Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD8153

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-05-2008
Datum publicatie
22-07-2008
Zaaknummer
20-002816-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld wegens sigarettensmokkel, witwassen en deelname aan een criminele organisatie tot gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002816-06

Uitspraak : 9 mei 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 11 juli 2006 in de strafzaak met parketnummer 03-993055-04 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1973],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1, 3 en onder 4 is ten laste gelegd.

De rechtbank heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde de periode waarin het bewezen verklaarde is gepleegd gesteld op 1 januari 2002 tot en met 15 juni 2004. Naar het oordeel van het hof zijn de gedragingen gepleegd voor die periode als zelfstandige strafrechtelijk relevante verwijten te duiden en is de vrijspraak terzake mitsdien als een “beschermde” vrijspraak aan te merken.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde richt het beroep zich blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, niet tegen het ten laste gelegde voor zover dat ziet op de periode die is gelegen voor 1 januari 2002.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, alsmede een geldboete ten bedrage van € 25.000,=, subsidiair 260 dagen hechtenis.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis – voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Voorts begrijpt het hof de overweging van de rechtbank, waarin wordt overwogen dat verdachte zich nog niet lijkt te hebben gedistantieerd van soortgelijke feiten (vonnis onder 11.2) aldus dat de rechtbank ten nadele van verdachte acht heeft geslagen op een de verdachte betreffende lopende strafzaak waarin ten tijde van het wijzen van het vonnis door de rechtbank in de onderhavige zaak en ook thans, ten tijde van het wijzen van arrest door het hof, nog geen rechterlijk oordeel ten aanzien van de vragen van art. 348-350 Sv is gegeven. Ook op die grond wordt het vonnis vernietigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover thans van belang – ten laste gelegd dat:

1.

hij op één (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode gelegen tussen 1 januari 2002 tot en met 15 juni 2004 te Heerlen en/of Simpelveld en/of Hoensbroek (gemeente Heerlen) en/of Landgraaf en/of Nijmegen en/of Zwolle, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk één (of meer) accijnsgoed(eren), te weten ten minste ongeveer 17.080.000 stuks sigaretten, althans een (grote) hoeveelheid sigaretten, voorhanden heeft gehad dat/die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing is/zijn betrokken;

3.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 7 mei 2004 te Heerlen en/of Aken en/of Dover, althans (elders) in Nederland en/of

Duitsland en/of Verenigd Koninkrijk, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid geld (betreft (een) geldbedrag(en) in diverse valuta, onder andere ter waarde van ongeveer 4.311.545 Britse Ponden en/of 280.540 Amerikaanse Dollars en/of 51.689 Euro) heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet terwijl hij, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovengenoemde geldbedrag(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2001 tot en met 16 juni 2004 te Heerlen, in elk geval in Nederland opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke en/of rechtsperso(o)n(en), bestaande uit onder meer hem, verdachte, en/of [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] en/of [medeverdachte4] en/of [medeverdachte5] en/of [medeverdachte6] en/of (een) ander(e) perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven,

namelijk (onder meer) het meermalen smokkelen van sigaretten (feit 1) en/of het plegen van valsheid in geschriften (feit 2) en/of het meermalen witwassen van geldbedragen (feit 3);

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft het hof de persoon genoemd in de tenlastelegging als[medeverdachte3]verbeterd gelezen als [medeverdachte3], nu in de tenlastelegging wordt gesproken over “hem, verdachte” en verdachtes voorletters eveneens[x]. zijn. Uit het dossier en ambtshalve is het het hof bekend dat verdachtes vader, [medeverdachte3] tevens als verdachte ter zake van art. 140 Sr is aangemerkt.

In deze weergave van de tenlastelegging zijn eveneens de door de eerste rechter aangebrachte verbeteringen begrepen.

Geldigheid van de dagvaarding

A1.

De rechtbank heeft de inleidende dagvaarding ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde, partieel nietig verklaard, nu ten aanzien van het een gewoonte maken van witwassen de dagvaarding niet nader is verfeitelijkt.

A2.

Het hof is van oordeel dat de dagvaarding voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen.

In de tenlastelegging is tussen haakjes opgenomen dat het gaat om een geldbedragen in diverse valuta onder andere ter waarde van ongeveer 4.311.545 Britse Ponden en/of 280.540 Amerikaanse Dollars en/of 51.689 Euro.

Het hof overweegt in dit verband dat de tenlastelegging moet worden gelezen tegen de achtergrond van de inhoud van het strafdossier. Mede gelet hierop en gelet op het gebruik van het woord “onder andere” heeft de steller van de tenlastelegging kennelijk bedoeld aan te geven dat verdachte deze bedragen in de genoemde periode op verschillende momenten heeft verkregen. De tenlastelegging is daarmee naar het oordeel van het hof voldoende feitelijk..

