Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD6499

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-07-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
20-004396-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof geeft in overweging aan het openbaar ministerie te bevorderen om in het kader van eventuele invrijheidstelling bijzondere voorwaarden op te leggen die strekken tot behandeling van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-004396-07

Uitspraak : 8 juli 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 22 november 2007 in de strafzaak met parketnummer 02-811214-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1982],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Koning Willem II te [woonplaats].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte subsidiair is tenlastegelegd (doodslag) en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot acht jaren gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, met terbeschikkingstelling van de verdachte van de regering, met verpleging van overheidswege, en voorts met teruggave van een shirt aan de verdachte en met onttrekking aan het verkeer van voorwerpen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks [pleegdatum] te [pleegplaats] opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een of meer fles(sen), in elk geval een of meer hard(e) en/of zwa(a)r(e) en/of scherp(e) voorwerp(en), met kracht op/tegen diens hoofd geslagen en/of meermalen, althans eenmaal, met kracht tegen diens hoofd geschopt en/of getrapt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks [pleegdatum] te [pleegplaats] opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een of meer fles(sen), in elk geval een of meer hard(e) en/of zwa(a)r(e) en/of scherp(e) voorwerp(en), met kracht op/tegen diens hoofd geslagen en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met kracht tegen diens hoofd geschopt en/of getrapt,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

tweede subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks [pleegdatum] te [pleegplaats] aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (meerdere zogeheten impressiefracturen aan het hoofd en/of schedelbasisfracturen en/of hersenschade), heeft toegebracht, door opzettelijk die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een of meer fles(sen), in elk geval een of meer hard(e) en/of zwa(a)r(e) en/of scherp(e) voorwerp(en), met kracht op/tegen diens hoofd te slaan en/of meermalen, althans eenmaal, met kracht tegen diens hoofd te schoppen en/of te trappen, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taalfouten voorkomen zijn deze door het hof verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken, immers is niet komen vast te staan dat verdachte zijn handelingen heeft verricht na kalm beraad en rustig overleg.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op [pleegdatum] te [pleegplaats] opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, met een of meer flessen, met kracht op/tegen diens hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van doodslag, aangezien geen sprake was van opzet (ook niet in voorwaardelijke zin) op de dood van het slachtoffer. De bedoeling van de verdachte was slechts het slachtoffer zodanig te verwonden dat hij, verdachte, kon wegkomen uit een bedreigende situatie.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

(i) Uit het obductieverslag van de patholoog [naam patholoog] d.d. 16 mei 2007 blijkt dat het slachtoffer is overleden als gevolg van bloedverlies en weefselschade, waaronder hersenschade door excessief herhaaldelijk botsend en klievend geweld op het hoofd.

Aan het hoofd zijn twee impressiefracturen gevonden, een aan het achterhoofd en een rechts aan het hoofd. Deze waren het gevolg van herhaaldelijke inwerking van zeer hevig uitwendig botsend mechanisch geweld op het hoofd met een of meerdere zware en harde voorwerpen. Het is mogelijk dat met een voorwerp meerdere keren geweld heeft uitgeoefend op min of meer dezelfde plaats.

Tevens waren er aan het hoofd meerdere deels rafelige, deels meer scherprandige huidklievingen en was er een meervoudige verscheuring en klieving van de rechteroorschelp. Dit was het gevolg van herhaaldelijke inwerking van uitwendig klievend en/of verscheurend mechanisch geweld, zoals zou kunnen optreden bij het slaan met een kantig voorwerp of herhaaldelijk trappen, stampen of schoppen. Sommige klievingen waren dermate scherprandig dat voor het ontstaan hiervan ook snijdende voorwerpen zoals een mes of gebroken glas in aanmerking zouden komen.

Bij onderzoek aan de hals werd breuk vastgesteld van de beide grote hoorntjes van het schildkraakbeen. Er was duidelijke bloeduitstorting rondom de breuken en ook tussen de halsspieren met name rechts. Dit was het gevolg van inwerking van uitwendig samendrukkend mechanisch geweld zoals bijvoorbeeld bij (een poging tot) verwurging zou kunnen optreden. Deze geweldsinwerking kan een bijdrage hebben geleverd aan het overlijden, maar de mate waarin dit het geval is, is niet vast te stellen.

