Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BE9062

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
22-08-2008
Zaaknummer
20-004349-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

246/247 Sr. Vrijspraak in zedenzaak. Naar het oordeel van het hof valt op grond van de conclusies van de deskundige niet uit te sluiten dat de verklaring van het slachtoffer tot stand is gekomen onder invloed van “collaborative story telling”, waardoor suggesties, gedaan door de moeder, door het slachtoffer worden opgepakt en vervolgens door hem als waarheid worden ervaren en als zodanig worden gepresenteerd. Hierdoor is, mede gelet op de jeugdige leeftijd van het slachtoffer en zijn verstandelijke beperking, achteraf niet meer betrouwbaar vast te stellen of de door het slachtoffer beschreven seksuele handelingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-004349-07

Uitspraak: 13 augustus 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 26 november 2007 in de strafzaak met parketnummer 01-825171-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1986],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij het beroepen vonnis is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wettelijk vertegenwoordigd door [moeder], niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep – binnen de grenzen van de oorspronkelijke vordering – opnieuw gevoegd ter zake van de niet toegewezen vordering. De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt tot betaling van EUR 3.000,00.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf, in die zin dat aan het voorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf een proeftijd van twee jaren wordt verbonden, zulks in plaats van de proeftijd van drie jaren die door de rechtbank is bepaald.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof – anders dan de eerste rechter – niet komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij:

op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 1 maart 2007, althans op 1 maart 2007, te Helmond, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] (geboren op [1999]) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het (telkens)

- met zijn, verdachtes, tong likken aan de penis en/of tepel(s), althans aan het lichaam, van die [slachtoffer] en/of

- pijpen en/of aftrekken van die [slachtoffer] en/of

- ongekleed op/naast die (ongeklede) [slachtoffer] te gaan liggen en/of

- zich aftrekken ten overstaan, althans in aanwezigheid, van die [slachtoffer] en/of

- zich door die [slachtoffer] laten aftrekken

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en)

- uit het fysiek en geestelijk overwicht op die [slachtoffer] en/of

- uit het vertellen tegen die [slachtoffer] – zakelijk weergegeven – dat de boze geesten zouden komen die hem, [slachtoffer], zouden doden, althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 1 maart 2007, althans op 1 maart 2007, te Helmond met [slachtoffer] (geboren op [1999]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, te weten door (telkens)

- met zijn, verdachtes, tong te likken aan de penis en/of tepel(s), althans aan het lichaam, van die [slachtoffer] en/of

- die [slachtoffer] te pijpen en/of af te trekken en/of

- ongekleed op die (ongeklede) [slachtoffer] te gaan liggen en/of

- zich (telkens) af te trekken ten overstaan, althans in aanwezigheid, van die [slachtoffer] en/of

- zich (telkens) door die [slachtoffer] te laten aftrekken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van het primair ten laste gelegde en veroordeeld ter zake van het subsidiair ten laste gelegde, gepleegd op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 1 maart 2007.

Het hof stelt – met de advocaat-generaal, de raadsman en de eerste rechter – voorop dat het primair ten laste gelegde geweld of andere feitelijkheden, dan wel de bedreiging daarmee, niet zijn komen vast te staan, zodat verdachte reeds hierom dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde bewezen dient te worden verklaard overeenkomstig de bewezenverklaring van de rechtbank.

De verdachte en zijn raadsman hebben bepleit dat verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt.

Vast staat dat verdachte in de ten laste gelegde periode geregeld de woning van de ouders van [slachtoffer] bezocht teneinde hem pedagogisch te behandelen. Deze behandeling bestond uit het voeren van gesprekken, het toepassen van een zogenaamde Reiki-behandeling en het masseren van [slachtoffer]. Op 1 maart 2007 bevond verdachte zich in de behandelkamer op de bovenverdieping van de woning van de ouders van [slachtoffer], alwaar hij doende was [slachtoffer] te masseren. Vast staat voorts dat [slachtoffer] een verstandelijke beperking heeft, waarvan de aard overigens niet geheel duidelijk uit het dossier blijkt, en dat [slachtoffer] volgens zijn moeder een IQ van 85 heeft.

Naar aanleiding van een gerezen verdenking van – kort gezegd – ontuchtig handelen door verdachte op 1 maart 2007 in zijn (behandel)relatie met [slachtoffer], is [slachtoffer] op 19 maart 2007 verhoord in een daarvoor specifiek ingerichte verhoorstudio in het politiebureau te Eindhoven. In dit verhoor heeft [slachtoffer] verklaard over seksuele handelingen die verdachte op 1 maart 2007 en in de periode daarvoor met [slachtoffer] zou hebben verricht. Verdachte heeft consistent ontkend dat hij zich aan dergelijke handelingen heeft schuldig gemaakt.

Het hof stelt vast dat, nu de ouders geen van de ten laste gelegde ontuchtige handelingen zelf hebben waargenomen, de (studio)verklaring van [slachtoffer] het enige bewijs vormt waaruit die handelingen rechtstreeks zouden kunnen volgen, zodat bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van die verklaring bijzondere voorzichtigheid dient te worden betracht.

Bij die beoordeling heeft het hof acht geslagen op een deskundigenrapport d.d. 27 juni 2007 van prof. dr. W.A. Wagenaar, hoogleraar in de psychologische functieleer, alsmede de verklaring die Wagenaar als deskundige heeft afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep.

Ten aanzien van de ontuchtige handelingen die op 1 maart 2007 zouden hebben plaatsgevonden overweegt het hof als volgt.

