Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD6415

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-05-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
07/00034 en 07/00059
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

.De Hoge Raad besliste in zijn arrest van 12 juni 1991, nr. 24.954 (BNB 1991/254):

"4.3. In cassatie is de vraag aan de orde of belanghebbende voor de premieheffing voor de volksverzekeringen over 1982 over het gehele jaar als verzekerd moet worden aangemerkt en de aanslag tot het juiste bedrag is opgelegd, dan wel of belanghebbende slechts op de dagen waarop hij in Nederland arbeid verrichtte als verzekerd moet worden aangemerkt en de aanslag op basis van een premietijdvak van 106 dagen moet worden vastgesteld.

4.4. Wat betreft het verzekerd zijn ingevolge de Algemene Ouderdomswet (verder: AOW) bepaalt artikel 6, lid 1, aanhef en letter b van deze Wet:

1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die de leeftijd van 15 jaar, doch nog niet die van 65 jaar heeft bereikt, indien hij:

a. ingezetene is

b. geen ingezetene is, doch ter zake van binnen het Rijk in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

4.5. Nu er ten aanzien van de door belanghebbende als docent in deeltijd verrichte arbeid sprake was van het gedurende het gehele jaar regelmatig, namelijk op een dag per week, in dienstbetrekking in Nederland verrichten van arbeid was belanghebbende gedurende het gehele jaar 1982 aan de loonbelasting onderworpen, was hij derhalve dat gehele jaar ingevolge de AOW verzekerd en is van hem ingevolge artikel 26 (in de in 1982 geldende tekst) AOW terecht premie geheven naar de maatstaf van het door hem in 1982 genoten binnenlandse inkomen.

4.6. In de wetten betreffende de andere volksverzekeringen is ter zake van de kring der verzekerden, voor zover te dezen van belang, en voor de premieheffing aansluiting gezocht bij de AOW. De in 4.5 bedoelde gevolgtrekkingen gelden derhalve evenzeer voor deze volksverzekeringen."

Belanghebbende werkte in het onderhavige jaar op 60 dagen in Nederland. Deze dagen lagen regelmatig verspreid over het gehele kalenderjaar. Uit het zojuist geciteerde arrest volgt dan, dat belanghebbende voor het gehele kalenderjaar verzekerd is voor de Nederlandse volksverzekeringen.

Belanghebbende bestrijdt toepasselijkheid van de Verordening. Hij erkent echter - terecht - dat indien de Verordening van toepassing zou zijn, het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel zou worden aangewezen. Bijgevolg is de al-dan-niet toepasselijkheid van de Verordening irrelevant voor de beantwoording van het voorliggende geschil. Is de Verordening van toepassing, dan wijst deze het Nederlandse stelsel aan. Is de Verordening niet van toepassing, dan vloeit belanghebbendes verzekeringsplicht, zoals hierboven uiteengezet, rechtstreeks voort uit de Nederlandse wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/9.25 met annotatie van Redactie
FutD 2008-1522
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 07/00034 en 07/00059

Uitspraak van de tweede meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Z van de rijksbelastingdienst, hierna: de Inspecteur (kenmerk 07/00034),

alsmede op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y, Frankrijk, hierna: belanghebbende (kenmerk 07/00059)

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 18 december 2006, nummer AWB 06/382 in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 179.170, in welke aanslag premie is geheven naar een maximum premie-inkomen van € 27.009 tegen een premiepercentage van 29,4, zijnde € 7.939, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een verzamelinkomen van € 179.170, waarvan € 6.752 is onderworpen aan premieheffing; het Hof verstaat dit aldus dat de Rechtbank kennelijk bedoeld heeft de in de aanslag begrepen premie volksverzekeringen te verminderen tot laatstgenoemd bedrag.

1.3. Tegen deze uitspraak hebben zowel belanghebbende als de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft in het hoger van beroep van belanghebbende een verweerschrift ingediend, daarin slechts verwijzende naar zijn eigen hoger-beroepschrift. Belanghebbende heeft in het hoger beroep van de Inspecteur een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op dinsdag 8 april 2008 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2. Feiten

2.1. De Rechtbank heeft met juistheid de volgende feiten vastgesteld.

2.2. Belanghebbende is geboren op 24 april 1946, heeft de Franse nationaliteit en was gedurende het gehele jaar 2001 woonachtig in Y, Frankrijk.

2.3. Belanghebbende is werkzaam voor het A, gevestigd te B. In 2001 was hij in loondienst werkzaam als president en uitvoerend directeur bij de te Monaco gevestigde dochtermaatschappij C.

2.4. Daarnaast vervulde hij de functie van statutair managing director (een functie vergelijkbaar met die van commissaris en als zodanig gelijk te stellen met het vervullen van een functie in loondienst) van D NV, de in Nederland gevestigde moedermaatschappij van het concern.

2.5. In 2001 was belanghebbende omstreeks 60 dagen werkzaam in Nederland. De overige ongeveer 180 werkdagen werden hoofdzakelijk in Monaco doorgebracht. In Frankrijk werden geen werkzaamheden verricht.

2.6. Frankrijk kent geen sociale verzekeringsplicht die is gebaseerd op uitsluitend inwonerschap. Nu in Frankrijk geen werkzaamheden werden verricht, bestond in Frankrijk geen sociale verzekeringsplicht.

2.7. Monaco is geen lid van de Europese Unie en behoort evenmin tot de groep van staten ten aanzien waarvan de "Verordening (EEG) nummer 1408/71 van de Raad van de EG van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen", (Pb-EG 1971, nr. L 149/2) (de Verordening), mede toepassing vindt.

