangebracht. Op genoemde terechtzitting heeft de raadsman een door de verdediging gedaan verzoek tot het als getuige horen van [slachtoffer] – in afwachting van het deskundigenrapport – voorwaardelijk ingetrokken, met dien verstande dat de raadsman na ontvangst van het deskundigenrapport opnieuw een verzoek mag doen tot het horen van deze getuige.

(v) Voornoemde benoeming heeft geleid tot een rapportage d.d. 2 april 2008 van Candel. Deze rapportage bevat onder meer de volgende bevindingen en conclusies:

“Om het verhoor van een vermoed jeugdig slachtoffer van een zedendelict succesvol te maken, zijn er enkele richtlijnen die de verhoorder in acht moet nemen. De verbalisant die [slachtoffer] verhoort, neemt deze richtlijnen stuk voor stuk in acht waardoor de kwaliteit van het studioverhoor hoog is.

(..)

Suggestieve interviewtechnieken kunnen dramatische gevolgen hebben voor de betrouwbaarheid van verklaringen van kinderen en kunnen zelfs pseudo-herinneringen (ook wel valse herinneringen genoemd) in de hand werken. In het verhoor van [slachtoffer] worden dergelijke technieken niet gebruikt. De verhoorder stelt veelal open vragen (“wie”, “waar”, “hoe”) waarop [slachtoffer] antwoord geeft. Indien meerkeuzevragen nodig zijn, geeft hij meerdere antwoordopties waaronder de optie “of iets anders”. Suggestie wordt op die manier vermeden.

(..)

In het dossier bevinden zich geen aanwijzingen dat de verklaring van [slachtoffer] door iets anders dan seksueel misbruik is ingegeven. Op basis van de processen-verbaal concludeer ik dat [slachtoffer] spontaan begint te vertellen over het misbruik (..) zonder dat daar bijvoorbeeld suggestieve interviewtechnieken aan vooraf zijn gegaan. Er zijn geen aanwijzingen dat de voor [verdachte] belastende verklaringen zijn ingegeven door iemand of iets anders. (..) Ook voor een verkeerde interpretatie door de getuige van het gedrag van verdachte zie ik in het dossier geen aanwijzingen.

(..)

Conclusie

In het dossier en op de opname van het verhoor van de getuige zijn geen aanwijzingen te vinden voor suggestieve interviewtechnieken. Bovendien bevat het dossier geen bouwstenen voor het construeren van een alternatief scenario. Mijn conclusie luidt dan ook dat er, op basis van het dossier, geen redenen zijn om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [slachtoffer].”

(vi) Bij faxbericht van 23 april 2008 heeft de raadsman – na kennisneming van de rapportage van Candel – het verzoek tot het als getuige horen van [slachtoffer] gehandhaafd.

(vii) Ter terechtzitting van 23 april 2008 heeft het hof een onderzoek bevolen naar de vraag of het gegronde vermoeden bestaat dat het horen van deze minderjarige getuige haar gezondheid of welzijn in gevaar brengt, respectievelijk op welke wijze een eventueel verhoor van genoemde minderjarige ingekleed dient te worden, opdat het verhoor het voormelde gevaar niet oplevert en het minst belastend voor haar zal zijn.

(viii) Ter beantwoording van de onder (vii) genoemde vragen heeft A.X. Rutten, kinder- en jeugdpsychiater, een psychiatrische rapportage d.d. 6 juli 2008 opgemaakt. Deze rapportage bevat, zakelijk weergegeven, onder meer de volgende bevindingen en conclusies:

“[slachtoffer] is nu al 1,5 jaar in behandeling bij de GGZ. Het gaat beter met haar, maar zij functioneert nog niet zoals voor het seksueel misbruik. Zij reageert regelmatig overgevoelig en prikkelbaar. Het gevaar bestaat dat [slachtoffer] door gehoord te worden als getuige terugvalt en opnieuw last krijgt van angstklachten en ook gedragsmatig slechter gaat functioneren.” (pagina 9)

