Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD6273

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
04-07-2008
Zaaknummer
HV 103.009.198
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking of deel(eind)beschikking?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BSU

19 juni 2008

Sector Civiel recht

Zaaknummer HV 103.009.198/01

Zaaknummer eerste aanleg 163259 FA RK 06-3276

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: de vrouw,

procureur: mr. R.F.W. van Seumeren,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: de man,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 29 mei 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 28 augustus 2007, heeft de vrouw verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en onder verbetering van de gronden te bepalen dat de man aan de vrouw bij vooruitbetaling een onderhoudsbijdrage van € 13.000,-- bruto per maand dient te voldoen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 26 september 2007, heeft de man verzocht om het verzoek van de vrouw in hoger beroep af te wijzen.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- de brief d.d. 9 mei 2008 met bijlagen van de procureur van de man;

- de brief d.d. 13 mei 2008 met bijlagen van de advocaat van de vrouw.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 mei 2008. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord. Deze behandeling heeft zich beperkt tot de kwestie omtrent de ontvankelijkheid van de vrouw in haar hoger beroep, hetgeen op voorhand aan de advocaten van partijen is medegedeeld.

De advocaat van de vrouw heeft pleitnotities overgelegd.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 14 september 1988 met elkaar gehuwd.

Uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten:

[zoon A.] op [geboortejaar] te [geboorteplaats] en

[dochter B.] op [geboortejaar] te [geboorteplaats].

4.2. Bij op 25 juli 2006 ter griffie van voormelde rechtbank ingekomen verzoekschrift heeft de man echtscheiding met nevenvoorzieningen gevraagd.

4.3. Bij op 8 september 2006 ter griffie van voormelde rechtbank ingekomen verweerschrift heeft de vrouw verweer gevoerd en bij wege van zelfstandig verzoek eveneens echtscheiding met nevenvoorzieningen, waaronder vaststelling van een door de man te betalen partneralimentatie van € 10.000,-- per maand, gevraagd.

4.4. De man heeft op zijn beurt tegen dat verzoek verweer gevoerd, waarna de rechtbank bij beschikking van 8 februari 2007 tussen partijen de echtscheiding heeft uitgesproken en de beslissing op de nevenvoorzieningen heeft aangehouden.

4.5. De echtscheidingsbeschikking is op 21 mei 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.6. Vervolgens heeft de rechtbank bij de bestreden beschikking, voorzover thans van belang, bepaald dat de man vanaf de dag dat het dienstverband van de vrouw zal zijn geëindigd, doch niet eerder dan met ingang van de datum van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, tot de datum, waarop definitief op het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie zal zijn beslist, als voorlopige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw bij vooruitbetaling een bedrag van € 2.950,-- per maand moet voldoen.

4.7. Het hoger beroep van de vrouw richt zich alleen tegen de vaststelling van de voorlopige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw en meer in het bijzonder tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de behoefte van de vrouw en de vaststelling van de draagkracht van de man.

Daarnaast benut de vrouw het hoger beroep om haar in eerste aanleg gedane verzoek met betrekking tot de partner- alimentatie te wijzigen in die zin, dat zij het hof verzoekt die alimentatie alsnog en definitief vast te stellen op € 13.000,-- per maand.

De ontvankelijkheid

4.8. Het hof heeft ambtshalve de ontvankelijkheid van de vrouw in haar hoger beroep aan de orde gesteld. Ter beantwoording ligt voor de vraag of het onderdeel van de beschikking waarvan beroep betreffende de door de man voorlopig aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud moet worden aangemerkt als een (deel-)eindbeschikking of als een tussenbeschikking.

