Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD9324

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-08-2008
Datum publicatie
05-08-2008
Zaaknummer
20-000569-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

289/45 Sr en 287/45 Sr. Verdachte poogt met revolver schot af te vuren op A, maar raakt B als gevolg van het ingrijpen van een omstander. Hof: verdachte had opzet op het doden van A en heeft daarbij met voorbedachte raad gehandeld. Voorts voorwaardelijk opzet op dood van B. Volgt bewezenverklaring poging tot moord op A, poging tot doodslag op B en het voorhanden hebben van een revolver.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000569-08

Uitspraak : 5 augustus 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 6 februari 2008 in de strafzaak met parketnummer 02-800962-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in PI Z-O, Evertsoord Ter Peel, GEV te Evertsoord.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw in het geding gevoegd. De in het vonnis gegeven beslissing op de vordering van de benadeelde partij is derhalve niet aan het oordeel van het hof onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen, met inbegrip van de beslissingen met betrekking tot het beslag en de vordering van de benadeelde partij, doch met uitzondering van de opgelegde straf en te dien aanzien opnieuw rechtdoende verdachte zal veroordelen ten aanzien van de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten tot 5 jaar gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. zij op of omstreeks 19 augustus 2007 te Breda (in [café 1]) ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, staande op korte afstand van die [slachtoffer 1], een revolver, in elk geval een vuurwapen, heeft gericht op die [slachtoffer 1] en/of daarbij of vervolgens een of meer kogel(s) heeft afgevuurd op die [slachtoffer 1], althans een of meermalen heeft geschoten op/in de richting van die [slachtoffer 1], althans meermalen, althans eenmaal, de trekker van die revolver, in elk geval dat vuurwapen, heeft overgehaald, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

zij op of omstreeks 19 augustus 2007 te Breda (in [café 1]) [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is zij, verdachte opzettelijk dreigend met haar arm(en) vooruit gestrekt in de richting van die [slachtoffer 1] en/of met een jas om haar arm(en) en/of hand(en) gewikkeld, terwijl zij een revolver, in elk geval een vuurwapen in haar hand(en) vast had, op die [slachtoffer 1] toegelopen en/of heeft daarbij geroepen: '[slachtoffer 1], [slachtoffer 1]';

2. zij op of omstreeks 19 augustus 2007 te Breda (in [café 1]) ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, staande op korte afstand van die [slachtoffer 2], met een revolver, in elk geval een vuurwapen, die [slachtoffer 2] in diens kin en/of kaak heeft geschoten, in elk geval een of meer kogels heeft afgevuurd op die [slachtoffer 2], althans een of meermalen heeft geschoten op/in de richting van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

zij op of omstreeks 19 augustus 2007 te Breda (in [café 1]) aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een inschotwond in de kin en een uitschotwond in de kaak), heeft toegebracht, door opzettelijk staande op korte afstand van die [slachtoffer 2], met een revolver, in elk geval een vuurwapen, die [slachtoffer 2] in diens kin en/of kaak te schieten;

tweede subsidiair:

zij op of omstreeks 19 augustus 2007 te Breda (in [café 1]) ter uitvoering van het door haar, verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet staande op korte afstand van die [slachtoffer 2], met een revolver, in elk geval een vuurwapen, die [slachtoffer 2] in diens kin en/of kaak heeft geschoten, in elk geval een of meer kogels heeft afgevuurd op die [slachtoffer 2], althans een of meermalen heeft geschoten op/in de richting van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. zij op of omstreeks 19 augustus 2007 te Breda een wapen van categorie III, te weten een revolver (merk Smith en Wesson, kaliber .357 magnum) voorhanden heeft gehad

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. zij op 19 augustus 2007 te Breda, in [café 1], ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, staande op korte afstand van die [slachtoffer 1], een revolver heeft gericht op die [slachtoffer 1] en daarbij een kogel heeft afgevuurd op die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. zij op 19 augustus 2007 te Breda, in [café 1], ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet, staande op korte afstand van die [slachtoffer 2], met een revolver die [slachtoffer 2] in diens kin heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. zij op 19 augustus 2007 te Breda een wapen van categorie III, te weten een revolver, merk Smith en Wesson, kaliber .357 magnum, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het onder 1 primair en 2 primair, subsidiair en tweede subsidiair moet worden vrijgesproken aangezien in het dossier onvoldoende feiten en omstandigheden aanwezig zijn om opzet, daaronder begrepen voorwaardelijk opzet, op de dood van [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] te bewijzen.

