Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD7665

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-07-2008
Datum publicatie
18-07-2008
Zaaknummer
HV 200.002.709
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

"Onderlinge onverenigbaarheid van toelichtende verklaringen van schuldenaar leidt tot de vaststelling dat schuldenaar de goede trouw bij het ontstaan/onbetaald laten van de schulden niet aannemelijk heeft gemaakt. Daaraan doet niet af dat schuldenaar wel aannemelijk heeft gemaakt dat zij de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen, nu artikel 288 lid 1b en 1c cummulatieve vereisten zijn voor toelating tot de schuldsaneringsregeling."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DvdH

2 juli 2008

Sector civiel recht

Zaaknummer: HV 200.002.709/01

Zaaknummer eerste aanleg: 166347/FT-RK 07.2006

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Arrest

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [X.],

procureur: mr. N.C.A. Elias-Boots.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 25 februari 2008, waarvan de inhoud bij [X.] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 29 februari 2008, heeft [X.] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, op haar alsnog de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juni 2008. Bij die gelegenheid is [X.] gehoord, bijgestaan door haar advocaat mr. N.C.A. Elias-Boots.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de processen-verbaal van de behandelingen in eerste aanleg van 21 december 2007 en 11 februari 2008;

- de brieven met bijlagen d.dis 14 april 2008 en 22 april 2008 van de advocaat van [X.];

- het faxbericht met bijlagen d.d. 20 juni 2008 van de advocaat van [X.];

- de ter zitting overhandigde aantekeningen van de advocaat van [X.].

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. [X.] heeft de rechtbank verzocht om ten aanzien van haar de toepassing van de schuldsanerings¬regeling uit te spreken. De totale schuldenlast bedraagt blijkens de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (hierna: Fw) d.d. 7 april 2008

€ 33.582,43, waaronder meerdere schulden aan telecombedrijven voor een totaalbedrag van ruim € 15.600,-- (schulden onder nummer 1,5,6,8,9,11,14,17,18 en 19), circa € 3.000,-- aan postorderbedrijven (schulden 2,3,4, en 13) en een schuld aan Nuon van ruim € 3.200,--. Uit genoemde verklaring blijkt niet waarom het minnelijke traject is mislukt.

4.2.1. Bij vonnis waarvan beroep is het verzoek van [X.] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 (nieuw) lid 1 sub c Fw overwogen dat [X.] niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

4.2.2. De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

Op de vervolgzitting blijkt [X.] – nadat de zaak anderhalve maand was aangehouden teneinde haar gelegenheid te geven nadere informatie te verzamelen omtrent de schuldeisers en (herkomst van) de schulden – wederom niet in staat van verschillende schulden op haar schuldenlijst de oorspronkelijke schuldeiser te benoemen. [X.] heeft de rechtbank op geen enkele wijze duidelijkheid kunnen verschaffen over het ontstaan en de aard van meerdere van haar schulden. De rechtbank constateert dat [X.] – ondanks nadrukkelijk verzoek daartoe – de rechtbank onvoldoende heeft geïnformeerd zodat [X.] de rechtbank daarmee onvoldoende in staat heeft gesteld het verzoekschrift te beoordelen, en acht de rechtbank gegronde vrees aanwezig dat zij haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.

4.3. [X.] heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat zij niet in staat was volledige inlichtingen te verschaffen ter zitting omdat zij medicijnen gebruikt (Pipampero, Sandoz, Mirtazapine en Oxazepam). Voorts voert [X.] aan dat zij wel haar schuldenoverzicht – opgesteld door de gemeente [gemeentenaam] – aan de rechtbank heeft verstrekt. [X.] stelt verder dat zij zich heeft gewend tot ‘Stichting Saldo Plus’ voor hulp bij haar financiële administratie. Tenslotte voert [X.] aan dat zij alles in het werk stelt om een en ander geregeld te krijgen en dat zij zich thans ten volste inspant. Zij is gemotiveerd om de situatie te veranderen en haar problemen op te lossen, aldus [X.].

4.4. Op 1 januari 2008 is in werking getreden de Wet van 24 mei 2007 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuld¬sanerings¬regeling natuurlijke personen. Uit het bepaalde in artikel IV van het in deze wet opgenomen overgangsrecht hebben deze bepalingen onmiddellijke werking. Deze onmiddellijke werking houdt in dat in hoger beroep de situatie met ingang van 1 januari 2008 getoetst moet worden aan cumulatieve criteria van artikel 288 (nieuw) lid 1 Fw .

4.5. Ingevolge artikel 288 (nieuw) lid 1 aanhef sub b en c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien [X.] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de uit de schuldsanerings¬regeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (sub c) en indien [X.] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest (sub b). Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandig¬heden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol: de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin [X.] een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten en het gedrag van [X.] voor wat betreft haar inspanningen de schulden te voldoen of acties van haar zijde om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

4.6. Aan [X.] kan worden toegegeven dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij bereid is haar plichten in de schuldsaneringsregeling naar behoren na te komen en zich voldoende in te spannen. Het hof begrijpt dat men bij Saldo Plus tevreden is over de medewerking van [X.] en dat zij daar een positief rekeningsaldo heeft. Het hof acht ook wel aannemelijk dat [X.] inmiddels orde heeft gebracht in haar administratie en ter zitting maakte zij een gemotiveerde indruk. Dit laat echter onverlet dat [X.] niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van het merendeel van haar schulden te goeder trouw is geweest. Het hof overweegt als volgt.

4.7. In de brief van Plangroep [plaatsnaam] d.d. 21 januari 2008 staat vermeld dat [X.] gedurende een half jaar in 2001/2002 een familie [Y.] onderdak heeft verleend in haar huis en dat deze familie verantwoordelijk is voor het ontstaan van de schulden. Ter zitting van het hof echter heeft [X.] verklaard dat zij de familie [Y.] niet een half jaar, maar vier à vijf jaar kosteloos in haar woning heeft toegelaten.

Verder blijkt uit de opsomming van de schulden (volgens voormeld schrijven van Plangroep [plaatsnaam] op 6 augustus 2007 getekend) dat vrijwel alle schulden zijn ontstaan in 2006/2007, althans in ieder geval nadat de familie [Y.] – blijkens de verklaring van [X.] zelf – de huurwoning aan de [adres] had verlaten. De inspectie van de woningbouw was verricht en daarbij is tevens schuld nummer 16 ontstaan op 27 februari 2006, te weten een schuld van [X.] van € 5.612,65 aan de Stichting Volkshuisvesting [plaatsnaam].

Het hof is derhalve van oordeel dat vorenstaande verklaringen onderling onverenigbaar en, voor zover door [X.] naar voren gebracht, ten dele ook ongeloofwaardig zijn. Daarbij heeft [X.] geen enkel bewijsstuk overgelegd dat de juistheid van haar verklaringen, wat daarvan verder zij, ondersteunt.

4.8. Het hof zal voormeld vonnis bekrachtigen met verbetering van gronden.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep met verbetering van gronden.

Dit arrest is gewezen door mrs. Gründemann, De Klerk-Leenen en Noordijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 2 juli 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.