4.9. De vrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er sprake is van een eindbeschikking (deelbeschikking), omdat enig gedeelte van het verzoek van de vrouw, namelijk het vaststellen van een onderhoudsbijdrage, is toegewezen in het dictum. Volgens de vrouw staat vast en is definitief beslist dat de man onderhoudsplichtig is jegens de vrouw ter hoogte van het in het dictum van de beschikking waarvan beroep bepaalde bedrag. Het voorlopige karakter van deze beschikking bestaat enkel uit het beperkte tijdsbestek. Het woord “voorlopig” in de beschikking kan worden opgevat als betrekking hebbende op het vooralsnog onzekere, doch in de nabije toekomst wel te verwachten moment waarop de effectuering van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden / verdeling gemeenschappelijke goederen haar beslag zal krijgen, op welk moment een einde komt aan de periode van de thans vastgestelde bijdrage. Verder is volgens de vrouw sprake van een eindbeschikking, omdat de toegewezen bijdrage een minimum bedraagt, gebaseerd op de reeds vaststaande bestanddelen. Afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden / verdeling gemeenschappelijke goederen kan er enkel toe leiden dat de bijdrage hoger wordt of gelijk blijft. In die zin is ook sprake van een gedeeltelijke toewijzing van het verzochte.

De vrouw heeft subsidiair het standpunt ingenomen dat, indien er sprake is van een tussenbeschikking, op grond van een aantal bijzondere omstandigheden tussentijds hoger beroep gerechtvaardigd is.

De man heeft betoogd dat er sprake is van een niet-appellabele tussenbeschikking. De rechtbank kan naar de mening van de man bij haar definitieve beslissing omtrent de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw een van de voorlopige beslissing afwijkend oordeel geven met betrekking tot de door de man tot de datum van de definitieve beslissing ten behoeve van de vrouw te betalen partneralimentatie.

4.10. Het hof oordeelt als volgt.

Indien de beschikking op het in hoger beroep bestreden onderdeel daarvan een (deel-)eindbeschikking betreft, staat daartegen thans hoger beroep open en is de vrouw daarin ontvankelijk. Indien het een tussenbeschikking betreft, kan ingevolge artikel 358 lid 4 Rv slechts hoger beroep tegelijk met het hoger beroep van de eindbeschikking worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Vaststaat dat de rechtbank in casu niet anders heeft bepaald en dat daar ook niet om is verzocht door (één van) partijen. In het geval dat sprake is van een tussenbeschikking is de vrouw dan ook niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

4.11. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer en voorzover thans van belang het volgende overwogen:

“de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw

behoefte

2.19 (….)

2.20 In het kader van de voorlopige voorzieningen is door de rechtbank geen onderhoudsbijdrage voor de vrouw vastgesteld. De vrouw beschikt nog over haar eigen inkomsten uit arbeid en de man voldoet de hypotheeklasten van de echtelijke woning, zodat daarmee feitelijk in de toen door de rechtbank vastgestelde behoefte is voorzien.

2.21 Vaststaat dat de arbeidsovereenkomst van de vrouw zal worden beëindigd. In die situatie heeft de vrouw belang bij de vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud. Vaststelling van een definitieve bijdrage is echter niet mogelijk omdat niet vaststaat welk vermogen de vrouw zal gaan ontvangen uit de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden / verdeling gemeenschappelijke goederen, wat de inkomsten zullen zijn die de vrouw uit dat vermogen kan genereren en in welke mate zij daarmee in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank zal dan ook een voorlopige bijdrage vaststellen, gebaseerd op een voorlopig vastgestelde behoefte en een voorlopig vastgestelde draagkracht en de beslissing op dit onderdeel voor het overige aanhouden.

2.22 De voorlopige behoefte van de vrouw wordt bepaald door (….)”

en

“draagkracht

2.29 (….)

2.30 “Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 215.000,-- bruto op jaarbasis. (…) Met de overige inkomensbe¬stand¬¬delen (box 3 inkomsten + onttrekkingen) waarmee voor de behoeftebepaling rekening is gehouden, houdt de rechtbank thans geen rekening, omdat niet is komen vast te staan dat hiervan in 2007 sprake zal zijn nu een en ander afhankelijk is van de wijze waarop de huwelijkse voorwaarden worden afgewikkeld (box 3 inkomsten).

(….)

2.35 Op grond van (….) acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om naast de bijdrage voor de kinderen van € 600,= per maand en per kind € 2.950,= per maand te voldoen als voorlopige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (…). De definitieve beslissing op dit verzoek wordt aangehouden.”