Het hof stelt het volgende vast.

[Getuige 1], de eigenaar van het [café 2] in Breda, verklaart dat [verdachte] en haar zus [getuige 2] op zondag 19 augustus 2007 omstreeks 20:45 uur een handgemeen hadden met aangeefster [slachtoffer 1]. Nadat [getuige 1] hen uit elkaar had gehaald, heeft hij [slachtoffer 1] uit het café gezet. Daarna heeft hij verdachte op haar gedrag aangesproken, haar tijdens de ruzie opgelopen verwondingen aan haar wang behandeld en haar vervolgens medegedeeld dat zij en [getuige 2] moesten vertrekken. Hij verklaart dat verdachte naar zijn indruk niet dronken of aangeschoten was. (Proces-verbaal van verhoor d.d. 31 augustus 2007, PL202M/07-229918 (zonder dossierpagina-vermelding)).

[Getuige 2] heeft verklaard dat verdachte na het verlaten van het [café 2] aan het vloeken en tieren was en zij heeft verdachte horen zeggen dat ze met haar nog niet klaar waren en dat ze naar het café van [getuige 6] (het hof: [café 1]) toe ging om te kijken of [slachtoffer 1] daar was. Zij hoorde verdachte voorts nog zeggen dat ze haar daar nog wel een paar klappen zou geven; in ieder geval verhaal zou gaan halen.

[Getuige 3] was die avond in het [café 1] aanwezig en ontmoette daar [slachtoffer 1] die haar vertelde over de ruzie met verdachte. Toen [getuige 3] op enig moment naar buiten ging om haar gsm op te nemen, zag zij dat er een auto vrij hard kwam aanrijden en recht voor de deur van het [café 1] stopte. Zij verklaart dat een persoon, die zij herkende als verdachte [verdachte], op de bijrijderstoel zat, uitstapte en de deur van de auto dichtgooide. Zij verklaart dat verdachte een goudkleurige doek om haar hand gewikkeld had. [Getuige 3] liep voor verdachte uit het café in. Verdachte kwam eveneens het café in en getuige hoorde haar roepen ‘[naam slachtoffer 1], [naam slachtoffer 1]’. Zij verklaart dat ze zag dat verdachte haar arm strekte in de richting van [slachtoffer 1] en haar handen bij elkaar bracht. Vervolgens hoorde zij een schot en zag een heleboel rook en vuur en zag ook dat [slachtoffer 1] door haar oom naar beneden werd getrokken. (PV van verhoor, PL202M/07-229918, dossierpagina. Blz. 134-135).

[Slachtoffer 1] verklaart dat zij aan de bar stond toen verdachte het café binnenkwam. Zij zag dat verdachte haar armen gestrekt hield en er een beige/goudkleurige jas over had liggen. Onder de jas zag zij een voorwerp uitkomen. Zij verklaart dat verdachte haar armen gestrekt hield en zij hoorde dat verdachte haar naam riep. Zij verklaart dat ze meteen wist dat verdachte een vuurwapen op haar gericht had en zij dook weg. Op dat moment zag zij een vlam en hoorde zij een knal en vluchtte zij vervolgens in doodsangst naar buiten. Zij verklaart dat verdachte op twee meter afstand voor haar stond (PV van aangifte, PL202B/07- 229918, dossierpagina 69-70).

[Getuige 4] verklaart dat [slachtoffer 1] zijn nicht is en dat hij verdachte al van jongs af aan kent. Hij stond die avond met [slachtoffer 1] aan de bar te praten. [slachtoffer 1] heeft hem in tranen over de ruzie met verdachte verteld. [Getuige 4] verklaart dat verdachte met gestrekte armen binnenkwam met daarover heen een jas en dat verdachte riep: ‘[slachtoffer 1]’. Hij ervoer volgens zijn verklaring de gezichtsuitdrukking en de houding van verdachte als dreigend en wel dusdanig dat hij oordeelde te moeten handelen om erger te voorkomen. Toen verdachte hem passeerde en verder op [slachtoffer 1] toeliep, heeft hij verdachte een flinke duw gegeven en tegelijkertijd tegen de onderkant van de uitgestrekte arm van verdachte geslagen. Hij hoorde een enorme knal. Hij rende vervolgens achter de wegvluchtende [slachtoffer 1] aan (PV PL202D/07- 229918 dossierpagina’s 118-119 en PV PL 202M/07 -229918, dossierpagina’s 120-121 en de op 14 januari 2008 bij de rechter-commissaris bij de rechtbank Breda afgelegde verklaring).