(ii) In een brief d.d. 23 mei 2008 heeft de patholoog [naam patholoog] aanvullend gesteld dat voor het afbreken van de diepgelegen benige structuren van het strottenhoofd substantieel geweld nodig is in de zin van het zeer krachtig naar binnen drukken van de verschillende structuren. De afwezigheid van beschadiging van de huid is bij verwurging niet uitzonderlijk. Valpartijen op de hals waarbij de weke delen dermate diep naar binnen worden gedrukt, maar waarbij de huid niet wordt beschadigd, zijn beduidend minder waarschijnlijk. Hoewel het optreden van de geconstateerde beschadiging van de weke delen in het strottenhoofd door bijvoorbeeld een val op (een rand van) een tafel of een op de grond liggend (kantig) voorwerp niet is uitgesloten, maakt het gehele beeld deze hypothese minder waarschijnlijk dan dat de verwondingen door bijvoorbeeld samendrukkend geweld zoals bij verwurging zijn opgetreden.

(iii) De verdachte heeft erkend dat hij het slachtoffer één maal met een fles heeft geslagen en hem op diens hoofd of nek geraakt heeft en dat daarna de fles kapot was (verklaring verdachte 23 maart 2007, blz. 185 en verklaring 4 april 2007, blz. 202).

Er zijn geen aanwijzingen dat het letsel van het slachtoffer (mede) door een derde persoon is toegebracht.

Evenmin is, gelet op de onder(ii) vermelde bevindingen en conclusie van de patholoog, aannemelijk dat het bovenomschreven letsel is ontstaan door een val van het slachtoffer.

(iv) Het hof concludeert uit (iii) dat alle hierboven onder (i) omschreven letsel is toegebracht door de verdachte.

Uit (i) blijkt dat ten minste twee maal zeer hard met een hard en zwaar voorwerp op/tegen het hoofd van het slachtoffer is geslagen. Voorts is aannemelijk dat een of meer klievingen zijn veroorzaakt door/met een kapotte fles. Tenslotte is aannemelijk dat de verdachte het slachtoffer heeft getracht te wurgen, welke poging tot verwurging een bijdrage kan hebben geleverd aan het overlijden.

(v) De onder (iv) omschreven gedragingen van de verdachte roepen, op zichzelf en tezamen, naar hun aard de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer in het leven. De verdachte moet hebben geweten dat hij, door zo te handelen, het slachtoffer zou kunnen doden. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm – met name het met een hard en zwaar voorwerp meermalen zeer hard slaan op/tegen het hoofd - kunnen deze gedragingen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op dit gevolg dat het – behoudens contra-indicaties waarvan te dezen niet is gebleken - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard.

Het hof concludeert daarom dat de verdachte minstgenomen zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat door zijn gedragingen het slachtoffer zou overlijden. Derhalve is minstens sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Het verweer moet dus worden verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft hij gesteld dat de verdachte ogenblikkelijk en wederrechtelijk werd aangerand door een onbekende derde man, die de verdachte plotseling van achteren had vastgegrepen, en door [slachtoffer], die de verdachte ontuchtig betastte. In deze noodweersituatie heeft de verdachte een arm kunnen lostrekken en heeft hij met het eerste het beste voorwerp dat hij te pakken kreeg [slachtoffer] geslagen.

Aldus is, volgens de raadsman, sprake van noodweer of, indien wordt aangenomen dat het door de verdachte toegepaste geweld excessief was, van noodweerexces.