2.8. Terzake van het inkomen genoten uit de in Monaco uitgeoefende werkzaamheden is in Monaco een stelsel inzake sociale zekerheid van toepassing.

2.9. Gedurende het onderzoek ter zitting bij het Hof is met betrekking tot de in Nederland gewerkte dagen nog het volgende komen vast te staan. Belanghebbende heeft zijn werkzaamheden in Nederland verricht op 60 dagen regelmatig verspreid over het kalenderjaar en het in het betreffende aangiftebiljet aangegeven arbeidsinkomen ad € 179.170 betreft niet het wereldinkomen, maar uitsluitend het Nederlandse inkomen.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is de vraag of de Inspecteur het premie-inkomen voor het jaar 2001 juist berekend heeft.

3.2. Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. Belanghebbende betoogt dat hij gedurende slechts 60 dagen (de in Nederland gewerkte dagen) premieplichtig was in Nederland en dat het maximum premie-inkomen tijdsevenredig moet worden verminderd tot 60/360 maal € 27.009, ofwel € 4.501.

3.3. De Inspecteur betoogt dat belanghebbende voor het gehele jaar premieplichtig was, zodat geen tijdsevenredige vermindering van het maximum premie-inkomen mag plaatsvinden. Belanghebbendes voljaarse premieplicht zou voortvloeien uit artikel 13, tweede lid, sub a, van EG-Verordening nr. 1408/71 (hierna: de Verordening).

3.4. Belanghebbende ontkent de toepasselijkheid van de Verordening. Naar zijn mening is het doel van de Verordening het geven van conflictregels in EU-situaties. Nu niet in geschil is dat belanghebbende in Frankrijk niet verzekerd is, doet zich geen conflict voor tussen de sociale zekerheidsstelsels van twee (of meer) lidstaten, zodat de Verordening toepassing mist.

3.5. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting zijn geen nieuwe argumenten naar voren gebracht. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt, waarvan partijen een afschrift ontvangen.

3.6. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de Inspecteur, en vermindering van de aanslag tot een naar een premie-inkomen van € 4.501 (met instandhouding van de overige elementen). De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.De Hoge Raad besliste in zijn arrest van 12 juni 1991, nr. 24.954 (BNB 1991/254):

4.3. In cassatie is de vraag aan de orde of belanghebbende voor de premieheffing voor de volksverzekeringen over 1982 over het gehele jaar als verzekerd moet worden aangemerkt en de aanslag tot het juiste bedrag is opgelegd, dan wel of belanghebbende slechts op de dagen waarop hij in Nederland arbeid verrichtte als verzekerd moet worden aangemerkt en de aanslag op basis van een premietijdvak van 106 dagen moet worden vastgesteld.

4.4. Wat betreft het verzekerd zijn ingevolge de Algemene Ouderdomswet (verder: AOW) bepaalt artikel 6, lid 1, aanhef en letter b van deze Wet:

1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die de leeftijd van 15 jaar, doch nog niet die van 65 jaar heeft bereikt, indien hij:

a. ingezetene is

b. geen ingezetene is, doch ter zake van binnen het Rijk in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

4.5. Nu er ten aanzien van de door belanghebbende als docent in deeltijd verrichte arbeid sprake was van het gedurende het gehele jaar regelmatig, namelijk op een dag per week, in dienstbetrekking in Nederland verrichten van arbeid was belanghebbende gedurende het gehele jaar 1982 aan de loonbelasting onderworpen, was hij derhalve dat gehele jaar ingevolge de AOW verzekerd en is van hem ingevolge artikel 26 (in de in 1982 geldende tekst) AOW terecht premie geheven naar de maatstaf van het door hem in 1982 genoten binnenlandse inkomen.

4.6. In de wetten betreffende de andere volksverzekeringen is ter zake van de kring der verzekerden, voor zover te dezen van belang, en voor de premieheffing aansluiting gezocht bij de AOW. De in 4.5 bedoelde gevolgtrekkingen gelden derhalve evenzeer voor deze volksverzekeringen.

4.2. Belanghebbende werkte in het onderhavige jaar op 60 dagen in Nederland. Deze dagen lagen regelmatig verspreid over het gehele kalenderjaar. Uit het zojuist geciteerde arrest volgt dan, dat belanghebbende voor het gehele kalenderjaar verzekerd is voor de Nederlandse volksverzekeringen.

4.3. Belanghebbende bestrijdt toepasselijkheid van de Verordening. Hij erkent echter - terecht - dat indien de Verordening van toepassing zou zijn, het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel zou worden aangewezen. Bijgevolg is de al-dan-niet toepasselijkheid van de Verordening irrelevant voor de beantwoording van het voorliggende geschil. Is de Verordening van toepassing, dan wijst deze het Nederlandse stelsel aan. Is de Verordening niet van toepassing, dan vloeit belanghebbendes verzekeringsplicht, zoals hierboven uiteengezet, rechtstreeks voort uit de Nederlandse wet.

4.4. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur, dient het hoger beroep van de Inspecteur gegrond te worden verklaard, dient het hoger beroep van belanghebbende ongegrond te worden verklaard en dient de uitspraak van de Rechtbank te worden vernietigd.

5. Griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep van de Inspecteur gegrond;

- verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond; en

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 30 mei 2008 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en M.C.G.J. van Well, leden, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.