Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD6477

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
06/00212
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2006:AX5785, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het Hof heeft de belanghebbende, gelet op hetgeen onder 2.7 en 2.8 is vermeld, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat hij ooit werkelijk als werknemer in dienst is geweest van A. Veeleer acht het Hof aannemelijk dat de onder 2.3 en 2.4 bedoelde stukken uitsluitend zijn vervaardigd teneinde de belanghebbende in staat te stellen in Nederland gebruik te maken van een (dure) personenauto waarop geen BPM rust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/52.27 met annotatie van Redactie
FutD 2008-1532
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 06/00212

Uitspraak van de Eerste meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de heer X te Y,

hierna: de belanghebbende,

en op het incidentele hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Z,

hierna: de Inspecteur,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 9 mei 2006, nummer AWB 05/911 in het geding tussen

de belanghebbende

en

de Inspecteur,

met betrekking tot de uitspraak op het bezwaar tegen de na te melden beschikking vergunning vrijstelling belasting personenauto's en motorrijwielen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan de belanghebbende is onder nummer XX00000000000 met dagtekening 14 september 2004 een voor bezwaar vatbare beschikking gegeven strekkende tot vrijstelling van de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: de BPM) voor een personenauto, merk Mercedes, type ------, met Luxemburgs kenteken XX 0000 (hierna: de personenauto). De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze beschikking (hierna: de beschikking). Bij uitspraak van 15 februari 2005 heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.2. De belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij de bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard en de Staat gelast het door de belanghebbende ter zake van het beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit hoger beroep heeft de Griffier van de belanghebbende een griffierecht geheven van € 105. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. De belanghebbende heeft het incidentele beroep beantwoord.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 10 januari 2008 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Op 27 juli 2004 heeft de belanghebbende bij brief verzocht een vrijstelling te verlenen van BPM voor de personenauto. De personenauto is niet geregistreerd in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.

2.2. De Inspecteur heeft in reactie op vorenvermelde brief de belanghebbende een aanvraagformulier toegezonden. Het ingevulde formulier, met meerdere bijlagen, wordt door de Inspecteur ontvangen op 10 september 2004. Met dit formulier vraagt de belanghebbende vrijstelling van de BPM op de voet van artikel 14 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet BPM) juncto artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. In het formulier wordt onder meer aangegeven dat de belanghebbende in dienst is van A te Luxemburg (hierna: A) en dat de personenauto door deze vennootschap aan de belanghebbende ter beschikking wordt gesteld. Voorts wordt vermeld dat de belanghebbende bij deze vennootschap werkzaam is als vertegenwoordiger en zich uit dien hoofde bezig houdt met de acquisitie van automobielen en/of leasecontracten.

2.3. Bij het onder 2.2 vermelde formulier is als bijlage onder meer een door de belanghebbende en A ondertekend stuk gevoegd volgens hetwelk tussen hen met ingang van 1 augustus 2004 een arbeidsovereenkomst is gesloten. Volgens dit stuk bedraagt het basissalaris van de belanghebbende "€ 1.200,- (EURO mille deux cent cinquante)" bruto per maand.

2.4. Bij het onder 2.2 vermelde formulier is voorts als bijlage onder meer een namens A opgestelde schriftelijke verklaring van 31 augustus 2004 gevoegd, welke, voor zover te dezen relevant, luidt als volgt:

"This is to certify that Mr. X of B-straat 3, ------ Y, is employed as a salesman by our company as of August 1st, 2004, his task primarily being the acquisition of sales contracts of both cars and lease agreements in Belgium and Germany, although sales activities in the Netherlands should not be excluded.

Mr. C [Hof: kennelijk is bedoeld de belanghebbende] has been given the use of a Mercedes Benz -------, with the (Luxemburg) license plates nr. ------.

Although the above mentioned vehicle mainly serves the purpose of Mr. van X's commercial activities on our behalf, private use is also allowed, and does not incur private expense, other than petrol on longer distances.

The same applies for Mr. van X;s family members.".

2.5. A is een vennootschap naar Luxemburgs recht en is opgericht bij notariële akte van 7 januari 2004. Zij heeft als statutair doel "der Handel mit, respektiv die Vermietung von Personenkraftwagen an Dritte, sowie der Handel mit Autozubehör". Enig bestuurder (Geschäftsführer) is de onder 1.4 genoemde heer D.

2.6. A heeft de personenauto op 9 juli 2004 voor een prijs van € 37.400,= gekocht van een in E gevestigde Mercedes-Benz dealer.