Bovendien was sprake van psychische overmacht. Gelet op de persoonlijkheid van de verdachte, zoals deze wordt beschreven in de rapporten van de psychiater en de psycholoog, en gelet op de aanranding was bij de verdachte sprake van een overweldigende emotie die het hem onmogelijk maakte in vrijheid (anders) te handelen.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het verweer berust, in alle drie varianten, op de stelling van de verdachte dat hij, terwijl hij van achteren werd vastgehouden door een onbekende derde man, werd aangerand door [slachtoffer] en dat hij, om zich aan deze situatie te kunnen onttrekken, zodra hij een arm losgetrokken had, [slachtoffer] met een fles op het hoofd heeft geslagen.

Het hof acht deze stelling van de verdachte niet aannemelijk geworden. In dit verband neemt het hof het volgende in aanmerking:

(i) Van de onbekende derde man is geen spoor te vinden.

(ii) De verdachte heeft aangevoerd dat hij deze onbekende man een kopstoot naar achteren heeft gegeven (verhoor verdachte 23 maart 2007, blz. 185) waarbij hij zijn belager zou hebben geraakt en dat hij nadien een flinke bult op het hoofd had (verklaring verdachte ter terechtzitting rechtbank 8 november 2007). De verdachte is op de dag van zijn aanhouding – 18 februari 2007, dit is twee dagen na het incident – gezien door een arts forensische geneeskunde. Deze heeft in zijn verslag van 18 februari 2007 en in een brief van 30 mei 2008 meegedeeld dat bij de verdachte op diens hoofd geen uitwendige letsels te zien waren en dat geen sprake was van drukpijnlijkheid en voorts dat, als de patiënt zou hebben gezegd dat hij een pijnlijk achterhoofd had, dit in het verslag zou zijn opgenomen, wat niet het geval is.

(iii) De verdachte heeft meermalen verklaard dat hij maar één klap met een fles heeft gegeven. Deze verklaring is ongeloofwaardig. Zoals hierboven bij de bespreking van het opzet van de verdachte reeds is geconcludeerd door het hof, heeft de verdachte meerdere keren met een fles geslagen, terwijl aannemelijk is dat hij bovendien heeft getracht het slachtoffer te wurgen.

(iv) Aan de geloofwaardigheid van de verdachte doet verder afbreuk het feit dat hij pas in zijn veertiende verklaring (op 21 maart 2007) voor het eerst heeft gezegd dat er een onbekende man in het café was geweest, terwijl hij dan nog steeds niet meldt dat hijzelf degene is geweest die [slachtoffer] heeft geslagen (blz. 169) en pas in de vijftiende verklaring (op 22 maart 2007) op de proppen is gekomen met het verhaal dat een onbekende man hem van achteren vastpakte en dat [slachtoffer] hem seksueel aanrandde (blz. 174). In eerdere verklaringen heeft de verdachte, ondanks de confrontatie met sterke bewijzen voor zijn betrokkenheid met name in de vorm van bloedsporen, telkens ontkend dat hij het slachtoffer letsel had toegebracht. Het hof ziet niet goed in waarom de verdachte zo lang zou hebben gewacht om zijn uiteindelijke lezing te geven, die, als zij waar is, mogelijk zijn strafbaarheid zou wegnemen.

(v) Het feit dat het slachtoffer is aangetroffen met ontbloot geslachtsdeel noch het feit dat op de dansvloer een slaapzak neergespreid lag met een pakje condooms erbij bewijst dat de verdachte is aangerand. Deze omstandigheden spreken de uiteindelijke lezing van de verdachte niet tegen, maar bevestigen deze evenmin.

Nu het hof de beweerde aanranding niet aannemelijk acht, ontbeert het verweer feitelijke grondslag en moet het worden verworpen.

Er zijn ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht en de terbeschikkingstelling van verdachte gelast, met verpleging van overheidswege. De verdachte is in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van doodslag zal veroordelen tot eenzelfde straf en maatregel als door de eerste rechter is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op [pleegdatum] zonder enige aanwijsbare reden [slachtoffer] op een gruwelijke wijze van het leven beroofd. Hierdoor is het hoogste rechtsgoed, het recht op leven, van het slachtoffer geschonden en is bij de nabestaanden onherstelbaar leed, verdriet en pijn teweeggebracht. Het onderhavige delict betreft een gewelddadig feit waardoor de rechtsorde zeer ernstig wordt geschokt en dat in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg brengt.

