Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD9811

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
12-08-2008
Zaaknummer
103.004.484
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft met juistheid voorop gesteld dat het ingevolge artikel 5:42 lid 1 BW, buiten uitzonderingsgevallen waarvan in dit geval geen sprake is, niet geoorloofd is om binnen de in lid 2 van dat artikel genoemde afstand bomen, heesters of struiken te hebben, zodat in beginsel verwijdering van de betreffende beplanting kan worden gevorderd. Het betoog van [appellant] komt er op neer dat [geïntimeerde] misbruik van bevoegdheid maakt door verwijdering van de haagbeuken te vorderen. Van misbruik van bevoegd kan ingevolge artikel 3:13 lid 2 BW sprake zijn indien de bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Ook kan volgens dit artikellid van misbruik van bevoegdheid sprake zijn indien de betrokken partij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen. [geïntimeerde] heeft ter comparitie toegelicht dat zijn belang bij verwijdering van de haagbeuken daarin is gelegen dat hij niet wenst dat [appellant] voor het onderhoud, zoals het snoeien, op het terrein van [geïntimeerde] komt. Verder heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat de takken over de erfgrens heenkomen waardoor hij hinder ervaart bij het berijden van zijn daarnaast gelegen landbouwperceel met machines en dat bovendien de teelt die langs de erfgrens staat, nat blijft doordat er geen zon bij kan komen. Tegenover het belang van [geïntimeerde] bij verwijdering heeft [appellant] te weinig gesteld. [appellant] heeft zich slechts beroepen op het arrest van dit hof van 13 juni 1993. Nog daargelaten dat in dit arrest niet het oordeel valt te lezen dat een haag binnen een halve meter van een erfgrens toelaatbaar is mits de haag niet hoger is dan twee meter, doet zich in het onderhavige geval een andere situatie voor dan in voormeld arrest. Daar ging het om hoog opschietende bomen die binnen twee meter van de erfgrens stonden, hier gaat het om haagbeuken die binnen een halve meter van de erfgrens staan, terwijl objectieve gronden ontbreken om te concluderen tot onevenredigheid tussen het belang van [geïntimeerde] bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang van [appellant] dat daardoor wordt geschaad. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt bovendien niet in te zien waarom [appellant] wel met recht van [geïntimeerde] verwijdering van de op perceel [..2] staande bomen kan vorderen en [geïntimeerde] niet het recht zou hebben verwijdering van de op perceel [..1] staande haagbeuken te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknr. HD 103.004.484

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht, vierde kamer, van 24 juni 2008,

gewezen in de zaak van:

1. [APPELLANT],

2. [APPELLANTE],

beiden wonende te “woonplaats”,

appellanten bij exploot van dagvaarding van 14 december 2006,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

1. [GEÏNTIMEERDE],

2. [GEÏNTIMEERDE],

beiden wonende “woonplaats”,

geïntimeerden bij voormeld exploot,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

op het hoger beroep tegen het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 15 november 2006 tussen appellanten

- hierna in mannelijk enkelvoud: [appellant] - als eisers in conventie, verweerders in reconventie, en geïntimeerden

- hierna in mannelijk enkelvoud: [geïntimeerde] - als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 154039/HA ZA 05-1988)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede naar het daaraan voorafgaande vonnis van 22 februari 2006.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. [appellant] is van het vonnis van 15 november 2006 tijdig in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft [appellant], onder overlegging van één productie, vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot, kort gezegd, vernietiging van het bestreden vonnis voor zover in reconventie gewezen ten aanzien van de haag op perceel [...] alsmede ten aanzien van de proceskostenveroordeling, met bevestiging van het voor het overige in reconventie gewezen vonnis alsmede van het in conventie gewezen vonnis, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.2. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord de grieven van [appellant] bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep onder de bepaling dat [appellant] de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd is indien hij deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen arrest heeft voldaan.

2.3. Vervolgens hebben partijen de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

3.1. [appellant] legt met zijn grieven aan het hof ter beoordeling voor de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de haag op perceel […] en de veroordeling van [appellant] in de proceskosten in reconventie aan de zijde van [geïntimeerde].