De deskundige heeft in zijn rapport aangegeven dat over de “disclosure” (het moment waarop de moeder van [slachtoffer] het vermeende misbruik heeft ontdekt en met hem heeft besproken) geen volstrekte helderheid bestaat, aangezien [slachtoffer] daarover anders heeft verklaard dan zijn moeder. Volgens de deskundige is daardoor niet uitgesloten dat er in die fase sprake is geweest van een suggestieve ondervraging van [slachtoffer] door de ouders.

Het rapport vermeldt voorts dat het belangrijkste gevaar in de fase van de “disclosure” bestaat uit het proces van “collaborative story telling”. Met deze term wordt gedoeld op een proces waarbij personen onderling communiceren over een gebeurtenis in het verleden. De deelnemers in dit proces dragen verschillende bouwstenen aan van een verhaal dat niemand zich tevoren als zodanig herinnerde, maar dat na voltooiing van het proces wordt aanvaard als de ware toedracht en dat bovendien door alle aanwezigen wordt herinnerd als een representatie die vanaf het begin, en dus onveranderd, beschikbaar was.

De deskundige heeft bovendien gesteld dat bij gelegenheid van het studioverhoor van [slachtoffer] deels suggestieve vragen zijn gesteld, doordat bij sommige vragen aan [slachtoffer] opties werden aangeboden die hij wellicht niet zelf zou hebben bedacht en die tevens opties kunnen wegnemen die hij wellicht juist in zijn hoofd had.

Naar het oordeel van het hof valt op grond van de conclusies van de deskundige niet uit te sluiten dat de verklaring van [slachtoffer] tot stand is gekomen onder invloed van “collaborative story telling”, waardoor suggesties, gedaan door de moeder, door [slachtoffer] worden opgepakt en vervolgens door hem als waarheid worden ervaren en als zodanig worden gepresenteerd. Hierdoor is, mede gelet op de jeugdige leeftijd van [slachtoffer] en zijn verstandelijke beperking, achteraf niet meer betrouwbaar vast te stellen of de door [slachtoffer] beschreven seksuele handelingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.

Het hof merkt hierbij op dat enerzijds niet is gebleken dat [slachtoffer] bewust onwaar zou hebben verklaard – er is veeleer sprake van een valse herinnering – en anderzijds dat een suggestieve ondervraging door de ouders of de verhoorster bij het studioverhoor nog niet hoeft te betekenen dat aan [slachtoffer] opzettelijk suggesties zijn opgedrongen.

Het hof is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer], afgelegd ten overstaan van zijn ouders, dan wel tijdens het studioverhoor, onvoldoende betrouwbaar zijn om deze tot het bewijs te kunnen gebruiken.

Ten aanzien van de ontuchtige handelingen die zouden zijn begaan in de periode vóór 1 maart 2007 overweegt het hof dat de studioverklaring van [slachtoffer] over die periode, bij gebreke van een aanduiding van de plaatsen waar en de tijdstippen waarop die vermeende handelingen zouden zijn verricht, onvoldoende specifiek is om de gestelde handelingen te kunnen herleiden tot concrete gebeurtenissen.

Hierbij heeft het hof mede acht geslagen op de omstandigheid dat [slachtoffer] aan het einde van het studioverhoor tamelijk onverwacht een verklaring over deze gebeurtenissen heeft afgelegd. De aangifte had immers slechts betrekking op vermeend misbruik op 1 maart 2007. De deskundige concludeert in zijn rapport dat door tekortkomingen in het verhoor – de verhoorster is volgens de deskundige onvoldoende ingegaan op deze gebeurtenissen en de reden waarom [slachtoffer] daarover niet eerder heeft verklaard – onvoldoende informatie beschikbaar is om [slachtoffer]’s verklaringen op waarde te kunnen schatten. Het hof deelt die conclusie.

Voorts heeft het hof nog in zijn oordeel betrokken dat [slachtoffer] blijkens een ongedateerde verklaring (gehecht aan het formulier waarmee de benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd) van mevrouw [betrokkene], werkzaam als lerares op de basisschool van [slachtoffer], vaak en veel vertelde over wat hij allemaal meemaakte, waarbij ook de massages van verdachte ter sprake kwamen. Niet is gebleken dat [slachtoffer] in die gesprekken op enig moment melding heeft gemaakt van ontuchtige handelingen door verdachte.

Tenslotte overweegt het hof nog dat zich in het dossier een zogenaamd voorgeleidingsformulier van het arrondissementsparket ’s-Hertogenbosch d.d. 22 maart 2007 bevindt, onder meer inhoudende dat verdachte meerdere (tien) kinderen masseert en dat onderzoek wordt gedaan naar mogelijke andere slachtoffers. Het hof stelt vast dat uit dat onderzoek niet is gebleken van enige aanwijzingen voor seksueel misbruik door verdachte.

Gelet op het voorgaande heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat verdachte het primair of subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken

Schadevergoeding

Nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, dient de benadeelde partij [slachtoffer], wettelijk vertegenwoordigd door [moeder], in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, met een beslissing omtrent de kosten van het geding als na te melden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht;

verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer], wettelijk vertegenwoordigd door [moeder], in zijn vordering niet-ontvankelijk;

veroordeelt de benadeelde partij voornoemd in de kosten van het geding door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

heft op het op 25 mei 2007 geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. J.M.W.M. van den Elzen, voorzitter,

mr. F. van Beuge en mr. W.J.B. Zeyl,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 13 augustus 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. W.J.B. Zeyl is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.