In de regel is de gevangenisstraf die het hof oplegt in geval van doodslag niet minder dan zes jaren. In geen geval kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Strafverhogend is in dit geval de gruwelijke wijze waarop het slachtoffer is doodgeslagen.

Anderzijds dient het hof bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel ook rekening te houden met de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de psychologische en psychiatrische rapportages van respectievelijk [naam psycholoog] en [naam psychiater] waarin zij concluderen dat het ten laste gelegde de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend. Het hof volgt de conclusies van voornoemde deskundigenrapporten op dit punt en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.

Het hof heeft ook acht geslagen op de adviezen van voornoemde rapporten met betrekking tot een eventueel op te leggen maatregel.

Door [naam psycholoog], psycholoog, wordt in het rapport van 1 juni 2007 als volgt geconcludeerd en geadviseerd (voorlaatste bladzijde):

- Indien betrokkene onder druk staat, kan hij doorschieten in achterdochtige gedachten en denkfouten. Betrokkene kan erg impulsief zijn en ook agressieve doorbraken laten zien. Hij heeft een slechte impulscontrole.

- Een integrale aanpak op psychisch en psychosociaal vlak is van groot belang voor een goede slagingskans van een behandeling en daarmee voor een structurele vermindering van het lijden van betrokkene en daarmee het recidive risico.

- Het is aan te bevelen dat betrokkene zo snel mogelijk wordt opgenomen in een sterk gestructureerde behandelingskliniek die gericht is op de behandeling van persoonlijkheidsstoornissen en agressie en verslaving. Te denken valt aan de kliniek Groot Batelaar te Lunteren. Verder is het sterk aan te bevelen de posttraumatische klachten tengevolge van het delict te behandelen met EMDR.

Er bestond eveneens overeenstemming met de mederapporteur dat een voortgezette

detentie van betrokkene naar alle waarschijnlijkheid contraproductief zal zijn ten aanzien van de klachten. Een behandeling kan het beste plaatsvinden in het kader van een TBS met bijzondere voorwaarden.

Door [naam psychiater] psychiater, wordt in het rapport van 28 mei 2007 als volgt geconcludeerd en geadviseerd (bladzijden 15, 16 en 17):

- De kans op herhaling op soortgelijke feiten als het tenlastegelegde is, gelet op de eerdere veroordelingen, niet heel erg groot te achten, doch die kans is aanwezig. Er is een aantal factoren die betrokkene in gunstige zin beschermen, zoals de zeker niet noemenswaardige geweldsdelicten. Daarbij is hij niet crimineel geïdentificeerd. Daar staat tegenover dat de factoren van zijn pathologie zeker een risico geven dat er opnieuw in betrokkenes situatie iets misloopt en men over zijn grenzen gaat, waarop hij zijn impulsreacties niet in staat is te beteugelen.

- Om de kans op recidive te verminderen is het van belang dat, juist omdat een aantal pathologie factoren zo’n belangrijke rol spelen, er een intensieve behandeling wordt ingesteld. Betrokkene is daarvoor gemotiveerd en heeft er de mogelijkheden en achtergrond voor. Geadviseerd wordt een dergelijke behandeling in het kader van een TBS met voorwaarden te doen plaatshebben. Gedacht wordt daarbij vooral aan plaatsing in de kliniek Groot Batelaar. Daarbij wordt opgemerkt dat primair de ADHD en persoonlijkheidsproblematiek in de ogen van de rapporteur de focus van de behandeling moet zijn. Vanzelf spreekt dat de verslavingsproblemen daarbij niet uit het oog mogen worden verloren.

Een belangrijke opmerking van beide rapporteurs is dat juist het type persoonlijkheidsstoornis van betrokkene, namelijk beïnvloedbaarheid en afhankelijkheid belangrijke kernfactoren zijn maakt dat een (langdurig) verblijf in een detentiemilieu negatief kan uitpakken ten aanzien van de beïnvloeding van de recidivekans.

