Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD7677

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2008
Datum publicatie
18-07-2008
Zaaknummer
HV 200.005.383 & HV 200.005.403
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

* Niet-ontvankelijk o.g.v. BW 3:303 : géén in rechte te respecteren belang.

* Onder zowel oud als nieuw recht (Fw) geldt dat de rechter de vrijheid heeft om de WSNP tussentijds te beëindigen als alsnog blijkt dat schuldenaar niet te goeder trouw is geweest t.a.v. ontstaan / onbetaald laten van schulden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MB

10 juli 2008

Sector civiel recht

Zaaknummers HV 200.005.403/01 en HV 200.005.383/01

Zaaknummers eerste aanleg 07/445 en 07/446

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Arrest

In de zaken in hoger beroep van:

[X.], en [Y.],

echtelieden, beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna: de man en de vrouw,

procureur: mr. E.G.M. van Ewijk.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de respectieve vonnissen van de rechtbank Breda van 24 april 2008, waarvan de inhoud bij appellant(-en) bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschriften, ingekomen ter griffie op 6 mei 2008, hebben de man en de vrouw ieder voor zich verzocht het vonnis waarvan beroep, te vernietigen, althans te bekrachtigen onder verbetering van gronden.

2.2. Gelet op de verknochtheid van de voormelde onder HV 200.005.383/01 en HV 200.005.403/01 ter griffie ingeschreven zaken heeft het hof de voeging daarvan gelast, opdat zij gezamenlijk zullen worden behandeld en beslist.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 juni 2008.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaat mr. F.G.D. Pykstra;

- de heer A. Brekelmans, bewindvoerder.

Mr. T.M. Schraven, de curator in het faillissement van [Z.] Adviesgroep B.V. die het inleidende verzoek heeft ingediend om de schuldsaneringsregelingen van de man en de vrouw tussentijds te beëindigen (hierna: de curator), heeft schriftelijk te kennen gegeven dat hij niet aanwezig zal zijn ter zitting. Dit om onverantwoorde kosten voor de boedel te voorkomen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift; en

- de faxbrief met bijlagen van de curator in het faillissement van [Z.] Adviesgroep B.V. d.d. 24 juni 2008.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van de beroepschriften.

4. De beoordeling

4.1. Bij respectieve vonnissen van 8 mei 2007 is ten aanzien van zowel de man als de vrouw de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

4.2.1. Bij vonnis(-sen) waarvan beroep, heeft de rechtbank het verzoek van de curator in het faillissement van [Z.] Adviesgroep B.V. om de toepassing van de schuldsaneringsregelingen van de man en de vrouw tussentijds te beëindigen, afgewezen.

4.2.2. De rechtbank heeft daartoe - kort samengevat - het hiernavolgende overwogen. Ter zitting is komen vast te staan dat tussen de man en de vrouw en de curator verschil van mening is ontstaan omtrent de vraag of zij als feitelijk bestuurder van de op 22 augustus 2006 failliet verklaarde [Z.] Adviesgroep B.V. bedragen aan het vermogen van deze vennootschap hebben onttrokken. De curator heeft gesteld dat de failliete vennootschap in dit kader een vordering heeft op de man en de vrouw van in totaal € 152.019,17.

De man en de vrouw hebben hiertegen opgeworpen dat een en ander op de op 8 mei 2007 gehouden toelatingszitting is besproken, maar dat de rechtbank daarin geen aanleiding heeft gezien het verzoek tot toelating tot de schuldsanerings- regeling af te wijzen.

De rechtbank heeft uiteindelijk geoordeeld dat zolang nog niet vast staat of het verwijt dat de curator de man en de vrouw maakt terecht is, niet beoordeeld kan worden of zij ten aanzien van het ontstaan van vorenbedoelde schuld al dan niet te goeder trouw zijn geweest.

