Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BE9022

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
25-08-2008
Zaaknummer
07/00256
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Hoge Raad heeft in zijn sub 1.3 genoemde arrest in stand gelaten het oordeel van het Gerechtshof te Arnhem dat het medegebruik van de rijhal en het schoonhouden van de box niet kunnen worden beschouwd als bijkomende diensten bij de van omzetbelasting vrijgestelde verhuur van de box.

Dat medegebruik en schoonhouden vormen tezamen met de verstrekking van voer één prestatie, welke kan worden aangeduid als verzorging van paarden. Die prestatie richt zich op het welzijn van de te verzorgen paarden en vormt economisch gezien één dienst die niet kunstmatig uit elkaar moet worden gehaald ten einde de functionaliteit van btw-stelsel niet aan te tasten (Hof van Justitie 25 februari 1999, Card Protection Plan, C-349/96, BNB 1999/224).

Op die prestatie is het algemene tarief van de omzetbelasting (voor 1999 en 2000 17,5%) van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/55.2.4
FutD 2008-1806
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 07/00256

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de vennootschap onder firma X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van het Hoofd van de eenheid Belastingdienst/Ondernemingen P, (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden naheffingsaanslagen in de omzetbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikkingen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn over de tijdvakken 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 en 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 naheffingsaanslagen in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 9.345, respectievelijk f 4.334, alsmede boeten van 5% neerkomend op f 467, respectievelijk f 216. De naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem. Dat Hof heeft het beroep met betrekking tot het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot f 6.816, en de boete verminderd tot f 340. Het beroep met betrekking tot het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 heeft dat hof ongegrond verklaard.

1.3. Op het beroep in cassatie van belanghebbende heeft de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 23 februari 2007, nr. 42.387, de uitspraken van het Gerechtshof te Arnhem vernietigd, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten en het geding verwezen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaken met inachtneming van dit arrest.

1.4. Belanghebbende heeft naar aanleiding van het arrest een conclusie na verwijzing ingediend; de Inspecteur heeft op de inhoud van die conclusie gereageerd.

1.5. Belanghebbende heeft voor de na te melden zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof, en (door tussenkomst van de griffier), aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Het Hof rekent de pleitnota tot de gedingstukken.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 4 oktober 2007 te 's-Hertogenbosch, met gesloten deuren voor wat de belasting betreft, en in het openbaar voorzover het de boeten betreft.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.7. Het Hof heeft daarop het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Voor dit geding staat vast hetgeen door het Gerechtshof te Arnhem in zijn voormelde uitspraken onder 'Feiten' is vastgesteld.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Na verwijzing is in geschil het antwoord op de vragen:

I. of behalve de van omzetbelasting vrijgestelde verhuur sprake is van één enkele dienst die belast is naar het algemene tarief, dan wel van twee of meer te onderscheiden diensten die afzonderlijk moeten worden beoordeeld, te weten het medegebruik van de rijhal en het uitmesten daarvan (algemene tarief) en het leveren van voer (verlaagde tarief)?;

II. of de verzuimboeten van 5% terecht zijn opgelegd?

De toedeling van de vergoeding aan de verschillende prestaties is niet langer in geschil. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat de ontvangen vergoeding kan worden gesplitst zoals is aangegeven in punt 3 van de bij belanghebbendes conclusie na verwijzing gevoegde "becijfering splitsing met berekeningen betwistbare bedragen" zowel voor 1999 als voor 2000, indien het gelijk aan belanghebbende is, en zoals is aangegeven in punt 5 van die becijfering, indien het gelijk aan de Inspecteur is.

Ook over de daarin opgenomen correctiebedragen van de voorbelasting zijn partijen het eens.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Zij hebben daaraan ter zitting nog toegevoegd, zakelijk weergegeven:

Belanghebbende

De procedure draagt een principieel karakter. Daar past geen boete bij.

De Inspecteur

De boete dient te worden gehandhaafd. Volgens de Hoge Raad is geen sprake van een pleitbaar standpunt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de bestreden uitspraken, - naar het Hof begrijpt - tot vernietiging van de aanslagen over 1999 en 2000, en van de boetebeschikkingen.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, tot vermindering van de aanslag over 1999 met f 4.558, vermindering van de aanslag over 2000 met f 150, en handhaving van de verzuimboeten op 5% van de na vermindering resterende bedragen.

4. Beoordeling van het geschil

Vraag I

4.1. De Hoge Raad heeft in zijn sub 1.3 genoemde arrest in stand gelaten het oordeel van het Gerechtshof te Arnhem dat het medegebruik van de rijhal en het schoonhouden van de box niet kunnen worden beschouwd als bijkomende diensten bij de van omzetbelasting vrijgestelde verhuur van de box.

4.2. Dat medegebruik en schoonhouden vormen tezamen met de verstrekking van voer één prestatie, welke kan worden aangeduid als verzorging van paarden. Die prestatie richt zich op het welzijn van de te verzorgen paarden en vormt economisch gezien één dienst die niet kunstmatig uit elkaar moet worden gehaald ten einde de functionaliteit van btw-stelsel niet aan te tasten (Hof van Justitie 25 februari 1999, Card Protection Plan, C-349/96, BNB 1999/224).

Op die prestatie is het algemene tarief van de omzetbelasting (voor 1999 en 2000 17,5%) van toepassing.

Vraag II

4.3. De verzuimboeten van 5% zijn terecht opgelegd. Van een pleitbaar standpunt, noch van afwezigheid van alle schuld, is sprake. Het Hof acht de boeten, zoals deze luiden na de vermindering van de bestreden naheffingsaanslagen, ook passend en geboden.

Weliswaar moet geoordeeld worden dat, gelet op de duur van de behandeling van het geschil (en dan met name de termijn die is verstreken bij de behandeling van het beroep door het Hof te Arnhem), de behandeling van het geschil niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als voorgeschreven in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; maar waar een vermindering van de boeten uit dien hoofde met 10% slechts symbolisch van aard zou zijn, laat het Hof die achterwege, en volstaat het met de vaststelling van de verdragsschending op dit punt.

Slotsom

4.4. Het gelijk is aan de Inspecteur, doch het beroep dient gelet op het sub 3.3 vermelde, gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

5.1. Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 1 (punten) x 1,5 (gewicht van de zaak) x € 322 (waarde per punt) = € 483.

6. Beslissing

Het Hof:

* verklaart het beroep gegrond;

* vernietigt de bestreden uitspraken;

* vermindert de naheffingsaanslag over het jaar 1999 met f 4.558 tot f 4.787 (€ 2.172), en de naheffingsaanslag over het jaar 2000 met f 150 tot f 4.184 (€ 1.898);

* vermindert de verzuimboeten tot 5% van de na evenvermelde vermindering van de bestreden naheffingsaanslagen resterende bedragen, neerkomend op een boete van f 239 (€ 108), respectievelijk f 209 (€ 94);

* veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 483;

* wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet

vergoeden.

Aldus gedaan op 19 juni 2008 door A. Bijlsma, voorzitter, J.W.J. Huige en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20 303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.