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, onder 3 en onder 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

Hij op tijdstippen in de periode gelegen tussen 1 januari 2002 tot en met 15 juni 2004 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk accijnsgoederen, te weten een grote hoeveelheid sigaretten, voorhanden heeft gehad die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken;

3.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2002 tot en met 7 mei 2004 te Aken tezamen en in vereniging met een ander een hoeveelheid geld heeft omgezet, terwijl hij en zijn mededader wisten dat bovengenoemd geld – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;

4.

hij in de periode van 1 januari 2002 tot en met 16 juni 2004 in Nederland opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit hem, verdachte, en [medeverdachte1] en [medeverdachte2] en [medeverdachte3] en [medeverdachte4] en [medeverdachte5] en [medeverdachte6], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het smokkelen van sigaretten en het plegen van valsheid in geschrift en het witwassen van geldbedragen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

C1.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

C2.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Het hof overweegt in het bijzonder nog het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

D1.

Op grond van het dossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast.

- In de periode januari 2002 tot en met 15 juni 2004 hebben transporten plaatsgevonden met sigaretten die niet overeenkomstig de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken (hierna: onveraccijnsde sigaretten), mogelijk afkomstig uit Polen en in ieder geval via Duitsland in Nederland ingevoerd en bestemd voor de Nederlandse en Engelse (illegale) markt . Het gaat daarbij in ieder geval om een achttal transporten van respectievelijk 26 maart 2004, 16 april 2004, 18 mei 2004, 4 juni 2004 en 15 juni 2004, 6 augustus 2003, 21 januari 2004 en 21 april 2004;

- Bij bovengenoemde transporten waren (in ieder geval) steeds betrokken verdachte en medeverdachten [medeverdachte2] en [medeverdachte3] Voorts is medeverdachte [medeverdachte1] chauffeur geweest met betrekking tot 4 van eerstgenoemde vijf transporten en medeverdachte [medeverdachte4] is (deels) betrokken geweest bij de administratie van de bestellingen en verspreiding van de met deze transporten ingevoerde sigaretten.[medeverdachte5] is betrokken geweest bij de transporten welke bestemd waren voor de Engelse (illegale) markt. [medeverdachte5] heeft hierover (onder meer) verklaard dat hij zoveel transportopdrachten kreeg dat hij een tweede bus moest aanschaffen en vanaf het voorjaar 2003 tot februari 2004 elke week één rit met sigaretten had (V10/002).

D2.

Het hof leidt uit het vorenstaande af dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen meermalen betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten zoals onder 1 bewezen is verklaard.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde

E1.

Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat op grond waarvan de betrokkenheid van verdachte kan worden vastgesteld bij de wisseltransacties voor zover deze op naam staan van [betrokkene] Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde heeft het hof deze transacties dan ook niet in aanmerking genomen.

E2.

Niet tegenstaande het vorenoverwogene staat vast dat verdachte betrokken is geweest bij een omvangrijke sigarettensmokkel. Verdachte is immers in ieder geval betrokken geweest bij een aantal transporten waarbij grote hoeveelheden sigaretten Nederland zijn ingevoerd zonder dat deze in de heffing waren betrokken en doorgevoerd naar Engeland voor de Engelse (illegale) markt. Gelet op de omvang van deze smokkel, waarbij het hof ervan uitgaat dat verdachte en zijn medeverdachten deze sigaretten niet “om niet” ten behoeve van de afnemers in Engeland hebben getransporteerd, zal – nu niet van een andere “betaalwijze” is gebleken- derhalve ook een aanzienlijke hoeveelheid Engelse ponden ter beschikking van onder meer verdachte zijn gekomen. Dat er sprake is geweest van een dergelijke geldstroom blijkt ook uit het feit dat medeverdachte [medeverdachte1] op 25 mei 2004 door de Engelse Douane is aangehouden met in zijn bezit 100.000 Engelse ponden (Aanvullend proces-verbaal d.d. 9 juni 2005, 4-OPV-002).

Uit het overzicht van alle transacties in verband met het wisselen van gelden door verdachte en medeverdachte [medeverdachte2] (RHV/001 en OPV 4/PV/01) blijkt dat in de bewezen verklaarde periode aanzienlijke hoeveelheden Engelse ponden zijn gewisseld door verdachte, dan wel medeverdachte [medeverdachte2].

[getuige1] verklaart met betrekking tot deze wisseltransacties het volgende: (RHV/001) “In november 2002 heb ik van [verdachte] gevraagd wat die wisseltransacties allemaal te betekenen hadden, waar het geld vandaan kwam en dan wat nonchalant wat hij dan voor geweldige zaken deed. Hij antwoordde vervolgens aarzelend dat de geldbedragen van de handel in sigaretten afkomstig waren.

