Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD6308

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
04-07-2008
Zaaknummer
HV 103.009.858
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing op de grond dat het niet de deskundigheid van de voorgestelde deskundige kan vaststellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 356
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

dHJ

25 juni 2008

Sector civiel recht

Zaaknummer:HV 103.009.858/01

Zaaknummer eerste aanleg: 106887/EX RK 07-156

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [X.],

advocaat en procureur: mr. J.N.R.M. Aarts,

appellante,

t e g e n

naamloze vennootschap

WINTERTHUR SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: Winterthur,

advocaat en procureur: mr. R.F.L.M. van Dooren,

geïntimeerde.

1. Het verloop van de procedure

1.1. De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij beschikking van 19 oktober 2007 het verzoek van [X.] tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht, met benoeming tot deskundige Prevalis Nederland B.V. te [vestigingsplaats], afgewezen met veroordeling van [X.] in de proceskosten. Een bodemprocedure is nog niet aanhangig gemaakt.

1.2. Bij beroepschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie van het hof op 17 januari 2008, heeft [X.] tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld en, onder het aanvoeren van drie grieven, geconcludeerd tot het alsnog toewijzen van het verzoek, met veroordeling van Winterthur in de kosten in beide instanties. Bij brief van 5 maart 2008 heeft mr. Aarts het hof het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg toegezonden.

1.4. Het verweerschrift in hoger beroep, met 2 bijlagen, van Winterthur is bij het hof binnengekomen op 15 februari 2008. Zij concludeert tot bekrachtiging van de beschikking waarvan beroep, tot afwijzing van het verzoek en tot veroordeling van [X.] in de proceskosten.

1.5. De mondelinge behandeling vond plaats op 18 juni 2008. Daarbij waren aanwezig [X.] en haar advocaat alsmede mr. van Dooren. Mr. Aarts heeft een pleitnota overgelegd.

2. De gronden van het verzoek

Voor de gronden van het verzoek en de toelichting daarop verwijst het hof naar het beroepschrift.

3. De beoordeling

3.1. In de onderhavige zaak handelt het om de vraag of er het door Winterthur betwiste vereiste causale verband bestaat tussen de pijn die [X.] stelt te hebben geleden en lijdt en het haar overkomen verkeersongeval in 1999. Zij stelt tijdelijke hoofdpijn- en nekklachten en blijvende pijnklachten tussen de schouderbladen te hebben ondervonden, althans nog steeds te ondervinden. Winterthur heeft de aansprakelijkheid erkend.

3.2. Het hof stelt voorop dat een voorlopig deskundigenonderzoek kan dienen ter voorbereiding en/of ondersteuning van een procedure en in het bijzonder om te beoordelen of het zinvol is om een procedure aan te gaan dan wel voort te zetten. De onderzoeksresultaten kunnen dienen ter informatie aan de rechter en als bewijs. Een verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek is dan ook in beginsel steeds toewijsbaar indien het verzoek voldoende concreet en ter zake dienend is en feiten bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige. Afwijzing van het verzoek kan op de grond dat het verzoek in strijd is met een goede procesorde, dat misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheid een voorlopig deskundigenonderzoek te verlangen of als het verzoek op een ander zwaarwegend geoordeeld bezwaar afstuit, HR 13 september 2002, NJ 2004/18 en HR 30 maart 2007, NJ 2007/189.

3.3. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, kort gezegd, op de grond dat er reeds een deskundigenrapport is uitgebracht door de orthopedisch chirurg dr. Plasmans, zodat er onvoldoende aanleiding bestaat voor een tweede onderzoek. [X.] kan haar proceskansen aldus inschatten en zij kan, in het kader van een second opinion, zich op eigen initiatief tot Prevalis wenden.

