Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2008:BD6268

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
04-07-2008
Zaaknummer
HV 103.008.997
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het beroep van de vrouw is niet gericht tegen de vastgestelde voorlopige partneralimentatie, maar tegen een rechtsoverweging omtrent de vaststelling van haar behoefte. De rechtbank heeft de vrouw in de gelegenheid gesteld om verificatoire bescheiden omtrent haar behoefte in het geding te brengen. De rechtbank heeft aldus bepalende in het dictum echter geen einde gemaakt omtrent enig deel van het verzochte. Het hof is derhalve van oordeel dat op dit punt sprake is van een tussenbeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

SBW

10 juni 2008

Sector Civiel recht

Zaaknummer HV 103.008.997/01

Zaaknummer eerste aanleg 73805/FA RK 06-780

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. Ph.C.M. van der Ven,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. E.H.H. Schelhaas.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 11 april 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 4 juli 2007, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor wat betreft de beslissing ten aanzien van de peildatum voor de behoefte van de vrouw aan een alimentatie en, opnieuw rechtdoende, primair te bepalen dat de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud dient te worden vastgesteld aan de hand van het gezamenlijk netto gezinsinkomen ten tijde van de indiening van het verzoek tot echtscheiding, subsidiair te bepalen dat de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud dient te worden vastgesteld aan de hand van het gezamenlijk netto gezinsinkomen over het jaar 2003, het jaar waarin de bemiddeling om te komen tot een echtscheiding op gemeenschappelijk verzoek werd beëindigd.

2.2. Bij verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 6 augustus 2007, heeft de man verzocht:

In principaal appel:

Bij wijze van exceptief verweer:

de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep van voormelde (tussen)beschikking, met haar veroordeling in de proceskosten.

In geval van verwerping van het exceptief verweer:

het hoger beroep ongegrond te verklaren en voormelde beschikking, voor zoveel nodig onder aanvulling en verbetering van gronden, doch met inachtneming van hetgeen in incidenteel appel wordt aangevoerd, (voor het overige) te bekrachtigen.

In voorwaardelijk incidenteel appel:

voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarbij is overwogen dat de behoefte van de vrouw minimaal moet worden vastgesteld aan de hand van het netto-gezinsinkomen in 2000, vermeerderd met hetgeen de vrouw in de periode na 2000 meer heeft uitgegeven voor haar levensonderhoud, door schrapping van “minimaal” en van de passage “vermeerderd – voor zover aangetoond - met hetgeen de vrouw in de periode na 2000 méér heeft uitgegeven voor haar levensonderhoud”. Kosten rechtens.

2.3. Bij verweerschrift in voorwaardelijk incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 5 september 2007, heeft de vrouw verzocht het voorwaardelijk incidenteel appel af te wijzen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 5 maart 2007.

2.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 april 2008. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift en het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 27 november 1975 te Sittard met elkaar gehuwd.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 30 juli 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.2. De rechtbank heeft tevens bepaald dat de man voorlopig met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw voor levensonderhoud dient te voldoen een bedrag van € 2.500,00 per maand.

Ontvankelijkheid

4.3. Het hof zal – gezien het exceptief verweer van de man - eerst bezien of de vrouw ontvankelijk is in haar beroep.

4.3.1. De man stelt dat de vrouw in beroep is gekomen van een tussenbeschikking, bij welke beschikking een voorlopige alimentatiebijdrage ad € 2.500,00 per maand is vastgesteld. De beslissing over de definitieve partneralimentatie is aangehouden in afwachting van door partijen nader in het geding te brengen stukken. De man is van mening dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep.

4.4. Het hof oordeelt als volgt.

4.4.1. Ingevolge artikel 358 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan hoger beroep van een tussenbeschikking slechts tegelijk met een hoger beroep van de eindbeschikking worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Vaste jurisprudentie is dat hoger beroep wel is toegestaan wanneer in een tussenbeschikking door een uitdrukkelijk dictum een einde wordt gemaakt aan het geding omtrent enig deel van het verzochte. Dan is in zoverre geen sprake van een tussenbeschikking maar van een eindbeschikking, die deelbeschikking wordt genoemd. Van zo’n deelbeschikking staat wel afzonderlijk hoger beroep open.