Er bestaat volgens de rechtbank vooralsnog dan ook geen aanleiding de schuldsaneringsregelingen tussentijds te beëindigen. Ingeval mocht komen vast te staan dat de man en de vrouw niet te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan van voornoemde schuld, dan zou dit reden kunnen zijn de schuldsaneringsregelingen alsnog tussentijds te beëindigen, dan wel te beëindigen zonder schone lei, aldus de rechtbank.

4.3.1. Ter zitting bij het hof hebben de man en de vrouw de eerste drie door hen in eerste aanleg opgeworpen formele verweren - waarnaar zij ook hebben verwezen in hun beroepschriften - ingetrokken. Met betrekking tot het vierde verweer - behelsende dat het in artikel IV van de op 1 januari 2008 in werking getreden Wet van 24 mei 2007 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (hierna: (nieuw) Fw) opgenomen overgangsrecht aan toepassing van artikel 350 lid 3 onder f (nieuw) Fw in de weg staat - hebben de man en de vrouw echter ter zitting bij het hof onverkort gesteld dat de rechtbank dit verweer ten onrechte in het geheel niet heeft betrokken in de overwegingen.

Daarnaast hebben zij ter zitting bij het hof mondeling het petitum van hun beroepschriften aangepast en thans verzocht de uitspraak waarvan beroep te bekrachtigen onder verbetering van gronden.

De man en de vrouw hebben gesteld recht en belang bij het hoger beroep te hebben nu, naar het hof begrijpt, de rechtbank ten onrechte - in strijd met de overgangswetgeving - de mogelijkheid heeft opengelaten tot een tussentijdse beëindiging van de beide schuldsaneringsregelingen.

4.4. Het hof komt, op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, tot de volgende beoordeling.

Ontvankelijkheid

4.4.1. Artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toe komt. Het belang moet voldoende zijn om de rechtsvordering die wordt ingesteld te rechtvaardigen.

Nu de man en de vrouw van het hof dezelfde beslissing verlangen als de rechtbank in eerste aanleg heeft gegeven oordeelt het hof dat de man en de vrouw geen in rechte te respecteren belang hebben bij het - door ieder van hen - ingestelde hoger beroep.

Het hof zal de man en de vrouw dan ook niet-ontvankelijk verklaren in ieders hoger beroep, waarmee aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep niet wordt toegekomen.

4.4.2. Ten overvloede overweegt het hof dat het belang van de man en de vrouw bij dit hoger beroep ook niet kan worden gecreëerd door de, namens de man en de vrouw, ter zitting van het hof opgeworpen interpretatie van het overgangsrecht,

aangezien ook ten tijde van de Faillissementswet zoals deze gold vóór 1 januari 2008 (hierna: (oud) Fw), op grond van de jurisprudentie (zie o.a. HR 12 juli 2002, LJN AE 2508) de wetsgeschiedenis (vergelijk Kamerstukken I 1997/1998, 22969 en 23429, nr.297, blz. 8) de rechter op grond van artikel 350 lid 3 (oud) Fw de mogelijkheid had om de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen, indien, nadat de betrokken schuldenaar tot de regeling was toegelaten, op een later moment alsnog werd ontdekt dat de schuldenaar niet te goeder trouw was geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden.

Per saldo betekent dit dat zowel onder het oude als het nieuwe recht de rechter in beginsel de vrijheid had en heeft om de schuldsaneringsregeling(-en) al dan niet op initiatief van de bewindvoerder direct tussentijds te beëindigen als in een later stadium alsnog de, kennelijk bij de beoordeling van dit verzoekschrift over het hoofd geziene dan wel nog niet gebleken, afwezigheid van de goede trouw van de schuldenaar aan het licht komt. Bij in wezen dezelfde uitkomst behoefde de rechtbank in deze zaak dan ook geen uitspraak te doen over de namens de man en de vrouw bij wege van verweer opgeworpen kwestie van het overgangsrecht.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart zowel de man als de vrouw niet-ontvankelijk in het beroep tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 24 april 2008.

Dit arrest is gewezen door mrs. Pellis, Smeenk-van der Weijden en Schaafsma-Beversluis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 juli 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.