2.7. Op 21 september 2005 heeft de Nederlandse belastingadministratie met betrekking tot A van de Luxemburgse belastingadministratie onder meer de volgende informatie ontvangen:

"Die Gesellschaft (Hof: A) hatte vom 7.1.2004 bis zum 30.6.2004 eine gültige Mehrwertsteuernummer. Der Gesellschaft wurde am 30.6.2004 die Mwstnummer entzogen da sie in Luxemburg weder über einen gültigen Sitz noch über eine gültige Handelsgenehmigung verfügt. Der Umsatz für das Jahr 2004 wurde von Amts wegen geschätzt. Die aktuelle Steuerschuld (ohne die Schätzung für das Jahr 2005) beträgt 35.941,65.- €.

Die Gesellschaft hatte seit ihrer Gründung zu keinem Zeitpunkt Beschäftigte. Weder ... noch ... waren je bei der Gesellschaft A sàrl angemeldet. ... hatten lediglich eine luxemburgische Steuerkarte angefragt, waren jedoch noch nie bei einer luxemburgischen Firma beschäftigt, somit auch nicht bei der A sàrl.".

2.8. In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 2004 heeft de belanghebbende geen inkomsten uit een buitenlandse dienstbetrekking aangegeven.

2.9. Als bijlage bij zijn conclusie van antwoord op het incidentele hoger beroep van de Inspecteur heeft de belanghebbende een kopie overgelegd van een aan A gerichte brief van de Luxemburgse belastingadministratie van 12 juli 2006 volgens welke A op die datum nog een loonbelastingschuld over het jaar 2005 had van € 28,=.

2.10. Met dagtekening 14 september 2004 geeft de Inspecteur de beschikking, waarbij de gevraagde vrijstelling wordt verleend.

2.11. De beschikking wordt de belanghebbende toegezonden bij begeleidende brief van eveneens 14 september 2004, waarin de belanghebbende wordt verzocht vanaf 20 september 2004 tot en met 24 december 2004 een exacte kilometeradministratie bij te houden van de door hem en zijn gezinsleden te verrijden kilometers, te splitsen naar zakelijk en privé-gebruik in respectievelijk Nederland en buiten Nederland. De belanghebbende wordt verzocht deze kilometeradministratie te overleggen voor 31 december 2004.

2.12. Bij brief van 5 oktober 2004, door de Inspecteur ontvangen op 6 oktober 2004, maakt de belanghebbende bezwaar tegen de beschikking. In dit bezwaarschrift wordt vermeld dat de belanghebbende in het bijzonder bezwaar maakt tegen de aan de beschikking verbonden voorwaarden zoals vermeld in de onder 2.11 bedoelde begeleidende brief. Bij brief van 19 november 2004 motiveert de belanghebbende het bezwaar.

2.13. Bij brief van 12 januari 2005 bericht de Inspecteur aan de belanghebbende dat hij de onder 2.11 bedoelde kilometeradministratie niet heeft ontvangen en verzoekt hij de belanghebbende deze administratie alsnog binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief over te leggen.

2.14. Bij brief van 25 januari 2005 bericht de Inspecteur de belanghebbende dat hij voornemens is de beschikking te handhaven en nodigt hij deze uit om gehoord te worden. Tevens biedt de Inspecteur de belanghebbende de gelegenheid de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zien. De belanghebbende maakt geen gebruik van de gelegenheid om gehoord te worden.

2.15. Bij uitspraak van 15 februari 2005 wordt het bezwaar tegen de beschikking ongegrond verklaard.

2.16. Op 16 februari 2005 trekt de Inspecteur de bij de beschikking verleende vrijstelling (hierna: de vrijstelling) in.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is de vrijstelling ten onrechte verleend omdat de belanghebbende geen werknemer is van A, zodat de beschikking dient te worden vernietigd?

II. Indien vraag I ontkennend moet worden beantwoord: Is het in de onder 2.11 vermelde brief opgenomen verzoek van de Inspecteur dat gedurende een bepaalde periode een kilometeradministratie wordt bijgehouden, in strijd met artikel 39 EG-verdrag?

III. Indien vraag I ontkennend moet worden beantwoord: Zijn de in de beschikking ingevolge artikel 14 van de Wet BPM juncto artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 opgenomen voorwaarden waaronder de vrijstelling is verleend, in strijd met artikel 39 EG-verdrag?

De belanghebbende beantwoordt vraag I ontkennend en de vragen II en III bevestigend. De Inspecteur is met betrekking tot al deze vragen de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Partijen hebben hieraan ter zitting, kort weergegeven, het volgende toegevoegd:

De belanghebbende

- Er is sprake van een vrijstelling onder voorwaarden: er moet een kilometeradministratie worden bijgehouden en de kilometers moeten in het buitenland worden verreden. Met deze laatste voorwaarde is de belanghebbende het niet eens.

- De belanghebbende heeft wèl een belang bij het (hoger) beroep.