- Op bladzijde 15 van zijn rapport schrijft [naam psychiater]:

De kans voor wat betreft herhaling op feiten zoals nu ten laste gelegd, is gelet op eerdere veroordelingen niet heel erg groot te achten.

Het hof overweegt het volgende.

De maatregel van TBS met voorwaarden is, blijkens art. 38, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht slechts mogelijk in combinatie met een vrijheidsstraf van ten hoogste drie jaren. Zoals hierboven is overwogen, zal het hof een aanzienlijk langere gevangenisstraf opleggen. Daarom kan het advies van de gedragsdeskundigen niet worden gevolgd.

De rapporteurs achten het risico van herhaling kennelijk niet zo groot, dat naar hun oordeel de maatregel van TBS met bevel tot verpleging aangewezen is. Beiden overwegen niet dat, indien TBS met voorwaarden onmogelijk is, slechts TBS met bevel tot verpleging resteert, hoewel met name rapporteur [naam psychiater] (blz. 16 van zijn rapport) er blijk van geeft te hebben beseft dat een combinatie met de maximaal met een TBS met voorwaarden te combineren straf in de ogen van de rechter wel eens niet passend zou kunnen zijn.

Het hof verbindt hieraan de conclusie dat er onvoldoende grond is voor het oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist dat de verdachte van overheidswege moet worden verpleegd. Het hof zal daarom geen bevel geven tot verpleging van overheidswege en daarom ook afzien van het opleggen van de maatregel van TBS.

Hierbij neemt het hof mede het volgende in aanmerking.

Het hof onderkent de wenselijkheid van behandeling van de verdachte.

Op 1 juli 2008 is in werking getreden de Wet van 6 december 2007, Stb. 2007, 500 in verband met de wijziging van de vervroegde invrijheidstelling in een voorwaardelijk invrijheidstelling.

Ingevolge deze wet wordt de veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf, die in zijn geheel onvoorwaardelijk is opgelegd, voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer hij tweederde gedeelte daarvan heeft ondergaan (art. 15, tweede en derde lid, Sr – nieuw).

Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen bijzondere voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde worden gesteld, die onder meer deelname aan programmatische activiteiten gericht op terugkeer in de maatschappij of het ondergaan van bijzondere zorg, zoals verslavingszorg of geestelijke gezondheidszorg kunnen inhouden (art. 15a, tweede en derde lid, Sr – nieuw).

Het hof geeft het openbaar ministerie in overweging te bevorderen dat aan de verdachte, in het kader van diens eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling, bijzondere voorwaarden worden opgelegd die strekken tot behandeling van de veroordeelde.

Nu het hof een gevangenisstraf zal opleggen waarbij de maatregel van TBS met voorwaarden niet mogelijk is, vervalt de noodzaak van een maatregelrapport van de reclassering. Het verzoek van de raadsman om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde alsnog een dergelijk rapport te doen opmaken, wordt daarom afgewezen.

Bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf zijn de in de beslissing als zodanig te noemen goederen aangetroffen en in beslag genomen. Deze aan de verdachte toebehorende voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met wet.

Derhalve zijn deze, nog niet teruggegeven, voorwerpen vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Het hof zal voorts de teruggave aan verdachte gelasten van een onder verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven shirt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 36b, 36c, 36d en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Doodslag.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Vestigt de aandacht op de overweging in dit arrest met betrekking tot eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- 1 knipmes, kleur zilver I(garage M77 stellingkast)

- 8 gripzakken, klein formaat, inhoud wit poeder

- 1 zak inhoudende Walther P99 (garage M77 aanrechtkastje)

- 1 pistool, kleur zwart met rood, Detonis speelgoed (schuur M77 kast (rechts))

- 1 pistool, kleur zwart, M70.45 speelgoed (schuur M77 kast (rechts)) pistool in doos

Gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- 1 shirt, kleur wit.

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. T.A. de Roos,

in tegenwoordigheid van A.J.H.M. van Baast, griffier,

en op 8 juli 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. T.A. de Roos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.