Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BE9020

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
25-08-2008
Zaaknummer
06/00243
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BK6893, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Rechtbank heeft belanghebbende niet gevolgd in evengemelde stelling. De Rechtbank heeft geoordeeld dat bedoeld artikel 1 een Staat toestaat om wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om de betaling van belastingen te verzekeren en dat in die bepaling dan ook geen belemmering is gelegen, enerzijds om de naheffingsaanslagen te berekenen mede met inachtneming van anoniementarief en brutering en anderzijds om belanghebbende op de voet van artikel 34 van de Invorderingswet voor de naheffingsaanslagen aansprakelijk te stellen. Het Hof vermag niet in te zien dat sprake is van een ongeoorloofde schending van belanghebbendes recht van eigendom in de zin van artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM en verenigt zich met dit oordeel van de Rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1827
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 06/00243

Uitspraak van de eerste meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de Maatschap X te Y,

met gekozen domicilie ten kantore van A BV te B, C-straat 29-31,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 1 juni 2006, nummer AWB 05/2168 in het geding tussen

belanghebbende

en

de Ontvanger van de Belastingdienst/Z,

hierna: de Ontvanger.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij beschikking aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 49 van de Invorderingswet welke beschikking is gedagtekend 7 maart 2005 (hierna: de beschikking), is belanghebbende aansprakelijk gesteld voor een bedrag van

€ 1.009.

1.2. Belanghebbende is tegen de beschikking in bezwaar gekomen. Bij uitspraak, gedagtekend 3 mei 2005, heeft de Ontvanger het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak op 14 juni 2005 in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij mondelinge uitspraak van 1 juni 2006 heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de beschikking aansprakelijkstelling verminderd tot op een bedrag van € 945. Tevens heeft de Rechtbank de Ontvanger tot een bedrag van € 644 veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende, de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) aangewezen dit bedrag aan belanghebbende te voldoen en de Staat gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht ten bedrage van € 276 te vergoeden.

1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 422.

De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen namens de Ontvanger verschenen en gehoord de heer D en de heer mr. E. Belanghebbendes gemachtigde, de heer drs. F van A BV, heeft het Hof per faxbericht van 13 december 2007 bericht niet ter zitting te zullen verschijnen.

1.6. Het Hof heeft met toepassing van artikel 27j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek ter zitting geschorst, in verband met het zoek van de Ontvanger ter zitting aan het Hof om ten aanzien van belanghebbende een veroordeling in de proceskosten uit te spreken. Vervolgens heeft met toepassing van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht tussen partijen en het Hof een briefwisseling plaatsgevonden.

1.7. Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Het Hof stelt de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende exploiteerde in 1998 een tomatenkwekerij. Voor het plukken van tomaten werden uitzendkrachten ingezet. In juni 1998 werd gebruik gemaakt van de diensten van de op 4 september 2002 ontbonden vennootschap G BV te H (hierna: G). In die maand hebben werknemers van G in de tomatenkwekerij gewerkt, onder toezicht of leiding van belanghebbende.

2.2. In juni 1998 beschikte G niet over de tot 1 juli 1998 voor een uitzendbureau vereiste vergunning. Sedert 26 maart 1998 was de heer J directeur, enig bestuurder almede enig aandeelhouder van G.

2.3. G heeft belanghebbende bij factuur nummer 00000, gedateerd 15 juni 1998, 102 arbeidsuren gedeclareerd tegen een uurloon van fl. 26,--. In totaal werd bij die factuur fl. 2.652,-- in rekening gebracht, exclusief omzetbelasting.

Dat bedrag, met de daarover verschuldigde en belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting, werd overgemaakt naar het door G in de factuur aangegeven rekeningnummer.

2.4. In 2000 werd door (destijds) Gak Nederland BV (hierna: het Gak) bij G een looncontrole uitgevoerd. Die controle werd ingegeven door het gerezen vermoeden dat G meer werknemers in dienst had dan bij het Gak waren aangemeld.

Gecontroleerd werden de jaren 1998 en 1999. Het looncontrolerapport is gedagtekend 9 november 2000.

2.5. Bij de looncontrole werd (loon)administratie aangetroffen over de periode tot 1 september 1998, (loon)administratie betreffende het jaar 1999 ontbrak geheel. Persoonsgegevens van werknemers werden bijna niet aangetroffen. Identiteitsbewijzen ontbraken geheel. Bankafschriften waren over de periode tot en met 21 januari 2000 beschikbaar. Mede gelet op de inhoud van afgelegde verklaringen van werknemers van G trokken de controleurs uit een en ander de conclusie dat de administratie van G incompleet en onbetrouwbaar was en niet kon dienen als basis voor een deugdelijk administratief onderzoek. Als gevolg hiervan zijn de conclusies en de daarop gebaseerde correcties in het rapport het resultaat van interpretaties op basis van, vaak bij derden, aangetroffen administratieve bescheiden.