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende, voor zover in hoger beroep van belang.

a. [appellant] heeft een aantal percelen in eigendom aan [adres], onder meer het perceel met nummer [..1] (hierna: perceel [...]). [appellant] exploiteert een kwekerij.

b. [geïntimeerde] heeft een aantal percelen in eigendom aan [adres], waaronder het perceel met nummer [..2] (hierna: perceel [..2]). Op dit perceel worden onder meer aardappels verbouwd.

c. Perceel [..1] grenst aan perceel [..2]. De grens tussen de percelen [..1] en [..2] wordt hierna aangeduid als de perceelsgrens.

d. [appellant] heeft op perceel [..1] binnen een halve meter vanaf de perceelsgrens haagbeuken geplant. De haagbeuken zijn geplant enerzijds als windschut en anderzijds om de kassen van [appellant] aan het zicht te onttrekken.

e. [geïntimeerde] heeft op perceel [..2] binnen twee meter vanaf de perceelsgrens bomen geplant.

f. Partijen hebben zich in 2004 over en weer op het standpunt gesteld dat de haagbeuken en bomen moesten worden verwijderd die op perceel [..1] respectievelijk [..2] binnen de in artikel 5:42 lid 2 BW vermelde afstand tot de perceelsgrens stonden.

g. [geïntimeerde] heeft in 2004 onder meer de onderhavige percelen opnieuw door het Kadaster laten inmeten. Daarbij is de kadastrale grens in het terrein gereconstrueerd en zijn percelen deels van nieuwe nummers voorzien (de nummers [..3] tot en met [..5]).

4.2. [appellant] heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg gedagvaard en in conventie gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis de bomen staande op het perceel van [geïntimeerde] binnen de afstand van twee meter van de grenslijn van het perceel van [appellant] te verwijderen en verwijderd te houden, alsmede het stuk grond van [appellant] dat door [geïntimeerde] onrechtmatig in gebruik is genomen binnen diezelfde termijn te ontruimen en ontruimd te houden, één en ander op straffe van een dwangsom, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.

4.3. [geïntimeerde] heeft in conventie verweer gevoerd en in reconventie onder meer gevorderd [appellant] te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis de bomen, struiken en andere houtopstanden, staande binnen afstanden van twee meter (bomen) dan wel 50 cm (struiken) van de erfgrens tussen de percelen [..0] en [..2] alsmede van de erfgrens tussen de percelen [..1] en [..2] te verwijderen en verwijderd te houden, onder verbeurte van een dwangsom. Tevens heeft [geïntimeerde] gevorderd dat [appellant] hoofdelijk wordt veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde], te vermeerderen met wettelijke rente indien deze kosten niet tijdig worden voldaan.

4.4. Ten aanzien van perceel [..1] heeft [appellant] zich ter comparitie beroepen op een uitspraak van dit hof van

7 juni 1993, NJ 1994/201 ter onderbouwing van zijn standpunt dat de haag, gevormd door de haagbeuken, binnen een halve meter vanaf de perceelsgrens niet verwijderd behoeft te worden omdat de haag niet meer dan twee meter hoog is. [appellant] heeft in dit verband toegezegd de haag te snoeien tot een hoogte van twee meter en die hoogte aan te zullen houden. [geïntimeerde] heeft zich ten aanzien van perceel [..2] ter comparitie bereid verklaard de bomen die binnen twee meter van de perceelsgrens staan, weg te halen wanneer [appellant] zich ook aan de regels houdt.

4.5. De rechtbank heeft bij vonnis van 15 november 2006 in conventie [geïntimeerde] veroordeeld om binnen twee weken na betekening van het vonnis de 18 bomen op perceel [..2] te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom. Tevens is [geïntimeerde] in conventie in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft bij dit vonnis [appellant] in reconventie veroordeeld om binnen twee weken na betekening van het vonnis de haag staande op perceel 280, alsmede de haag op perceel [...] te verwijderen en verwijderd te houden, zulks op straffe van een dwangsom. Tevens is [appellant] in reconventie hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld.