“Het gegronde vermoeden bestaat dat het als getuige horen van de minderjarige [slachtoffer] haar gezondheid of welzijn in gevaar brengt. (..) Er bestaat een gegrond vermoeden dat het horen van [slachtoffer] als getuige buitengewoon belastend voor haar zal zijn. (..) Het onderzoek dat verricht werd ten behoeve van dit rapport (gesprekken met haar en haar moeder bij haar thuis) maakte veel los bij [slachtoffer] en haar moeder. Dit onderzoek leidde (..) tot herbelevingen. (..) Daar komt bij dat één en ander tot grote stress bij de ouders van [slachtoffer] leidt en dit heeft dan weer zijn weerslag op [slachtoffer], die toch al de neiging heeft tot sterk betrokken zijn bij haar ouders. (..) Een dergelijk verhoor zal vermoedelijk belastend voor haar zijn en wordt om die reden afgeraden. Haar jonge leeftijd (11) versterkt dit.” (pagina 10)

(ix) Ter terechtzitting van 6 augustus 2008 heeft de raadsman zijn verzoek tot het als getuige horen van [slachtoffer] gehandhaafd.

(x) Op laatstgenoemde terechtzitting heeft het hof dat verzoek afgewezen, omdat – gelet op voornoemde conclusies van Rutten – naar het oordeel van het hof het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring in gevaar wordt gebracht, en het voor deze getuige van 11 jaar voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang van de verdediging om de getuige te kunnen ondervragen. Bedoeld gevaar bestaat naar het oordeel van het hof zowel bij het ter terechtzitting horen van de getuige, als bij het horen van deze getuige ten overstaan van een rechter-commissaris of een raadsheer-commissaris.

(xi) Op laatstgenoemde terechtzitting is dr. Candel als deskundige gehoord. Zij heeft een toelichting gegeven op haar hiervoor genoemde rapportage en zij is door het hof, de advocaat-generaal en de raadsman daarover ondervraagd.

Bij die gelegenheid heeft Candel onder meer verklaard dat zij blijft bij de inhoud van haar rapportage en voorts dat zij weliswaar niet kan uitsluiten dat de verklaring van [slachtoffer] is ingegeven door fantasie, maar dat de deskundige op grond van de inhoud van het dossier daarvoor geen enkele aanwijzing ziet en dat die mogelijkheid op grond van de door de deskundige bestudeerde stukken onwaarschijnlijk is. Op vragen van de raadsman heeft de deskundige voorts verklaard dat zij bij de beoordeling van het studioverhoor heeft meegewogen wat de mogelijke invloed is geweest van de gesprekken tussen [slachtoffer] en haar ouders op de (enige tijd later afgelegde) studioverklaring van [slachtoffer]. In dit verband heeft de deskundige benadrukt dat zij van belang acht dat de eerste verklaring van [slachtoffer] tegen haar moeder over het misbruik spontaan was en dat in deze zaak niet is gebleken dat daaraan een suggestieve ondervraging is voorafgegaan.

Uit het voorgaande volgt dat de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad [slachtoffer] te (doen) ondervragen.

Bij arrest van 20 mei 2003, NJ 2003/672, LJN AF5704, heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen (rov. 3.6):

“In een geval als het onderhavige, waarin het gaat om ontucht met een minderjarige, zal de rechter, indien hij daartoe gronden aanwezig acht, het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer mogen doen prevaleren boven het recht van de verdachte om het slachtoffer te (doen) ondervragen. Als dientengevolge voor de verdachte de gelegenheid heeft ontbroken het slachtoffer te (doen) ondervragen, staat art. 6 EVRM er niet zonder meer aan in de weg dat de door het slachtoffer bij de politie afgelegde verklaring, indien voldoende steunbewijs (..) ontbreekt, tot het bewijs wordt gebezigd. In een dergelijk geval dient aan de verdachte die die verklaring op haar betrouwbaarheid wenst te toetsen, een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie te worden geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot (rechtstreekse) ondervraging van het slachtoffer (vgl. EHRM 20 december 2001, NJ 2002, 435, en EHRM 2 juli 2002, nr. 34209/96). De wijze waarop een zodanige compensatie zal kunnen worden geëffectueerd zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Daarbij valt in zaken als de onderhavige te denken aan het ter terechtzitting afspelen van de videoband die is gemaakt van het afleggen van de belastende verklaring van het slachtoffer tegenover de politie en zo nodig het gelasten van een onderzoek door een deskundige van het aldus vastgelegde verhoor.”