2.6. Volgens het totaal van de bij opdrachtgevers van G en haar externe accountant achterhaalde facturen het jaar 1998 betreffende, werden 35.532 uren gefactureerd. Van dat aantal werden 6.000 uren in de (loon)administratie verloond. Aan de hand van gegevens omtrent 11 werknemers van G die wel bekend waren, werd het gemiddelde netto uurloon vastgesteld op [fl. 114,03 (som van de berekende netto uurlonen): 11 =]

fl. 10,37.

2.7. Naar aanleiding van de bevindingen bij voormelde looncontrole werd G over het tijdvak 1 januari 1998 t/m 31 december 1999 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen (nummer 0000.00.000.A01.950, gedagtekend 24 december 2003)opgelegd van € 540.146 (inclusief heffingsrente), zonder boete.

Daarbij werd voor 1998 uitgegaan van een totaal netto loon van (35.532 uur à fl. 10,37 =) fl. 368.466. Het verschuldigde moest vóór 7 januari 2004 zijn betaald.

2.8. Nageheven werd met toepassing van het tarief voor anonieme werknemers (artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964)en met toepassing van brutering.

Verder werd uitgegaan van eindheffing (artikel 31 van laatstgemelde wet). In verband met het vorenstaande werd het loonheffingtarief voor 1998 berekend op fl. 10,37 (gemiddeld netto uurloon) x 180,4% = fl. 18,71.

2.9. Naar aanleiding van de bevindingen bij voormelde looncontrole werd G over het tijdvak 1 januari 1998 t/m 31 december 1999 tevens een naheffingsaanslag in de omzetbelasting (nummer 0000.00.000.F.01.9501, gedagtekend 24 december 2003) opgelegd van € 104.497 (inclusief heffingsrente), zonder boete. Het verschuldigde moest vóór 7 januari 2004 zijn betaald.

2.10. De voor G bestemde aanslagbiljetten zijn verzonden naar het adres K-straat 1/K204 te ---- L (België). Dat was het ter Inspectie van G bekende adres. Ook volgens de gemeentelijke basisadministratie was G op evengemeld adres gevestigd. De aanslagbiljetten zijn op 5 januari 2005 als onbestelbaar ter Inspectie terugontvangen.

2.11. De Ontvanger heeft vervolgens een onderzoek gedaan naar de woonplaatsen van (ex-)bestuurders van G. Toen er aanwijzingen kwamen dat (ex-)bestuurders van G in België woonden maar geen duidelijkheid kon worden verkregen omtrent een precies woonadres, heeft de Ontvanger de Rechtbank Roermond verzocht de vereffening van G, dat op 4 september 2002 was ontbonden, te heropenen. Dit om te kunnen komen tot de juridische vaststelling dat G in gebreke was met de betaling van haar belastingschulden. Bij uitspraak van 29 september 2004 heeft de Rechtbank Roermond de vereffening van G heropend. Bij op 1 december 2004 verzonden brief heeft de Ontvanger de aanslagbiljetten naar de vereffenaar gezonden, ter betaling van het door G verschuldigde. Betaling bleef uit. Wegens de toestand van de boedel heeft de vereffenaar de Rechtbank Roermond verzocht de vereffening te sluiten. Op 19 januari 2005 heeft de Rechtbank Roermond de vereffening gesloten.

2.12. Bij de beschikking heeft de Ontvanger belanghebbende voor de van G nageheven loonbelasting/premie en omzetbelasting aansprakelijk gesteld, voorzover die zag op de door werknemers van G ten behoeve van belanghebbende gewerkte uren. De toerekening van aansprakelijkheid aan belanghebbende geschiedde naar evenredigheid tussen de verschillende inleners. Vorenstaande resulteerde in een aan belanghebbende toegerekend bedrag van € 1.098.

2.13. Dat bedrag werd vervolgens met € 89 verminderd tot

€ 1.009 in verband met niet aan een bepaalde inlener van G toe te rekenen betalingen op aangifte/aanslag van G. Bij het vaststellen van de vermindering van de verschillende aansprakelijkstellingen heeft de Ontvanger bedoelde betalingen van G omgeslagen naar evenredigheid van de aansprakelijkstellingen.

2.14. De Ontvanger heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking ongegrond verklaard. Na ingesteld beroep heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende in zoverre gegrond geoordeeld dat in verband met een rekenfout de aansprakelijkstelling tot op € 945 diende te worden verminderd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen.