- De voorwaarden van de vrijstelling zijn in strijd met het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Unie. De voorwaarden leveren een belemmering op voor de werkgever en de werknemer om grensoverschrijdend een arbeidsovereenkomst te sluiten.

De Inspecteur

- Er is nooit een dienstverband van de belanghebbende met A geweest. Hier is de Rechtbank niet op ingegaan, maar dit wordt nadrukkelijk nogmaals aangevoerd.

- Uw Hof wordt gewezen op vergelijkbare zaken met kenmerken BK 02/02469, 00/02852 en 02/02855.

- Er wordt alsnog geconcludeerd tot het vernietigen van de beschikking.

3.3. De belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingediende beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en - naar het Hof verstaat - tot wijziging van de voorwaarden van de beschikking.

De Inspecteur concludeert primair - na het verhandelde tijdens het onderzoek ter zitting - tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de beschikking en subsidiair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de beslissing de Staat te gelasten het door de belanghebbende ter zake van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht te vergoeden en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank voor het overige.

4. Beoordeling van het geschil

Vraag I

4.1. De Inspecteur heeft tijdens het onderzoek ter zitting het incidentele hoger beroep aldus toegelicht, dat aan hetgeen hij heeft gesteld in § 6.4 van het verweerschrift in hoger beroep en in § 5.3 van het verweerschrift in eerste aanleg, namelijk dat de belanghebbende in werkelijkheid niet als werknemer werkzaam was voor een buitenlandse werkgever, de conclusie dient te worden verbonden dat de beschikking moet worden vernietigd.

4.2. Het Hof stelt voorop, dat op de belanghebbende de last rust te bewijzen dat hij voldoet aan de voorwaarden voor de vrijstelling als bedoeld in artikel 14 van de Wet BPM juncto artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992.

4.3. Naar het oordeel van het Hof heeft de belanghebbende, gelet op hetgeen onder 2.7 en 2.8 is vermeld, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat hij ooit werkelijk als werknemer in dienst is geweest van A. Veeleer acht het Hof aannemelijk dat de onder 2.3 en 2.4 bedoelde stukken uitsluitend zijn vervaardigd teneinde de belanghebbende in staat te stellen in Nederland gebruik te maken van een (dure) personenauto waarop geen BPM rust.

4.4. Uit het vorenstaande volgt, dat - mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2007, nr 42029, LJN: AZ8511 - de beschikking moet worden vernietigd.

Vraag II en III

4.5. Gelet op de bevestigende beantwoording van vraag I behoeven de vragen II en III geen beantwoording meer. Tevens volgt uit het onder 4.3 weergegeven oordeel dat niet sprake is van een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 39 van het EG-verdrag (HvJ EG 15 december 2005, Nadin e.a., C-151/04 en C-152/04, Jurispr. blz. I-11203, punt 31), zodat belanghebbendes beroep op dit artikel reeds hierom faalt.

4.6. De verzoeken van de belanghebbende op pagina 6, punten 1, 3 en 4, van de motivering van 15 juli 2006 van diens hoger beroep, kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

Slotsom

4.7. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de beschikking moet worden vernietigd.

5. Griffierecht

5.1. Nu het incidentele hoger beroep van de Inspecteur ertoe leidt dat de uitspraak op bezwaar en de beschikking moeten worden vernietigd, zodat het beroep van de belanghebbende bij de Rechtbank alsnog gegrond moet worden verklaard, dient, gelet op het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het door de belanghebbende voor dat beroep betaalde griffierecht aan hem te worden vergoed. In zoverre dient de uitspraak van de Rechtbank te worden bevestigd, zij het op andere gronden dan deze daartoe heeft gebezigd.

5.2. Nu de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor wat betreft de beslissing omtrent het griffierecht, moet worden vernietigd, dient, gelet op het bepaalde in artikel 27p, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, aan de belanghebbende het door hem ter zake van het hoger beroep betaalde griffierecht door de Staat te worden vergoed.

6. Proceskosten

Nu het door de Inspecteur ingestelde incidentele hoger beroep ertoe leidt dat de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de beschikking moeten worden vernietigd, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten voor wat betreft de procedure voor de Rechtbank, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2,5 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 1.207,50.

Voor wat betreft de kosten van de procedure voor het Hof stelt het Hof deze, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, vast op 2 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 966.

7. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor wat betreft de beslissing omtrent het griffierecht,

- verklaart het bij de Rechtbank ingediende beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de beschikking,

- gelast dat door de Staat aan de belanghebbende het door deze ter zake van het hoger beroep betaalde griffierecht ad € 105 wordt vergoed,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 2.173,50, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op: 5 juni 2008 door G.J. van Muijen, voorzitter, P. Fortuin en J.A. Meijer, in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.