In aanmerking genomen dat:

- de raadsman voorafgaande aan het onderzoek ter terechtzitting kennis heeft kunnen nemen van het onder (ii) genoemde “verbatim”-verslag van het verhoor, derhalve meer dan een zakelijke verslaglegging van dat verhoor;

- de raadsman voorts voorafgaande aan het onderzoek ter terechtzitting kennis heeft kunnen nemen van de onder (iii) genoemde audiovisuele opname van het gehele studioverhoor;

- het studioverhoor op verzoek van de raadsman is beoordeeld door een deskundige, die haar bevindingen en conclusies heeft neergelegd in het onder (v) genoemde rapport;

- de raadsman ter terechtzitting van het hof, zoals onder (xi) is overwogen, de gelegenheid heeft gehad om de deskundige te ondervragen omtrent haar bevindingen en conclusies, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt;

is het hof – anders dan de raadsman – van oordeel dat aan de verdachte een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot (rechtstreekse) ondervraging van het slachtoffer. De verdediging is derhalve voldoende in staat geweest om ter terechtzitting van het hof de betrouwbaarheid van de studioverklaring van [slachtoffer] te betwisten.

Het hof merkt hierbij nog op dat het hof voorafgaande aan de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van 6 augustus 2008, zelf heeft kennisgenomen van de audiovisuele opname van het studioverhoor en zich daarbij zelfstandig – mede aan de hand van deze waarneming – een oordeel heeft gevormd omtrent de betrouwbaarheid van de afgelegde studioverklaring van [slachtoffer].

In zoverre verschilt de onderhavige zaak van de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van het EHRM van 10 november 2005, NJ 2006/239, LJN AU9997 (Bocos-Cuesta tegen Nederland). Voorts is het oordeel van dit hof in de onderhavige zaak, inhoudende dat het belang van [slachtoffer] om niet als getuige te worden gehoord dient te prevaleren boven het verdedigingsbelang – anders dan in laatstgenoemde zaak (zie par. 72 van dat arrest) – gebaseerd op een deskundigenoordeel van de onder (viii) genoemde kinder- en jeugdpsychiater.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat artikel 6 EVRM er niet aan in de weg staat dat de studioverklaring van [slachtoffer] tot het bewijs wordt gebezigd. Het primaire verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Ten aanzien van het subsidiaire verweer van de raadsman, inhoudende dat de studioverklaring van [slachtoffer] onvoldoende betrouwbaar is om deze tot het bewijs te kunnen bezigen, overweegt het hof als volgt.

Het hof is – mede op grond van de eigen waarneming van de audiovisuele registratie van het studioverhoor – van oordeel dat [slachtoffer] in dit verhoor consistent, waarheidsgetrouw en overtuigend heeft verklaard. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van die verklaring heeft het hof mede acht geslagen op de onder (v) weergegeven bevindingen en conclusies van Candel, alsmede op de onder (xi) genoemde verklaring die deze deskundige ter terechtzitting van het hof heeft afgelegd.