A. Kon belanghebbende met toepassing van artikel 34 van de Invorderingswet 1990 aansprakelijk worden gesteld voor van G nageheven loonbelasting/premie volksverzekeringen en omzetbelasting?

Zo ja,

B. Is het bedrag van de aansprakelijkstelling, na de vermindering door de Rechtbank tot € 945, te hoog?

C. Dient de Ontvanger te worden veroordeeld in de werkelijke proceskosten van belanghebbende in de bezwaar- en de beroepsfase?

Belanghebbende beantwoordt vraag A ontkennend en de vragen B en C bevestigend. De Ontvanger is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting zijn geen andere gronden aangevoerd.

3.3. Belanghebbende concludeert, onder vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Ontvanger, tot vermindering van de aansprakelijkstelling, primair tot nihil en subsidiair tot vermindering "tot een realistisch(er) berekend bedrag, bijvoorbeeld NLG 515 qua LB/PH en NLG 357 qua BTW".

De Ontvanger concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de naheffingsaanslagen G nimmer op de vereiste wijze en op het juiste moment hebben bereikt en dat alleen al om die reden de aansprakelijkstelling dient te worden vernietigd.

4.1.2. Vast staat dat de voor G bestemde aanslagbiljetten zijn verzonden naar het adres K-straat 1/K204 te ---- L (België). Dat was het ter Inspectie van G bekende adres. Ook volgens de gemeentelijke basisadministratie was G op evengemeld adres gevestigd. Het Hof hecht geloof aan de stellingen van de Ontvanger in zijn verweerschrift in hoger beroep dat het adres van G kennelijk was gewijzigd en dat G die wijziging niet "aan de bevoegde instanties" heeft doorgegeven.

In ieder geval dient vernietiging van de aansprakelijkstelling van belanghebbende reeds op de grond dat de aanslagbiljetten als onbestelbaar zijn geretourneerd, achterwege te blijven.

4.2.1. Belanghebbende heeft in hoger beroep, evenals bij de Rechtbank, samengevat gesteld dat als gevolg van een opeenstapeling van toepassing van het anoniementarief en brutering alsmede het onherroepelijk vaststaan van de naheffingsaanslagen ten name van G, belanghebbende buiten haar toedoen in een situatie is beland waarin verhaal op G en/of dier werknemers onmogelijk is geworden. Haar stelling dat ter zake sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op haar recht van eigendom in de zin van artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM, heeft zij in hoger beroep herhaald.

4.2.2. De Rechtbank heeft belanghebbende niet gevolgd in evengemelde stelling. De Rechtbank heeft geoordeeld dat bedoeld artikel 1 een Staat toestaat om wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om de betaling van belastingen te verzekeren en dat in die bepaling dan ook geen belemmering is gelegen, enerzijds om de naheffingsaanslagen te berekenen mede met inachtneming van anoniementarief en brutering en anderzijds om belanghebbende op de voet van artikel 34 van de Invorderingswet voor de naheffingsaanslagen aansprakelijk te stellen. Het Hof vermag niet in te zien dat sprake is van een ongeoorloofde schending van belanghebbendes recht van eigendom in de zin van artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM en verenigt zich met dit oordeel van de Rechtbank.

4.3. Gelet op het vorenoverwogene moet vraag A onder 3.1 bevestigend worden beantwoord.

4.4.1. Subsidiair stelt belanghebbende, zoals ook in eerste aanleg, dat zij voor wat betreft de nageheven loonbelasting/premie volksverzekeringen tot een te hoog bedrag aansprakelijk is gesteld. In dat kader heeft zij, evenals in eerste aanleg, verwezen naar een berekening in een brief van 8 april 2005.

In die brief heeft belanghebbende stelling genomen tegen achtereenvolgens de toepassing van de eindheffing van artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964, de toepassing van brutering en de toepassing van het anoniementarief.

4.4.2. Het Hof volgt de conclusie van de Rechtbank dat belanghebbende aan haar standpunt geen feiten of omstandigheden ten grondslag heeft gelegd die de conclusie wettigen dat de naheffingslagen voor wat betreft de toepassing van het anoniementarief en voor wat betreft de brutering op een te hoog bedrag zijn vastgesteld. Ook in hoger beroep heeft belanghebbende nagelaten dergelijke feiten of omstandigheden te noemen. Voor wat betreft de stelling dat de eindheffing van artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 ten onrechte is toegepast, merkt het Hof op dat belanghebbende die stelling zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd.

4.4.3. Belanghebbende heeft in haar brief van 8 april 2005, voor zover hier van belang, voorts aangevoerd dat "NLG 514,74 een veel juistere benadering inhoudt van de aan hem toe te rekenen LB/PH".Belanghebbende gaat bij die berekening uit van een tarief van 36,35%.Voor een brutering op basis van dit tarief heeft belanghebbende geen enkele onderbouwing gegeven.