4.4.2. Voor zover in de bestreden beschikking de echtscheiding wordt uitgesproken is in ieder geval sprake van een deelbeschikking. Daartegen is het hoger beroep echter niet gericht. De vraag die zich hier voordoet is of in het dictum van de bestreden (tussen)beschikking ook anderszins een eind gemaakt wordt omtrent enig deel van het verzochte.

4.4.3. In eerste aanleg verschillen partijen van mening over de peildatum waarop de behoefte van de vrouw aan alimentatie dient te worden vastgesteld, aangezien partijen al jaren gescheiden van elkaar leven.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking in r.o. 2.4. hierover het volgende overwogen:

“De rechtbank is van oordeel dat de behoefte van de vrouw na 2000 (dus al jaren lang) niet meer wordt bepaald door het gezinsinkomen. Het feit dat de echtscheiding pas wordt aangevraagd nadat er al ongeveer 6 jaar een situatie bestaat van niet-samenwonen brengt daarin geen verandering.

De rechtbank concludeert derhalve dat de behoefte van de vrouw niet dient te worden vastgesteld aan de hand van het huidige gezamenlijke netto-inkomen van partijen. Van een gezinsinkomen is immers al lang geen sprake meer.”

De rechtbank heeft vervolgens in het dictum van de bestreden beschikking onder meer een voorlopige partneralimentatie vastgesteld van € 2.500,00 per maand en de vrouw in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de datum van de bestreden beschikking aan de rechtbank en aan de wederpartij te doen toekomen verificatoire bescheiden betreffende haar:

- behoefte aan kosten voor levensonderhoud uitgaande van het jaar 2000 (het jaar waarin partijen gescheiden zijn gaan leven) en vermeerderd met de eventuele hogere feitelijke uitgaven voor levensonderhoud (vermeerderd met de wettelijke indexeringen);

- behoefte aan (aanvullende) alimentatie mede gelet op de eigen inkomsten van de vrouw (na scheiding en deling).

De definitieve beslissing omtrent de partneralimentatie en proceskosten is door de rechtbank aangehouden.

4.4.4. Het hof stelt vast dat het beroep van de vrouw niet gericht is tegen de door de rechtbank vastgestelde voorlopige partneralimentatie. De vrouw verzoekt in hoger beroep immers te bepalen dat voor de vaststelling van haar behoefte aan een onderhoudsbijdrage niet van het gezinsinkomen over het jaar 2000 (toen partijen nog feitelijk samenwoonden) moet worden uitgegaan, maar van het gezinsin¬komen over het jaar 2006, het jaar waarin het verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank Roermond is ingediend.

Uit het vorenstaande volgt dat de vrouw eigenlijk van genoemde r.o. 2.4. in hoger beroep is gekomen. Hieruit kan worden afgeleid dat de vrouw zich op het standpunt stelt dat de rechtbank in het dictum ten onrechte de vrouw in de gelegenheid heeft gesteld om verificatoire bescheiden omtrent haar behoefte in het geding te brengen. De rechtbank heeft aldus bepalende in het dictum echter geen einde gemaakt omtrent enig deel van het verzochte. Het hof is derhalve van oordeel dat op dit punt sprake is van een tussenbeschikking.

4.4.5. Van een tussenbeschikking staat slechts hoger beroep open wanneer dit uitdrukkelijk in het dictum is bepaald. Dat is hier niet het geval.

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg aan de rechtbank gevraagd om een appellabele beslissing te nemen, hetgeen de rechtbank niet heeft gedaan. De vrouw heeft aan de rechtbank na de beschikking nog verzocht om uitstel voor het nader in het geding brengen van stukken in afwachting van de uitkomst van de procedure in hoger beroep. De rechtbank heeft dit verzoek bij brief van 6 juni 2007 afgewezen met een verwijzing naar artikel 358 lid 4 Rv.

4.4.6. Gezien het vorenstaande is het hof van oordeel dat de vrouw niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar hoger beroep.

Proceskosten

4.5. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel die inhoudt dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, zoals hierna gemeld.

5. De beslissing

Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Everaars-Katerberg, Van Zinnen en Beekhoven van den Boezem, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 juni 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.