Evenals deze deskundige acht het hof van belang dat [slachtoffer] spontaan over het misbruik heeft verklaard tegen haar moeder en dat niet is gebleken dat daaraan een suggestieve ondervraging is voorafgegaan. Het hof acht voorts van belang dat de eerste verklaring van [slachtoffer] over het misbruik werd afgelegd kort na thuiskomst van een bezoek aan verdachte op 25 juni 2006. Het hof acht niet aannemelijk dat [slachtoffer] zich heeft daarbij heeft vergist over de persoon (haar opa) en de verrichte ontuchtige handelingen, die blijkens haar verklaring voor het laatst op 24 juni 2006 – derhalve één dag eerder – waren voorgevallen.

Op grond van het voorgaande ziet het hof – met de advocaat-generaal en anders dan de raadsman – geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de studioverklaring van [slachtoffer], zodat ook het subsidiaire verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht, in verband met het bepaalde in artikel 57 van dat wetboek.

Het bewezen verklaarde onder 2 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, in verband met het bepaalde in artikel 304, aanhef en onder 1°, van dat wetboek.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de grove inbreuk die verdachte heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke waardigheid van het jeugdige slachtoffer;

- de omstandigheid dat het seksueel misbruik onder meer heeft bestaan uit penetratie van het slachtoffer;

- de mate waarin het onder 1 bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht, zoals blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 11 januari 2007 en de bijlage bij het formulier waarmee het slachtoffer zich (via haar wettelijk vertegenwoordiger) als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd;

- de omstandigheid dat verdachte de opa van het slachtoffer is en dat hij ernstig misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer en haar ouders in hem stelden;

- de lange duur, te weten ongeveer een jaar, van het seksueel misbruik.

Bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf zal het hof in het voordeel van verdachte rekening houden met zijn persoonlijke omstandigheden, te weten:

- verdachte werd blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 27 juni 2008 niet eerder veroordeeld ter zake van enig misdrijf;

- het bewezen verklaarde heeft voor verdachte negatieve gevolgen gehad, in die zin dat hij gescheiden is van zijn vrouw en het contact met zijn familie heeft verloren, waardoor hij in een sociaal isolement is geraakt;

- de gezondheidstoestand van verdachte, zoals onder meer blijkt uit een door de raadsman bij faxbericht d.d. 5 augustus 2008 aan de advocaat-generaal toegezonden rapportage van de Stichting Maatschappelijk Werk te Oss, opgemaakt door mevr. [betrokkene].

Met betrekking tot de stelling van de raadsman dat verdachte detentieongeschikt zou zijn in verband met zijn gezondheidstoestand overweegt het hof dat in het gevangeniswezen voldoende medische voorzieningen aanwezig zijn, zodat de gezondheidstoestand van verdachte niet aan detentie in de weg staat. Een volstrekte detentieongeschiktheid van verdachte is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.

Het hof stelt vast dat oplegging van de door de advocaat-generaal gevorderde straf – gelet op de inwerkingtreding van de Wet van 6 december 2007 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met de wijziging van de vervroegde invrijheidstelling in een voorwaardelijke invrijheidstelling (Stb. 2007, 500) – tot gevolg zou hebben dat aan verdachte effectief een hogere straf zou worden opgelegd dan op grond van het vonnis van de eerste rechter.

Het hof zal de advocaat-generaal niet in deze eis volgen en acht, gelet op het hiervoor overwogene, een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Schadevergoeding

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer], wettelijk vertegenwoordigd door [moeder], als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 2.000,00. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet tevens aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57, 244, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders onder 1 primair en onder 2 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het onder 1 en 2 bewezen verklaarde oplevert:

1.

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

2.

mishandeling, begaan tegen zijn echtgenote;

verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wettelijk vertegenwoordigd door [moeder], voor een bedrag van EUR 2.000,00 (tweeduizend euro) toe;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 2.000,00 (tweeduizend euro);

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij voornoemd gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer], wettelijk vertegenwoordigd door [moeder], wonende te [adres 2], [woonplaats 2], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 2.000,00 (tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis;

bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J.M.W.M. van den Elzen, voorzitter,

mr. N.J.L.M. Tuijn en mr. F. van Beuge,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 20 augustus 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. F. van Beuge is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.