Het Hof ziet dan ook geen aanleiding voor een vermindering van de aansprakelijkstelling zoals belanghebbende die voorstaat.

4.4.4. Mede gelet op het in 4.4.2 en 4.4.3 vermelde moet ervan worden uitgegaan dat het bedrag van de aansprakelijkstelling, na de vermindering door de Rechtbank tot € 945, niet te hoog is. Vraag B onder 3.1 moet ontkennend worden beantwoord.

4.5. Met betrekking tot de vraag of de Ontvanger in de werkelijke proceskosten van belanghebbende in de bezwaar- en beroepsfase moet worden veroordeeld, overweegt het Hof het volgende.

4.5.1. In de bezwaarfase heeft belanghebbende niet om een vergoeding van proceskosten verzocht. Die omstandigheid verhindert dat belanghebbende voor wat betreft de bezwaarfase recht heeft op enige vergoeding van proceskosten.

4.5.2. Met betrekking tot de door de Rechtbank uitgesproken veroordeling in de proceskosten van belanghebbende, overweegt het Hof het volgende.

Ingevolge artikel 2, lid 1, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor zover hier van belang, wordt het bedrag ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a (kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand), vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief (tarief volgens het puntenstelsel).

Lid 3 van artikel 2 bepaalt dat in bijzondere omstandigheden van het eerste lid kan worden afgeweken.

Naar 's Hofs oordeel heeft belanghebbende geen bijzondere omstandigheden aangevoerd welke toepassing van artikel 2, lid 3, van voormeld Besluit rechtvaardigen.

Dat het in geschil zijnde bedrag gering is, in verhouding tot de door belanghebbende gemaakte kosten, zo verstaat het Hof belanghebbendes stelling, vormt geen bijzondere omstandigheid. De Rechtbank heeft terecht met toepassing van het puntenstelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht de Ontvanger veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.

Het Hof merkt hierbij op dat het Gemeenschapsrecht niet aan de toepassing van het puntenstelsel in de weg staat.

4.5.3. Gelet op het in 4.5.1 en 4.5.2 vermelde dient vraag C onder 3.1 ontkennend te worden beantwoord, met dien verstande dat belanghebbende voor wat betreft de bezwaarfase geen recht heeft op een enige vergoeding van gemaakte proceskosten.

4.6. Gelet op al het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd

5. Griffierecht

De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht in verband met de procedure bij het Hof geheel of gedeeltelijk vergoedt.

6. Proceskosten van belanghebbende in hoger beroep

Het hoger beroep is ongegrond. Het Hof acht geen termen aanwezig ten aanzien van de Ontvanger een veroordeling in de proceskosten uit te spreken.

7. Proceskosten van de Ontvanger in hoger beroep

7.1. De Ontvanger heeft het Hof verzocht bij ongegrondverklaring van het hoger beroep hem ten laste van belanghebbende een "forfaitaire kostenvergoeding" toe te kennen.

7.2. De Ontvanger heeft aangevoerd dat de gemachtigde van belanghebbende hem vóór de zitting in een gesprek heeft medegedeeld dat ervan moest worden uitgegaan dat hij, de gemachtigde, niet ter zitting zou verschijnen.

De Ontvanger heeft voorts gesteld dat § 15 van het Besluit van 1 juni 2005, nr. CPP2005/1077M hem, de Ontvanger, de mogelijkheid zou hebben geboden van zijn verschijningsplicht af te wijken, ondermeer indien belanghebbende en de Ontvanger een gezamenlijk verzoek aan het Hof hadden gestuurd om de mondelinge behandeling achterwege te laten. In ieder geval had dit onderwerp van gesprek kunnen zijn, aldus de Ontvanger.

Belanghebbendes gemachtigde is overeenkomstig diens mededeling niet verschenen. In verband met een en ander heeft de Ontvanger gesteld dat hem, de Ontvanger, in ieder geval de mogelijkheid is ontnomen om - in gezamenlijk overleg - te overwegen niet te verschijnen.

7.3. De door de Ontvanger aan belanghebbendes gemachtigde verweten gedraging, kort omschreven hierin bestaande dat deze heeft nagelaten over het laten doorgaan van de mondelinge behandeling met de Ontvanger contact op te nemen nu hij zelf al wist niet bij de mondelinge behandeling te zullen verschijnen, vormt geen kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Het Hof acht geen termen aanwezig ten aanzien van belanghebbende een veroordeling in de proceskosten uit te spreken.

8. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 27 juni 2008 door A. Bijlsma, voorzitter, J.W. Verstraate en V.M. van Daalen-Mannaerts, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.