3.4. De grieven 1 en 2

3.4.1. [X.] bestrijdt de beoordeling door de rechtbank, kort gezegd op de grond dat het verlangde deskundigenonderzoek door Prevalis een andere beoordeling betreft dan die door dr. Plasmans, namelijk een beoordeling vanuit andere, bovendien multidisciplinaire medische disciplines. [X.] stelt dat Prevalis gespecialiseerd is op het terrein van pijnbestrijding en werkt met een multidisciplinaire aanpak door bedrijfsarts, fysiotherapeut, anesthesist/pijnspecialist, revalidatiearts en bewegingswetenschapper waarbij gebruik wordt gemaakt van geavanceerde meet- en trainingsapparatuur. Het enkel op de orthopedische wetenschap geschoeide oordeel van dr. Plasmans - kort gezegd dat de door [X.] geuite klachten niet medisch te objectiveren zijn - wordt niet in twijfel getrokken. Ter zitting heeft de advocaat van [X.] gesteld dat hem uit een dossier van een andere cliënt bekend is dat Prevalis met gebruikmaking van hun specifieke aanpak uitspraak (kan) doen over de oorzaak van de pijnklachten.

3.4.2. Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of het verzoek van [X.] om deze second opinion te bevelen toewijsbaar is, los gedacht van de voorgestelde deskundige(n). [X.] heeft namelijk haar verzoek toegespitst op het onderzoek door Prevalis en ter zitting in hoger beroep bevestigd dat het haar juist om Prevalis te doen is. Winterthur heeft onder meer de deskundigheid van dit instituut bestreden, althans betwist zij dat Prevalis op het gebied van het vaststellen van de causaliteit deskundig is. Voorts heeft zij gesteld dat Prevalis waarschijnlijk de pijnklachten van de patiënt kritiekloos tot uitgangspunt neemt en zich concentreert op de bestrijding daarvan. Dit (eerste) verweer is gegrond. Het hof kan namelijk niet vaststellen of de medewerkers van Prevalis over de benodigde deskundigheid beschikken, dat wil zeggen zodanige deskundigheid dat de verlangde beoordeling voldoende gezag heeft om aan een rechterlijk oordeel ten grondslag te kunnen worden gelegd. Het hof overweegt daartoe als volgt.

3.4.3. Inzet van geschil tussen partijen is niet gelegen op het gebied van de vaststelling van pijn en van pijnbestrijding, maar op het terrein van de medische causaliteit, dus van het vaststellen van de medische oorzaak (de lichamelijke afwijking) van de ondervonden pijn, en het verband tussen die oorzaak en het verkeersongeval. Zowel van de genoemde paramedische medewerkers van Prevalis als van de medici kan het hof niet vaststellen of zij ter zake deskundig zijn en aan welke feiten of omstandigheden zij aan hun individuele deskundigheid ontlenen. Daaromtrent heeft [X.] niets gesteld, zij heeft zelfs geen namen van betrokkenen genoemd. De omstandigheid dat de medewerkers samenwerken en eventueel bij derden (artsen) informatie kunnen inwinnen, brengt nog niet mee dat de geëigende deskundigheid aanwezig is. Ook de omstandigheid dat in een andere zaak van de advocaat van [X.] een medewerker van Prevalis zich wel eens heeft uitgelaten over de achter- liggende oorzaak van pijn bij een patiënt rechtvaardigt niet de conclusie dat de betreffende medewerkers voor de onder- havige beoordeling over voldoende deskundigheid beschikken. Een en ander geldt niet alleen voor de voor benoeming door het hof verlangde deskundigheid (zowel op het terrein van het vaststelen van de medische oorzaak en als het verband met het verkeersongeval), maar geldt tevens voor de verlangde gezag onder vakgenoten, ervaring en intuïtie vereist om van een rechtens aanvaardbaar deskundigenrapportage te kunnen spreken.

3.4.4. Deze omstandigheden leveren zodanig zwaarwegende bezwaren dat het verzoek reeds hierom moet worden afgewezen.

3.4.5. Grief 3, die betrekking heeft op de proceskosten, faalt daarmee eveneens. Ook in hoger beroep zal [X.] in de proceskosten worden verwezen.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt, op andere gronden, de beschikking waarvan beroep;

veroordeelt [X.] in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van Winterthur gevallen, tot op heden begroot op € 300,- voor vast recht en op € 894,- voor salaris procureur.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Feddes en Tjong Tjin Tai en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.