[Slachtoffer 2] verklaart in zijn aangifte dat hij die avond, voor het schietincident in [café 1] bij de bar stond te praten met een zekere [getuige 5] (het hof begrijpt uit de stukken dat dit [naam getuige 5] was) die weer naast [slachtoffer 1] stond. Hij draaide zich om op het moment dat hij [slachtoffer 1] hoorde zeggen: ‘Heb het lef eens’ of ‘Durf het maar’ en zag verdachte staan met beide handen gestrekt vooruit en een jas of doek erom heen. Hij omschrijft haar houding als iemand die wilde gaan schieten. Hij hoorde een knal en voelde iets alsof hij een klap tegen zijn kin kreeg. (Proces-verbaal van aangifte, PL202D/07 – 231492, dossierpagina’s 062- 063).

De kogel heeft bij [slachtoffer 2] een in- en uitschot aan de kin veroorzaakt (Proces-verbaal PL202D/07-231492, dossierpagina 239).

[Getuige 5] verklaart dat na het schot verdachte overmeesterd is waarbij hij haar arm omhoog duwde richting plafond en dat hij na verzet van verdachte haar het wapen heeft weten te ontfutselen (Proces-verbaal PL202M/07 – 229918, dossierpagina’s 100 – 102 en 106).

[Getuige 6], de eigenaresse van het café, verklaart dat zij achter de bar stond met haar rug naar het café en dat ze zich na het horen van het schot omdraaide. Vervolgens zag zij de haar bekende verdachte [verdachte] die op dat moment werd vastgehouden met de armen omhoog. Zij heeft toen tegen verdachte gezegd: ‘Waar ben je nu toch mee bezig’ waarop volgens verklaring van deze getuige, verdachte antwoordde: ‘ik laat m’n eigen niet (in mijn gezicht) slaan’.

[Getuige 7] heeft verdachte op straat vlak voor haar arrestatie nog aangesproken. Volgens zijn verklaring heeft verdachte toen tegen hem gezegd dat zij ruzie had gekregen met haar nicht, dat zij al eerder ruzie had gehad met haar nicht en dat zij die nicht had teruggepakt. Toen de politie kwam aanrijden heeft zij gezegd dat ze haar moesten hebben. Volgens deze getuige kwam zij kalm over. (PV PL202M/07-229918, dossierpagina’s 144-145).

Uit het technisch rapport (pagina 243-244 van het ambtsedig proces-verbaal van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek, proces-verbaalnummer PL2034/07-229918) met betrekking tot de in beslaggenomen revolver blijkt dat, nadat het schot was gevallen, de trekker nog driemaal is overgehaald waarbij de haan van de revolver handmatig naar achteren moet zijn gehaald. Het wapen is met gespannen haan aangetroffen.

Met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde, overweegt het hof voorts het volgende.