E3.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte2] een grote hoeveelheid geld heeft omgezet terwijl hij wist dat dit geld afkomstig was van enig misdrijf zoals onder 3 bewezen verklaard.

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde

F.

Met de rechtbank acht het hof op grond van het dossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie. Deze organisatie heeft zich, voor zover in de onderhavige zaak relevant, bezig gehouden met smokkel, het plegen van valsheid in geschrift en witwassen.

Het hof leest de tenlastegelegde en bewezenverklaarde “sigarettensmokkel” en de verwijzing te dezen naar het onder 1 tenlastegelegde in samenhang met het dossier. Daaruit en uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de organisatie zich bezighield met het vanuit het buitenland naar Nederland transporteren van sigaretten zonder dat die sigaretten overeenkomstig de Wet op de accijns in de heffing werden betrokken. Een uitvloeisel van die transporten naar Nederland was het voorhanden hebben in Nederland van onveraccijnsde sigaretten, zoals onder 1 ten laste gelegd.

Tevens had die organisatie in Nederland onveraccijnsde sigaretten voorhanden die naar Engeland werden vervoerd.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat verdachte vóór 1 januari 2002 heeft deelgenomen aan de organisatie.

Van deze organisatie maakten deel uit de personen als genoemd in het onder 4 bewezen verklaarde.

Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat ook [medeverdachte5] als deelnemer van de criminele organisatie moet worden aangemerkt. Uit de stukken blijkt dat medeverdachte [medeverdachte1] heeft verklaard dat hij in de loods aan de [adres] inpakwerkzaamheden heeft verricht met medeverdachte [medeverdachte5] (V5/008). [medeverdachte5] verklaart ook over de laadwerkzaamheden in de loods aan de [adres] en bovendien dat hij “elke week een rit reed waarin sigaretten verstopt waren” (V10/002). [medeverdachte5] verklaart in dat verband niet alleen over 2003 maar ook nog over de periode gelegen na 1 januari 2004.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is voorzien bij artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet op de accijns, juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1º van het Wetboek van strafrecht, en strafbaar gesteld bij artikel 97 van de Wet op de accijns, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 3 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 420bis, eerste lid, aanhef en onder b, juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1º van het Wetboek van strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 4 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 140, eerste lid, van het Wetboek van strafrecht, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

G1.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden alsmede een geldboete ten bedrage van € 25.000,00.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat verdachte niet in staat zal zijn een geldboete van € 25.000,00 te voldoen.

G2.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de mate waarin het bewezen verklaarde heeft geleid tot nadeel voor de maatschappij.

G3.

Bij de straftoemeting heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met de navolgende omstandigheden:

- Verdachte heeft gedurende lange tijd gefunctioneerd in een organisatie die zich bezighield met de grootscheepse invoer en doorvoer van sigaretten die niet in de heffing als bedoeld in de Nederlandse accijnswetgeving waren betrokken.

- Binnen deze organisatie vervulde iedere deelnemer zijn eigen rol dan wel taak. Er werd gebruik gemaakt van de diensten van chauffeurs waaronder [medeverdachte1] en [medeverdachte5], voor het vervoeren van de ladingen onveraccijnsde sigaretten. Verder waren bij de organisatie onder meer nog betrokken medeverdachte [medeverdachte4] voor het (onder meer) opnemen en administreren van de bestellingen en de verspreiding van deze bestellingen, almede [medeverdachte3] en [medeverdachte6] welke hoofdzakelijk waren betrokken bij het laden en lossen van de dozen sigaretten. Ook verdachte vervulde een rol binnen de organisatie. Zowel [medeverdachte1], [medeverdachte5] als [getuige2] verklaren over die rol van verdachte binnen de organisatie. Het hof leidt hieruit af dat verdachte binnen deze organisatie zeker geen ondergeschikte rol vervulde.

- In het dossier is becijferd dat de Nederlandse Staat ernstig financieel nadeel is berokkend door het niet afdragen van de heffing ingevolge de Wet op de accijns (2/OPV/1 p. 18)

- Verdachte was bovendien behulpzaam bij het witwassen van grote sommen geld.

G4.

Het vorenstaande brengt mee dat naar het oordeel van het hof niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Met oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Voor het opleggen van een geldboete naast de vrijheidsbenemende sanctie acht het hof, mede gelet op de financiële situatie van verdachte geen aanleiding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63, 140 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 5 (oud) en 97 van de Wet op de accijns, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1, onder 3 en onder 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1, onder 3 en onder 4 bewezen verklaarde oplevert:

1.

Medeplegen van opzettelijke overtreding van een in artikel 5 (oud) van de Wet op de accijns opgenomen verbod,

en

Medeplegen van opzettelijke overtreding van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, meermalen gepleegd.

3.

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

4.

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. A. de Lange, voorzitter,

mr. J.W.J. Huige en mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blokx- van Roosmalen, griffier,

en op 9 mei 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.