4.6. De grieven I tot en met III zijn gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.6. tot en met 3.8. van het vonnis van 15 november 2006. In de toelichting op die grieven stelt [appellant] dat de vordering van [geïntimeerde] tot verwijdering van de haag op perceel [..1] in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en derhalve moet worden afgewezen. [appellant] legt het arrest van dit hof van 13 juni 1993 aldus uit dat het niet van belang is dat de haagbeuken zich binnen een afstand van een halve meter tot de perceelsgrens bevinden, omdat een heg ook binnen die afstand toelaatbaar is wanneer de heg niet hoger is dan – in zijn algemeenheid – twee meter. De in geding zijnde heg, gevormd door de haagbeuken, doet dienst als scheidsmuur en is niet hoger dan twee meter en zal ook niet hoger worden dan twee meter, zodat de heg voldoet aan alle vereisten, aldus [appellant].

4.7. Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft met juistheid voorop gesteld dat het ingevolge artikel 5:42 lid 1 BW, buiten uitzonderingsgevallen waarvan in dit geval geen sprake is, niet geoorloofd is om binnen de in lid 2 van dat artikel genoemde afstand bomen, heesters of struiken te hebben, zodat in beginsel verwijdering van de betreffende beplanting kan worden gevorderd. Het betoog van [appellant] komt er op neer dat [geïntimeerde] misbruik van bevoegdheid maakt door verwijdering van de haagbeuken te vorderen.

4.8. Van misbruik van bevoegd kan ingevolge artikel 3:13 lid 2 BW sprake zijn indien de bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Ook kan volgens dit artikellid van misbruik van bevoegdheid sprake zijn indien de betrokken partij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen. [geïntimeerde] heeft ter comparitie toegelicht dat zijn belang bij verwijdering van de haagbeuken daarin is gelegen dat hij niet wenst dat [appellant] voor het onderhoud, zoals het snoeien, op het terrein van [geïntimeerde] komt. Verder heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat de takken over de erfgrens heenkomen waardoor hij hinder ervaart bij het berijden van zijn daarnaast gelegen landbouwperceel met machines en dat bovendien de teelt die langs de erfgrens staat, nat blijft doordat er geen zon bij kan komen. Tegenover het belang van [geïntimeerde] bij verwijdering heeft [appellant] te weinig gesteld. [appellant] heeft zich slechts beroepen op het arrest van dit hof van 13 juni 1993. Nog daargelaten dat in dit arrest niet het oordeel valt te lezen dat een haag binnen een halve meter van een erfgrens toelaatbaar is mits de haag niet hoger is dan twee meter, doet zich in het onderhavige geval een andere situatie voor dan in voormeld arrest. Daar ging het om hoog opschietende bomen die binnen twee meter van de erfgrens stonden, hier gaat het om haagbeuken die binnen een halve meter van de erfgrens staan, terwijl objectieve gronden ontbreken om te concluderen tot onevenredigheid tussen het belang van [geïntimeerde] bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang van [appellant] dat daardoor wordt geschaad. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt bovendien niet in te zien waarom [appellant] wel met recht van [geïntimeerde] verwijdering van de op perceel [..2] staande bomen kan vorderen en [geïntimeerde] niet het recht zou hebben verwijdering van de op perceel [..1] staande haagbeuken te vorderen.

4.9. De grieven I tot en III falen, zodat [appellant] in eerste aanleg op goede gronden in de proceskosten is veroordeeld en grief IV eveneens faalt.

4.10. [appellant] zal als de ook in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde]. Tevens wordt [appellant] veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten indien [appellant] deze kosten niet tijdig voldoet, dat wil zeggen binnen veertien dagen na betekening van dit arrest.

5. De uitspraak

het hof:

I. bekrachtigt het vonnis van 15 november 2006 voor zover dit aan het oordeel van het hof is voorgelegd;

II. veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op EUR 296,- wegens vast recht en op EUR 894,- aan salaris procureur, deze kosten te vermeerderen met wettelijke rente indien [appellant] het bedrag van EUR 1.190,- niet voldoet binnen veertien dagen na betekening van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Huijbers-Koopman en Hofkes uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van 24 juni 2008.