Uit de hierboven vastgestelde gang van zaken volgt naar oordeel van het hof dat verdachte na de ruzie met [slachtoffer 1] uit is geweest op wraak, zich daartoe een van munitie voorziene revolver heeft verschaft en naar [café 1] is gegaan in de verwachting [slachtoffer 1] daar aan te treffen. Voordat zij naar binnen is gegaan, heeft zij de revolver in haar hand met haar jas afgedekt, is vervolgens het café ingelopen en onder aanroepen van [slachtoffer 1] in schiethouding, met recht vooruit gestrekte armen, op haar afgelopen. Vervolgens heeft zij een schot afgevuurd. Gelet op deze gedragingen is het hof van oordeel dat verdachte opzet had op het doden van [slachtoffer 1]. Bij zijn oordeel betrekt het hof tevens de uitlatingen van verdachte zoals die na het schietincident door getuigen ([getuige 6]; [getuige 7]) zijn gehoord. Dat verdachte het beoogde slachtoffer niet heeft getroffen is kennelijk (mede) het gevolg van het ingrijpen van [getuige 4]. Het oordeel van het hof impliceert dat verdachte ook bewust de trekker heeft overgehaald, althans haar vinger schietklaar aan de trekker had op het moment dat zij werd geduwd. Of het schot nu al dan niet tengevolge van de duw is afgegaan kan gelet op de vastgestelde gedragingen van verdachte verder in het midden blijven. Daarbij betrekt het hof tevens het resultaat van het hierboven genoemde technisch onderzoek aan de revolver waaruit blijkt dat verdachte in ieder geval na het afgevuurde schot de trekker nog drie maal heeft overgehaald.

Het hof is tevens van oordeel dat uit het geheel van de gedragingen van verdachte volgend op de ruzie en voorafgaande aan het schieten alsmede gelet op de tijd die daartussen verstreken is, niet anders kan worden afgeleid dan dat verdachte met voorbedachte raad en dus niet in een opwelling heeft gehandeld.

Met betrekking tot het onder 2 primair bewezen verklaarde overweegt het hof het volgende.

Hoewel het opzet van verdachte was gericht op het treffen van [slachtoffer 1] is de zich vlak in de buurt van [slachtoffer 1] bevindende [slachtoffer 2] door de door verdachte afgevuurde kogel in zijn kaak geraakt. Het hof is van oordeel dat verdachte dit kan worden aangerekend in die zin dat verdachte blijkens haar gedraging de aanmerkelijke kans dat iemand anders door de kogel zou worden getroffen willens en wetens heeft aanvaard en op de koop heeft toegenomen. Het hof overweegt daartoe dat [slachtoffer 2] zich in de nabijheid van het beoogde slachtoffer bevond, dat verdachte volgens eigen verklaring geen enkele ervaring met de omgang van een wapen, dus ook niet met een revolver had, en dat er bovendien meerdere personen in het café aanwezig waren. Zij liep af op een groep van 4-5 mensen, onder wie het beoogde slachtoffer in een schiethouding, met armen en handen bedekt met een jas. Alsdan was er een aanmerkelijke kans dat iemand – het beoogde slachtoffer of omstanders – die onraad kon vermoeden, zou ingrijpen en haar zou duwen of slaan, dat daardoor het schot van de beoogde richting zou veranderen en een omstander zou treffen. Daarbij overweegt het hof dat naar algemene ervaring de kans aanmerkelijk is dat een kogel in een dergelijk geval een zich dichtbij bevindende omstander raakt en dat de kans eveneens aanmerkelijk is dat het afschieten van een dergelijke kogel dodelijk is.

Het hof acht de voorbedachte raad op de dood van [slachtoffer 2] gelet op de vastgestelde gang van zaken niet bewezen.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, juncto artikel 289, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, juncto artikel 287, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 3 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, juncto tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Zij worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- het gewelddadig karakter van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die daarvan het gevolg is. Dit geldt in het bijzonder nu verdachte de feiten heeft gepleegd in een café in aanwezigheid van de zich daar bevindende bezoekers.

In het voordeel van verdachte heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat zij niet eerder ter zake geweldsdelicten is veroordeeld en de betrekkelijk geringe gevolgen voor de slachtoffers van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten.

Het hof is van oordeel dat geen vrees voor herhaling bestaat, aangezien noch uit de stukken, noch uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat verdachte een gewelddadig persoon zou zijn.

De na te melden in beslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met behulp waarvan het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 45, 57, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair (met uitzondering van de voorbedachte raad) en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1. Poging tot moord.

2. Poging tot doodslag.

3. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie,

terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- een revolver, Smith & Wesson .357 magnum,

- 5 patronen S & B Browning 9 mm kaliber,

- een huls, S & B Browning 9 mm kaliber.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. J. Huurman-van Asten en mr. N.J.M. Ruyters,

in tegenwoordigheid van mw. H. Van Zandbeek, griffier,

en op 5 augustus 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.C.A.M. Claassens, mr. N.J.M. Ruyters en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.