In het dictum van de door de vrouw bestreden beschikking heeft de rechtbank vervolgens, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald

“dat de man vanaf de dag dat het dienstverband van de vrouw zal zijn beëindigd, doch niet eerder dan de dag, waarop de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, tot de datum waarop definitief op dit verzoek zal zijn beslist als voorlopige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 2.950,--(tweeduizend negenhonderd vijftig euro) per maand.”

Daarnaast heeft de rechtbank (onder meer) een deskundigenonderzoek naar de waarde van de aandelen per 31 december 2005 van de onderneming [Y.] Beheer B.V. ([Z.] Groep) gelast.

Met betrekking tot de afwikkeling huwelijkse voorwaarden en verdeling gemeenschappelijke goederen is in de overwegingen – niet in het dictum – een aantal eindbeslissingen genomen op diverse onderdelen.

4.12. Naar het oordeel van het hof dient op grond van de bovenstaande overwegingen en het dictum van de bestreden beschikking te worden geconcludeerd dat er, voor zover de bestreden beschikking aan het oordeel van het hof is onder- worpen, sprake is van een tussenbeschikking. De rechtbank heeft voor het levensonderhoud van de vrouw een bedrag bepaald met de uitdrukkelijke toevoeging dat dit voorlopig geschiedt en voorts de definitieve beslissing daarover aange- houden. De beschikking moet, tenzij er aanwijzingen zijn voor een afwijkende uitleg, in die zin als voorlopig worden opgevat dat de rechter na heropening van het onderzoek vrij is om op grond van de hem dan blijkende omstandigheden voor dat levensonderhoud zowel voor de toekomst als voor de periode vóór die heropening een ander bedrag vast te stellen (HR 7 december 1984, NJ 1985, 402). Dergelijke aanwijzingen zijn er naar het oordeel van het hof in casu niet. Integendeel, de hiervoor aangehaalde overwegingen en met name r.o. 2.21 en r.o. 2.30 duiden erop dat de rechtbank, nadat duidelijk is geworden hoe de verdeling van de gemeenschappelijke goederen moet geschieden en hoe de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zal luiden, opnieuw de (aanvullende) behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man zal vaststellen en met name dat laatste met terugwerkende kracht. Thans heeft de rechtbank immers wel rekening gehouden met een rendement uit vermogen van 4% aan de zijde van de man bij de berekening van de voorlopige behoefte, maar bij de berekening van de voorlopige draagkracht heeft de rechtbank in het geheel geen rekening gehouden met de overige inkomensbestanddelen, terwijl uit die bestanddelen ook thans inkomsten gegenereerd worden. Kennelijk heeft de rechtbank de bedoeling om die inkomsten te zijner tijd met terugwerkende kracht te verdisconteren in de (berekening van de) draagkracht van de man en daarmee zijn mogelijkheid tot voldoening van een definitieve bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, afhankelijk van de uitkomsten van het deskundigenonderzoek, de verrekening en de verdeling.

4.13. Het vorenoverwogene betekent, dat de opvatting van de vrouw dat sprake is van een (deel-)eindbeschikking en dat het voorlopige karakter slechts bestaat uit het beperkte tijdsbestek, niet wordt gevolgd.

In dit geval is – anders dan de vrouw heeft betoogd - eveneens geen sprake van een voorlopige beslissing met een onherroepelijk karakter in die zin dat de beschikking, eenmaal geëffectueerd, in haar gevolgen niet meer ongedaan kan worden gemaakt (HR 23 november 2007, LJN BB6910). Voor een voorlopige alimentatiebeschikking geldt, anders dan bij een voorlopige omgangsbeschikking, nu juist wel dat de beschikking in haar gevolgen ongedaan gemaakt kan worden.

Artikel 358 Rv biedt geen aanknopingspunt voor het subsidiaire standpunt van de vrouw dat bijzondere omstandigheden in afwijking van deze wetsbepaling kunnen leiden tot appellabiliteit van een tussenbeschikking, anders dan in het geval dat de rechter tussentijds appel heeft toegestaan, hetgeen in casu niet het geval is.

4.14. De conclusie luidt dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Breda van 29 mei 2007.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Pellis en Everaars-Katerberg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 19 juni 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.