Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD8139

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-05-2008
Datum publicatie
22-07-2008
Zaaknummer
20-002833-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld wegens sigarettensmokkel en deelname aan een criminele organisatie tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002833-06

Uitspraak : 9 mei 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 11 juli 2006 in de strafzaak met parketnummer 03-995012-04 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1966],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 en onder 3 is ten laste gelegd.

De rechtbank heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde de periode waarin het bewezen verklaarde is gepleegd gesteld op 1 januari 2004 tot en met 15 juni 2004. Naar het oordeel van het hof zijn de gedragingen gepleegd voor die periode als zelfstandige strafrechtelijk relevante verwijten te duiden en is de vrijspraak terzake mitsdien als een “beschermde” vrijspraak aan te merken.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde richt het beroep zich blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, niet tegen het ten laste gelegde voor zover dat ziet op de periode die is gelegen voor 1 januari 2004.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met verbetering van de opgelegde straf en verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van het voorarrest, alsmede tot het verrichten van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis – voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover thans van belang – ten laste gelegd dat:

1.

hij op één (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode gelegen tussen 1 januari 2004 tot en met 15 juni 2004 te Heerlen en/of Simpelveld en/of Hoensbroek (gemeente Heerlen) en/of Landgraaf en/of Nijmegen en/of Zwolle, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk één (of meer) accijnsgoed(eren), te weten ten minste ongeveer 17.080.000 stuks sigaretten, althans een (grote) hoeveelheid sigaretten, voorhanden heeft gehad dat/die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing is/zijn betrokken;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2001 tot en met 16 juni 2004 te Heerlen, in elk geval in Nederland opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke en/of rechtsperso(o)n(en), bestaande uit onder meer hem, verdachte, en/of [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] en/of [medeverdachte4] en/of [medeverdachte5] en/of [medeverdachte6] en/of (een) ander(e) perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk (onder meer) het meermalen smokkelen van sigaretten (feit 1) en/of het meermalen

witwassen van geldbedragen (feit 2);

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

In deze weergave van de tenlastelegging zijn de door de eerste rechter aangebrachte verbeteringen begrepen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode gelegen tussen 1 januari 2004 tot en met 15 juni 2004 te Simpelveld, tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk accijnsgoederen, te weten een grote hoeveelheid sigaretten, voorhanden heeft gehad die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken;

3.

hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 16 juni 2004 in Nederland opzettelijk heeft deel genomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit hem, verdachte, en [medeverdachte1], en [medeverdachte2] en [medeverdachte3] en [medeverdachte4] en [medeverdachte5] en [medeverdachte6], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het smokkelen van sigaretten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Het hof overweegt in het bijzonder nog het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

Verdachte heeft verklaard dat hij op 26 maart 2004, 16 april 2004, 18 mei 2004 en 15 juni 2004 als chauffeur dozen gevuld met sigaretten per “bakwagen” cq vrachtauto heeft getransporteerd vanuit Duitsland naar Nederland en die zendingen heeft afgeleverd bij de [adres1] Verdachte heeft voorts met betrekking tot het vervoer verklaard dat hij vanaf het begin wist dat hij “dingen deed die niet mochten” alsmede dat hij wist dat hij “illegaal sigaretten vervoerde” (V5/001) en dat hij (op enig moment) heeft gezien dat op de pakjes sigaretten geen accijnszegels waren aangebracht (V5/007). Bij het lossen van de dozen sigaretten was steeds medeverdachte [medeverdachte2] aanwezig. Verder blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting dat bij deze transporten in ieder geval ook steeds waren betrokken medeverdachten [medeverdachte3] en [medeverdachte1]

Het hof leidt uit het vorenstaande af dat verdachte vier maal tezamen en in vereniging met anderen betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van sigaretten die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken (hierna: onveraccijnsde sigaretten) zoals onder 1 bewezen is verklaard.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde

Met de rechtbank acht het hof op grond van het dossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie. Deze organisatie heeft zich, voor zover in de onderhavige zaak relevant, bezig gehouden met smokkel.

Het hof leest de tenlastegelegde en bewezenverklaarde “sigarettensmokkel” en de verwijzing te dezen naar het onder 1 tenlastegelegde in samenhang met het dossier. Daaruit en uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de organisatie zich bezighield met het vanuit het buitenland naar Nederland transporteren van sigaretten zonder dat die sigaretten overeenkomstig de Wet op de accijns in de heffing werden betrokken. Een uitvloeisel van die transporten naar Nederland was het voorhanden hebben in Nederland van onveraccijnsde sigaretten, zoals onder 1 ten laste gelegd.

Tevens had die organisatie in Nederland onveraccijnsde sigaretten voorhanden die naar Engeland werden vervoerd.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat verdachte vóór 1 januari 2004 heeft deelgenomen aan de organisatie.

Verdachte verklaart zelf dat medeverdachte [medeverdachte2] hem rond december 2003 benaderde met de vraag of hij wat wilde bijverdienen en hem kort na zijn verjaardag – dus kort na 18 januari 2004 zo begrijpt het hof – meer concreet vertelde hoe hij, verdachte, wat kon bijverdienen. Verdachtes eerste transport heeft plaatsgevonden in maart 2004 voor welk transport hij enkele dagen eerder een auto had gehuurd. Gelet op het voorgaande is een kortere periode bewezen verklaard dan ten laste gelegd.

Van deze organisatie maakten deel uit de personen als genoemd in het onder 3 bewezen verklaarde.

Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat ook [medeverdachte5] als deelnemer van de criminele organisatie moet worden aangemerkt. Uit de stukken blijkt dat verdachte heeft verklaard dat hij in de loods aan de [adres2] inpakwerkzaamheden heeft verricht met medeverdachte [medeverdachte5] (V5/008). [medeverdachte5] verklaart ook over de laadwerkzaamheden in de loods aan de [adres2] en bovendien dat hij “elke week een rit reed waarin sigaretten verstopt waren” (V10/002). [medeverdachte5] verklaart in dat verband niet alleen over 2003 maar ook nog over de periode gelegen na 1 januari 2004.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is voorzien bij artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet op de accijns, juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1º van het Wetboek van strafrecht, en strafbaar gesteld bij artikel 97 van de Wet op de accijns, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 3 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 140, eerste lid, van het Wetboek van strafrecht, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van het voorarrest, alsmede een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit aan verdachte in ieder geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de straftoemeting heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met de navolgende omstandigheden:

Verdachte heeft een viertal transporten als chauffeur verricht en hand- en spandiensten geleverd in en ten behoeve van een organisatie die zich bezig hield met grootscheepse invoer en doorvoer van – uiteindelijk - miljoenen onveraccijnsde sigaretten.

Binnen deze organisatie vervulde iedere deelnemer zijn c.q. haar eigen rol dan wel taak. [medeverdachte1] en [medeverdachte3] vervulden een bovengeschikte, leidende rol. Verder waren bij de organisatie onder meer nog betrokken [medeverdachte4] voor het (onder meer) opnemen en administreren c.q. distribueren van de bestellingen en [medeverdachte2], die hoofdzakelijk was betrokken bij het laden en lossen van de dozen sigaretten alsmede het distribueren. Verdachtes aandeel was niet zozeer van organisatorische aard maar uitvoerend.

In het dossier is becijferd dat de Nederlandse Staat ernstig financieel nadeel is berokkend door het niet afdragen van de heffing ingevolge de Wet op de accijns (2/OPV/1 p. 18).

Verdachte en zijn medeverdachten hebben gehandeld met het oog op financieel gewin, waaronder begrepen besparing van accijns. Hoewel het hof van oordeel is dat het vorenstaande verdachte zwaar moet worden aangerekend is het het hof niet gebleken noch aannemelijk geworden dat verdachte zelf, gelet op de rol die hij binnen de organisatie vervulde, een groot financieel voordeel heeft genoten.

Sinds het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden is bovendien inmiddels geruime tijd verstreken terwijl niet is gebleken dat verdachte sedertdien nog ter zake andere strafbare feiten veroordeeld is.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het hof de straf zoals door de rechtbank opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, in beginsel een juist uitgangspunt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte inmiddels geen betaalde baan meer vervult aangezien hij de verzorging van zijn ernstig zieke echtgenote op zich heeft genomen.

Het vorenstaande in samenhang met de omstandigheid dat bij het hof door het onderzoek ter terechtzitting de indruk is ontstaan dat verdachte zijn leven ten goede heeft gekeerd, is voor het hof aanleiding tot het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf alsmede een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor na te melden duur.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 en onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 en onder 3 bewezen verklaarde oplevert:

1.

Medeplegen van opzettelijke overtreding van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, meermalen gepleegd.

3.

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van

240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Aldus gewezen door

mr. A. de Lange, voorzitter,

mr. J.W.J. Huige en mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blokx- van Roosmalen, griffier,

en op 9 mei 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.